Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: juli, 2015

Trois crayons dessinent le ciel (*)

Op maandag 20 juli jongstleden maakte ik mijn debuut als spreker – je hebt laatbloeiers en zéér late bloeiers – en al zeg ik het zelf, het mocht best geslaagd heten. Na afloop kwam iemand naar me toe en zei: dit is de beste voordracht die ik ooit heb gehoord! Dergelijke uitlatingen moet je natuurlijk met een korreltje zout nemen, maar toch: ik was geslaagd voor m’n examen, cum laude zelfs. Ik had er dan ook hard voor gewerkt, want ik wilde niet afgaan als een gieter, een mogelijkheid die, gelet op mijn autistische inborst, toch zeer reëel was. De omstandigheden waren echter beter dan ik me had kunnen dromen. Ik genoot het vertrouwen van de organisatoren, er waren heel wat bekende gezichten, het verblijf – le chateau de Frandeux – was bijna sprookjesachtig, het weer was heel gevarieerd, ik kon de hele tijd op blote voeten rondlopen, and last but not least, Venus en Jupiter vormden een conjunctie aan de hemel. Wat kan een mens nog meer wensen! Alles werkte dus mee, een voor mij zeer uitzonderlijke situatie. 

  
Het merkwaardigste van de hele week vond ik echter wel dat er een ‘hogere geest’ werkzaam was. Ik merkte dat bijvoorbeeld aan het feit dat thema’s die ik in mijn (drie) voordrachten ter sprake bracht – zoals bijvoorbeeld het apocalyptische karakter van onze tijd – ook in andere voordrachten opdoken. En dat was geenszins afgesproken. Ik maakte daaruit op dat dezelfde geest die de anderen had geïnspireerd ook mij had geïnspireerd, en dat ook bleef doen tijdens de week zelf. Het gaf me de ietwat euvele moed om van het rechte pad (dat ik zorgvuldig had uitgestippeld) af te wijken. In mijn 2de voordracht laste ik een ludiek intermezzo in dat sommige oude zielen tegen de haren in streek, maar dat door de jonge zielen zeer gesmaakt werd. En in mijn 3de voordracht nam ik mijn toehoorders een examen af en buisde ze allemaal. Van een karmische vereffening gesproken! Ik sta altijd weer te kijken van de onnavolgbare humor van de Geest van het Karma. Want ik twijfel er niet aan dat de inspiratie van hem kwam. Zelf zou ik er nooit zijn opgekomen, in m’n eentje zou ik het nooit gedurfd hebben. Het is zalig om je gesteund te weten door een gemeenschappelijke geest! Dat was wat van deze week een echt sociale week maakte. Ik hoop dat er nog vele volgen!

  

(*) Drie potloden tekenen de hemel: een vers van Julos Beaucarne dat een toeristisch reclamebord langs de E411 sierde. 

Advertenties

De onbetwiste wereldheerser

Rondlopend in een door de warmte en (de voorbereidingen van) de Feesten geteisterd Gent viel me het volgende in. Op wetenschappelijk gebied is de druk van het materialistische wereldbeeld enorm. Maar er is nog altijd de islam die zich daar hardnekkig tegen verzet. In een school vol moslimkinderen moet je met de evolutietheorie niet afkomen. Op religieus gebied is de toestand omgekeerd. Daar is het van de islam dat er een enorme druk uitgaat. Maar er zijn nog altijd andere godsdiensten en wereldbeschouwingen die daar niet aan toegeven. Alleen op artistiek gebied is er geen enkel verzet meer tegen de Hedendaagse Kunst. De druk die deze kunst uitoefent, is niet enorm, hij is verpletterend. Er is geen land, geen wetenschap, geen cultuur ter wereld die nog vraagtekens plaatst bij de Hedendaagse Kunst. In de Arabische landen bijvoorbeeld riskeer je stokslagen of erger wanneer je een naakt schildert of de profeet tekent. Maar Hedendaagse Kunst? Geen enkel probleem. Nergens. 
Dat betekent dat de macht van de ‘hedendaagse’ geest nog een heel stuk groter is dan die van de geesten die op wetenschappelijk en religieus gebied de macht nastreven. Zijn macht is totaal. Het is een absolute wereldmacht die niets of niemand naast zich duldt, laat staan tegenover zich. Hier gaat het niet om Lucifer (die vooral op religieus en spiritueel gebied macht uitoefent) of Ahriman (die vooral via de werenschap de wereld in zijn greep houdt). Het gaat hier om Sorat, de grote zonnedemon, de rechtstreekse tegenstander van Christus. Om stand te houden tegen deze geest kun je je alleen beroepen op de krachten van je Ik, op datgene wat enkel en alleen van jezelf is. Geen enkel ander houvast is betrouwbaar. Ten bewijze: zelfs antroposofen lopen met open ogen in zijn val. 

Allen daarheen!

Mensen die vinden dat er wat al te veel woorden staan op deze blog (iets wat ik niet zal tegenspreken) kunnen voortaan terecht op mijn andere blog lievendebrouwere.wordpress.com alwaar ik mijn beeldend werk, tekeningen vooral, aan het licht zal brengen. Men zegge het voort!  
  Dit ben ik dus, in illo tempore getekend door mijn leraar, Gilbert Van Hool

Nieuwe gevoelens

‘Waar het bij moderne kunst om gaat, is dat de toeschouwer gevoelens aan het werk toevoegt, dat hij zélf een bijdrage levert.’ Zo lees ik op de omslag van het jongste nummer van Antroposofie Vandaag. Het is een citaat uit ‘Nieuwe gevoelens krijg je niet cadeau’, een column van Werner Govaerts waarin hij betoogt dat het slecht gesteld is met ons gevoelsleven. Depressie is de ziekte van onze tijd. Het is als leven in een gevoelswoestijn. We kunnen, schrijft hij, niet anders dan berusten in het feit dat de wereld ons geen gevoelens meer schenkt. Maar dat hoeft niet noodzakelijkerwijs tot nihilisme of cynisme te leiden. Het geeft ons juist de kans om zelf nieuwe gevoelens te creëren, gevoelens die ons niet van buitenaf worden opgedrongen maar die helemaal van onszelf zijn.

Maar zijn die ‘gecreëerde’ gevoelens wel echte gevoelens, vraagt hij zich af. Daar kan de moderne kunst volgens hem antwoord op geven. Moderne kunstwerken roepen immers vaak helemaal geen gevoelens op, ze wachten tot we die gevoelens zelf aan het kunstwerk toevoegen. Maar daarvoor moeten we natuurlijk eerst onze onverschilligheid overwinnen, we moeten in onszelf belangstelling en empathie opwekken, zonder oordelen te vellen. Rudolf Steiner verklaarde ooit dat de sterren niet langer tot de mensen spreken, maar dat de mensen nu tot de sterren moeten spreken. En dat is precies wat we doen wanneer we in onszelf nieuwe, eigen gevoelens creëren, aldus Werner Govaerts.

Wel, wel, wel. We spreken dus ‘tot de sterren’ wanneer we in een museum vol bewondering kijken naar een pispot of een blikje stront? Want dat is het beeld dat mij voor de geest komt wanneer ik denk aan moderne kunst: mensen die dingen bewonderen waar ze normaal gezien de neus voor ophalen. Die bewondering is zeer zeker ‘gecreëerd’ want ze bestaat alleen binnen de muren van een museum of tentoonstellingszaal. Daarbuiten keuren we die pispotten en uitwerpselen geen blik waard, we wenden er ons zelfs vol weerzin vanaf. En deze gecreëerde gevoelens zouden dus de ‘sterrentaal’ zijn waarover Rudolf Steiner spreekt? Ik moet zeggen dat ik dat een gewaagde jump to conclusions vind, te meer daar hij zonder één enkel argument of voorbeeld gemaakt wordt.

Zou dat werkelijk de opgave van de antroposoof zijn: normale gevoelens omkeren in hun tegendeel? Want daar komt het in de moderne kunst tenslotte op neer: we worden er niet alleen verondersteld bewondering te voelen voor wat anders onze weerzin oproept, we worden ook verondersteld weerzin te voelen voor wat anders onze bewondering oproept. De minachting van moderne kunstenaars en kunstliefhebbers voor de kunst uit het verleden is grenzeloos. Ze zeggen het niet altijd met zoveel woorden, maar het blijkt overduidelijk uit hun daden: de echte kunst begint met hén, wat daarvóór kwam, is de naam kunst niet waard. 

Overdrijf ik nu? Ik dacht het niet. De moderne kunst vertoont een ongelooflijke diversiteit, maar al haar uitingen hebben één ding gemeen: een diepe aversie tegen haar voorganger. De nieuwe kunst is erin geslaagd de oude kunst radicaal uit te bannen. Anders dan in de wereld van de muziek, is er in de wereld van de beeldende kunst nauwelijks nog een spoor te bekennen van het klassieke verleden, tenzij dan als voorwerp van spot en verminking. Er is ook geen spoor meer te bekennen van kritiek of verzet tegen die machtsgreep. Niemand waagt het nog te protesteren tegen de excessen van de moderne kunst, hoe abject ze ook zijn. Wie mee wil zijn met zijn tijd moet in de wereld van de (beeldende) kunst dus het vermogen ontwikkelen zijn gevoelens radicaal om te keren: wat hij verafschuwt moet hij leren bewonderen, wat hij bewondert moet hij leren verafschuwen. Hij moet met andere woorden controle verwerven over zijn gevoelsleven. Niet zijn gevoelens mogen hem de wet dicteren, maar omgekeerd. Dat is wat de moderne kunst van ons verwacht, dat is ook wat Rudolf Steiner van antroposofen verwacht. Althans volgens Werner Govaerts. 

Het klinkt goed, dat moet gezegd. Alleen wordt nergens duidelijk wat deze welluidende woorden concreet inhouden. Die nieuwe gevoelens en die toekomstige sterrentaal, wat moet ik me daar eigenlijk bij voorstellen? En gevoelens creëren: hoe doe je dat? Het blijft allemaal heel abstract, heel vaag en heel suggestief. De algemene boodschap lijkt te zijn: als antroposoof moeten we de moderne kunst tot voorbeeld nemen. Daar kan ik natuurlijk niks tegen hebben. Zei Steiner niet dat het vanzelf spreekt dat een ontwikkeld mens houdt van de kunst van zijn tijd? Ik ben het daar helemaal mee eens, alleen … ik heb nooit geloofd en geloof nog altijd niet dat de kunst van mijn tijd bestaat uit pispotten en ander afval. Hoe meer ik erover nadenk des te krankzinniger vind ik dat blinde geloof in een kunst die zichzelf presenteert als de enige echte kunst van onze tijd, met uitsluiting van alle andere. Ik sta te kijken van de naïeviteit van antroposofen die zich blindelings in de armen van de moderne kunst werpen zonder zich ook maar één moment af te vragen of het nu werkelijk … moderne kunst is. 

Iedere stap op spiritueel gebied, waarschuwde Steiner, moet gepaard gaan met drie stappen op moreel gebied. Dat houdt onder meer in dat antroposofen in de eerste plaats hun gezonde, nuchtere, kritische verstand moeten versterken, want hoe dichter men de geestelijke wereld nadert, des te groter wordt het verlangen om er zich blindelings aan over te geven. Juist dat blinde verlangen moet weerstaan worden. De overgave aan de geest moet vrijwillig en bewust gebeuren, anders gaat het ten koste van het Ik en raakt men in de greep van de tegenmachten. Niemand komt tot de Vader dan door mij, waarschuwde Christus. De oude toegang tot de geestelijke wereld is afgesloten, men komt er voortaan alleen nog binnen via Christus, via het Ik. De drempeloverschrijding dient dus te gebeuren onder begeleiding van het eigen heldere bewustzijn, niet onder begeleiding van een of andere ingewijde, of iemand die zich als zodanig voordoet. 

Hoe zo’n zelfstandige drempeloverschrijding eruitziet, kunnen we waarnemen in het (klassieke) museum. De kunst heeft in onze tijd de plaats van de religie (en de spiritualiteit in het algemeen) ingenomen en het museum is de opvolger van de oude mysterietempel. Bij het betreden van deze beschermde maar vrije ruimte verandert ons bewustzijn automatisch. We reageren instinctief op de geestelijke dimensie van de kunst. Als we dat niet deden, zouden de kunstwerken ons niets zeggen. Ze zouden zwijgen als vermoord. Daarom moeten we ze eerst tot leven wekken door (onbewust) over te schakelen op een gevoelsmatig, inlevend bewustzijn. Ons heldere dagbewustzijn laten we samen met onze jas in de vestiaire achter. Dat is de voorwaarde om in de wereld van de kunst überhaupt iets te beleven. 

Dat is dus de eerste stap: we leggen ons kritische verstand het zwijgen op en schakelen over naar ons empathische gevoel. Dat gevoel is in onze moderne wereld echter onderontwikkeld. Het is zo zwak geworden dat het niks meer waarneemt. Als gevolg daarvan komen we terecht in een zwijgende leegte . We beleven het museum als een grafkelder. Waar het nu op aankomt, is dat we niet teleurgesteld op onze stappen terugkeren, dat we met andere woorden niet proberen de leegte op te vullen met zelf gecreëerde gedachten of gevoelens. Dat is juist wat we moeten vermijden, want dan luisteren we naar onze eigen stem (of die van de gids) en niet naar die van het kunstwerk. De ‘nieuwe gevoelens’ die we bij onszelf oproepen, zijn niets anders dan een vorm van zelfbedrog, een middel om de beproeving van de leegte te ontlopen. In plaats van ‘over de drempel’ te gaan, sluiten we ons dan op in onszelf en blijven veilig aan deze zijde van de drempel. 

Wanneer we niet terugdeinzen voor deze drempel, beleven we ‘het zwijgen van de kunstwerken’ in al zijn onverbiddelijkheid. En dat zwijgen ervaren we als een afwijzing. Het is alsof er een wachter aan de drempel staat, die zegt: jij bent niet waardig om de (geestelijke) wereld van de kunst te betreden. Maar het is een test die we moeten doorstaan. Wie werkelijk van kunst houdt, eerbiedigt haar zwijgen. Hij verstoort het niet met intellectuele peptalk, hij probeert niet Verhofstadtgewijs allerlei gevoelens bij zichzelf op te wekken. Hij erkent zijn onmacht en zijn onvermogen. Juist zijn liefde en eerbied voor de kunst helpen hem om deze ‘gevoelswoestijn’ te verdragen. En vroeg of laat komt dan het moment waarop de kunst begint te spreken. Ze doet dat niet met woorden maar richt zich rechtstreeks tot het hart. En dat hart wéét dat het niet naar zichzelf luistert, maar dat het de kunst is die tot haar spreekt. 

Wie de stem van de kunst hoort, voelt dat in zijn hele wezen. Hij wordt overspoeld met nieuwe, ongekende gevoelens. Maar er kan geen twijfel over bestaan dat hij die gevoelens NIET zelf gecreëerd heeft. Ze worden in hem opgeroepen door het kunstwerk en zonder dat kunstwerk zouden ze nooit bestaan. Ze worden ook niet gewekt door een inspanning maar door een waarneming: de kijker neemt de geest van het kunstwerk waar. En dat is essentieel: zonder deze – in wezen helderziende – waarneming hebben alle gedachten en gevoelens die men aan een kunstwerk ontwikkelt een luciferisch karakter. Het zijn inderdaad eigen creaties, maar ze gaan niet uit van het Ik, ze gaan uit van het ego.

De kunst kan op veel manieren spreken, maar altijd maakt ze de mens sprakeloos. Als de kunst spreekt, dan zwijgt de kijker. Als de kijker zwijgt, dan spreekt de kunst. En juist dat zwijgen valt de moderne mens zo zwaar. We hoeven maar een museum te bezoeken om dat te beseffen: het is er een drukte van jewelste. Vroeger waren musea nog echte tempels: er heerste een gewijde stilte. Vandaag luisteren de bezoekers naar gidsen die luidkeels hun ‘waren’ aanprijzen of ze lopen rond met oortjes die hen zeggen wat ze moeten doen, wat ze moeten denken, wat ze moeten voelen. Iedereen is zo druk bezig met het luisteren naar woorden dat niemand nog luistert naar de kunstwerken. Wie gelooft trouwens nog dat de kunst kan spreken? 

De moderne mens gelooft niet meer in de geest, ook niet in die van de kunst. Hij is ervan overtuigd dat als hij zelf niet spreekt ook kunst zwijgt. Daarom vult hij de stilte van de kunstwereld met een eindeloze stroom van woorden en gedachten. Hij creëert zelfs nieuwe gevoelens die hem doen geloven dat hij ‘over de drempel’ is geraakt. En het is nog waar ook. Als ik de gedrevenheid en het enthousiasme van moderne kunstenaars en kunstliefhebbers gadesla dan kan ik niet anders dan concluderen dat ze geïnspireerd worden door de geest. Maar of het de geest van de kunst is? De mens drukt in de kunst zijn diepste wezen uit, en een verstokte materialist kan wel denken dat dat wezen bestaat uit afval en uitwerpselen, maar een antroposoof …? 

De leegte die vandaag in de kunstwereld heerst is verschrikkelijk. Nietzsche verklaarde honderd jaar geleden dat God dood is. Vandaag kunnen we zeggen dat de kunst dood is, dat we haar vermoord hebben. Daar gaat een diepe dreiging vanuit, want een mensheid die haar scheppende vermogens verliest, is ten dode opgeschreven. Het is dus doodsangst die ons belet de dood van de kunst onder ogen te zien. Wat we in het museum in het klein meemaken, maken we ook in het groot mee: de kunst zwijgt als vermoord. Het is een zware beproeving om dat doodse zwijgen te verdragen, om het niet te verstoren met nieuwe gedachten, nieuwe gevoelens, nieuwe kunst. Toch is het de enige manier om de stem te vernemen van de kunst die uit haar graf verrijst, van ‘het vermoorde kind dat lacht en in der eeuwigheid blijft zingen’.

Volgens Rudolf Steiner werd Christus aan het eind van de 19de eeuw opnieuw gekruisigd, dit keer niet in de fysieke maar in de etherische wereld. Het is ook in die wereld dat hij opnieuw verrezen is en zich op een geheel nieuwe manier kenbaar maakt aan de mens. Deze ‘wederkomst van Christus’ noemt Steiner de belangrijkste gebeurtenis van onze tijd en het is van cruciaal belang dat we haar niet verslapen. De tegenmachten hebben echter een waar inferno ontketend om onze aandacht af te leiden. Dat hele gebeuren wordt gespiegeld in de kunst. Zij kan ons dan ook tonen hoe we in het oorverdovende lawaai van de tegenmachten de stem van Christus kunnen horen. En dat is zeker NIET door het creëren van nieuwe gevoelens …

Torga

  
Het universele is het lokale, maar dan zonder de muren. (Miguel Torga)

Doodgaan in Brugge

Gisteren ben ik nog eens naar Brugge geweest om te proberen een centje bij te verdienen, of beter gezegd: om nog iets te recupereren van de onkosten die ik gemaakt heb. Het mocht niet baten. Ik heb van de hele (lange) dag niks verkocht. Vrolijk wordt een mens daar niet van. De gedachte dat ik de helft van m’n leven besteed heb aan het maken van dingen die ik aan de straatstenen niet kwijt kan, deed me twijfelen aan … nu ja, aan heel veel. Ik probeerde me te troosten met de gedachte dat al die toeristen niet naar Brugge komen om naar de triënnale te kijken (kostprijs 2,8 miljoen euro), maar veel belangstelling voor de oude stad leken ze ook niet te hebben. Hun aandacht ging vooral uit naar … henzelf. Brugge lijkt op bepaalde momenten het decor van één grote fotoshoot waarbij vrouwelijke toeristen de meest verleidelijke poses aannemen terwijl hun vriendje hen fotografeert. Of terwijl ze zichzelf fotograferen …

Doorgaans kan ik wel lachen met die hele comédie humaine, maar als je niks verdient wordt dat een stuk moeilijker. Want niks verdienen betekent eigenlijk: er niet bijhoren. En dan zien de zaken er héél anders uit. Als buitenstaander naar iets kijken is bepaald niet hetzelfde als kijken naar iets waarvan je deel uitmaakt. Daarom ook ziet een kunstenaar zijn eigen werk heel anders dan een kijker dat doet. Beiden kijken met een heel andere blik. Daar moest ik weer aan denken toen ik vandaag in de krant las dat er op de Gentse korenmarkt twee nieuwe kunstwerken zullen geïnstalleerd worden (van elk 350.000 euro) in het kader van de heraanleg van het stadscentrum. In Brugge doet men ook voortdurend pogingen in die richting, maar die stuiten tot dusver – gelukkig – op de dienst toerisme. In Gent hoeven ze echter geen rekening te houden met de toeristen, dus daar hebben ze carte blanche bij het updaten van de verouderde stadskern, want met de plaatselijke bewoners houden ze evenmin rekening. En dus verrijst daar het ene ‘hedendaagse’ kunstwerk na het andere.

Dat gebeurt overigens niet alleen in Gent. Het ergste wat je Tegenwoordig als gemeentebestuur kunt meemaken, is dat je ervan beticht wordt om conservatief (lees: achterlijk) te zijn. De beste manier om dat te weerleggen is door in het midden van je stad, gemeente of dorp een ‘hedendaags’ kunstwerk neer te poten. En dat mag best wat kosten. Niemand wil achterblijven en dus duiken die statements nu ook in de meest afgelegen boerendorpen op. Hetzelfde geldt voor muziekfestivals: ieder dorp hoort er tegenwoordig één te hebben. Dat de inwoners een of meerdere nachten niet kunnen slapen, is uiteraard geen bezwaar. Wie hip en modern wil zijn, moet kunnen lijden. Daar zijn Vlamingen goed in en dus wordt Vlaanderen overspoeld door een vloedgolf van moderne kunst. Men gaat er zelfs prat op dat die kunst doordringt tot in ongerepte natuurgebieden. Het geeft een idee van de ‘penetratiekracht’ van de moderne kunst: ze snoert zelfs de ecologisten de mond. 

Er is in Vlaanderen nagenoeg geen plek meer die gevrijwaard blijft van deze artistieke tsunami. Zelfs de kust wordt erdoor overspoeld. Op het strand, in de duinen, op de zeedijk verschijnen de meest vreemde constructies die de lege hoofden van de zonnekloppers moeten vullen met cultuur. Dat is trouwens de reden waarom we ons jaarlijkse weekje aan zee afgelast hebben. In die week wordt dit jaar namelijk vier avonden lang muziek gemaakt in De Haan. Wat dat betekent heb ik verleden jaar één keer meegemaakt: een infernaal lawaai dat zowat de hele nacht doorging en tot in de aanpalende gemeenten te horen was. Dat wil ik geen tweede keer meemaken: dus geen vakantie dit jaar. Ik weet naderhand niet meer waar ik mij moet verbergen om te ontsnappen aan die opdringerige ‘kunst’. De muziek is natuurlijk  het ergst: daar kun je je niet voor afsluiten. Maar ook aan de beeldende kunst valt steeds minder te ontkomen. Op de meest onverwachte plaatsen, zowel midden in een natuurgebied als midden in een historische stadskern, word je ermee geconfronteerd. 

Wat doet dit nu met een mens, vraag ik me af. En ik stel me die vraag vooral met betrekking tot die ‘hedendaagse’ beelden. Want muziek spreekt een mens rechtstreeks aan. Je voelt de klanken – en zeker luide electronische klanken – tot diep in je lichaam en ze brengen je in beweging. Tegenover artistieke beelden is er meer afstand. Ze nodigen de kijker uit tot een meer bewuste oordeelsvorming. Dat is zeker het geval met ‘hedendaagse’ beelden’. Tegelijk is er echter veel minder keuze. In de muziek kun je kiezen tussen rock, jazz, folk, blues, metal, klassiek, barok, hedendaags, enzovoort. Ze hebben allemaal hun eigen festivals, al overheerst de rockmuziek natuurlijk duidelijk. In de wereld van de beeldende kunst is het echter al ‘hedendaags’ wat de klok slaat. Van ‘klassiek’ is geen spoor meer te bekennen, daarvoor moet je naar het museum. Als er nog eens ergens een klassiek beeld in de openbare ruimte verschijnt, is het van zo’n erbarmelijke kwaliteit dat je begrijpt: dit is echt niet meer van onze tijd!

De ‘hedendaagse’ kunstwerken die vandaag overal verschijnen, zowel in oude stadskernen als ongerepte natuurgebieden, laten de kijker maar één keuze: men is ervóór of men is ertegen. Ofwel geeft men zich over aan deze kunst, ofwel keert men er zich vanaf. En dat is een zeer drastische keuze, temeer daar deze kunst er alles aan doet om zich te distantiëren van haar omgeving. De nieuwe kunstwerken in de oude Gentse stadskern zijn als een knetterende vloek, en hetzelfde kan gezegd worden van de ‘installaties’ die men dezer dagen aan zee aantreft: ze willen totaal niets te maken hebben met hun omgeving. En dus moet men als kijker kiezen: de kunst of de oude, ongerepte omgeving. De ‘hedendaagse’ kunst nodigt uit tot een bewuste oordeelsvorming, maar het is beslist géén vrije oordeelsvorming. Daarvoor is de keuze veel te drastisch en heeft ze ook veel te grote consequenties. 

Kiest men vóór deze kunst, dan gaat men er eigenlijk mee akkoord dat alles wat oud is – stadskernen zowel als natuurgebieden – verminkt mag worden door monsterachtige installaties waar niets tegenin gebracht kan worden en die men als belastingbetaler bovendien zelf moet bekostigen. Neemt men daarentegen stelling tegen deze kunst, dan keert men zich als het ware tegen zijn eigen tijd, want er IS geen andere kunst meer. Men laat zich dan kennen als een dinosaurus, een uitgestorven diersoort, een cultuurbarbaar, want wie keert zich nu tegen de kunst van zijn tijd! Door de ‘hedendaagse’ kunst af te wijzen, plaatst men zichzelf buitenspel, men geeft te kennen er niet meer bij te horen, men wordt een buitenstaander. En dat is natuurlijk een keuze waarvoor iedereen terugdeinst. 

Nochtans is deze keuze zeer verhelderend. Door buitenstaander te worden en geen deel meer uit te maken van datgene waarvan men zich een beeld probeert te vormen, krijgt men een heel andere kijk op de zaak. Men ziet dingen die men anders niet ziet, men oordeelt veel afstandelijker. Eigenlijk kan men niet tot een objectief oordeel komen over de wereld waarin men leeft, zolang men nog deel uitmaakt van die wereld. Een echt objectief oordeel is dan ook maar mogelijk wanneer men dood is, wanneer men vanuit de geestelijke wereld oordeelt. Maar men kan ook gevoelsmatig ‘sterven’ zonder de fysieke banden met de wereld door te snijden. En dat is precies wat men doet wanneer men stelling neemt tegen de ‘hedendaagse’ kunst. Men maakt zich dan innerlijk los van de wereld waarin men leeft. Men ‘versterft’ en dat is iets waartoe mensen in deze materialistische tijd niet meer vanuit zichzelf komen. 

Toen ik gisteren in Brugge zat, hoorde ik er fysiek helemaal bij. Ik had het benodigde materiaal, ik kon dat materiaal vervoeren en opstellen, ik had zelfs alle toelatingen en vergunningen. Ik maakte deel uit van de folkloremarkt en dat werd door iedereen geaccepteerd. Maar innerlijk zat ik te ‘sterven’, want het was maar al te duidelijk dat ik er NIET bijhoorde. Als ik verkoop, heb ik even de illusie dat ik er WEL bijhoor. Maar meer dan een illusie is het niet, want als ik alle onkosten (boetes inbegrepen) verreken, heb ik daar in Brugge nog altijd geen euro verdiend, ondanks alle inspanningen. Mijn marktcarrière is in feite één grote schijnvertoning. Maar innerlijk is ze zeer reëel: het gevoel te ‘sterven’ is heel echt. En dat gevoel maakt me (meer dan ooit) duidelijk dat de macht van de ‘hedendaagse’ kunst nagenoeg totaal is en dat alles wat er nog op het gebied van de ‘klassieke’ kunst gebeurt, schijn is.

Maar ook die almachtige ‘hedendaagse’ kunstwereld is een schijnwereld. De mensen die ervoor kiezen (bewust of onbewust) beseffen niet dat zij zich tegen de oude, klassieke wereld keren. Zonder het te weten, snijden zij de banden met het verleden door. Op die manier is de kunstwereld (maar niet alleen de kunstwereld) verdeeld geraakt in twee schijnwerelden die geen van beide nog een idee hebben van de echte werkelijkheid, van de echte kunst van onze tijd. Een zintuig voor de realiteit kan men alleen nog ontwikkelen door tegenover beide tegengestelde schijnwerelden te gaan staan, door zich van allebei los te maken. De eerste stap in de ontwikkeling van dat (hogere) zintuig is gezet door de ‘hedendaagse’ kunst: zij heeft de moderne mens losgemaakt van de oude kunst, de kunst uit het verleden. De tweede stap moet echter nog gezet worden: de moderne mens moet zich nu ook losmaken van de ‘hedendaagse’ kunst. Pas als hij daarin slaagt, wordt hij werkelijk een buitenstaander en kan hij zich een objectief beeld vormen van de kunst van zijn tijd, en van de wereld waarin hij leeft, want niets weerspiegelt die wereld getrouwer dan juist de kunst. 

Toen ik daar gisteren in Brugge zat (toevallig tussen de twee best verkopende kramers van de hele markt), dacht ik bij mezelf: waarom ben ik niet thuisgebleven? Waarom zit ik me hier te kwellen? Ik besefte dat ik het niet om het geld deed, maar om de illusie ‘erbij te horen’. Ik kan daar geweldig van genieten, juist omdat het gevoel zo zeldzaam voor me is. Maar aan de grenzen van mijn bewustzijn dook ook het vermoeden op dat ik het deed om me bewust te worden van die illusie. Ik hoor niet bij die folkloremarkt (en dus ook niet bij die hele klassieke kunstwereld die alleen nog als folklore bestaat) en ik hoor zeker niet bij de ‘hedendaagse’ kunstmarkt zoals die aan de overkant van de Dijver haar – ongetwijfeld veel winstgevender – activiteiten ontplooit. Ik hoor nergens bij, ik ben overal een buitenstaander. Maar juist daardoor word ik gedwongen een visie op kunst (en op de wereld) te ontwikkelen die niet partijdig is en die daarom ook geen schijn is.

Maar ik moet me daarvoor tot het uiterste inspannen, want ik kan nergens op steunen dan juist op mijn eigen denkinspanningen én op mijn gevoel te ‘sterven’. Het ene gaat waarschijnlijk niet zonder het ander, want zonder dat gevoel zou ik niet zo intens nadenken, en zonder al dat nadenken zou het gevoel wellicht ook niet zo sterk zijn. Het helpt me alleszins te begrijpen waarom geen mens het waagt zijn stem te verheffen tegen de alomtegenwoordige ‘hedendaagse’ kunst: niemand wil zomaar ‘sterven’. Het helpt me ook te begrijpen hoe die obscene en monsterachtige ‘kunst’ erin slaagt zo’n enorme invloed uit te oefenen: zij dwingt de moderne mens tot een keuze tussen leven en dood. En ook al is dat leven nog maar een schijn van wat echt leven is, en ook al is het gevoel er bij te horen een groteske illusie, het is in al z’n armzaligheid nog altijd een stuk aangenamer dan ‘sterven’.

Test

  

Examens en karma

Vanmorgen ben ik (voor de zoveelste keer) ontwaakt uit een examen-droom. Ik zat in een lokaal tussen allemaal studenten die ijverig aan het schrijven waren op voorgedrukte examenformulieren. Zelf had ik alleen een gewone schrijfbloc, en welke vraag er moest beantwoord worden daar had ik het raden naar. De bereidwillige student die naast me zat, schreef ze op mijn blad: ‘wat is de rol van politieke commentatoren?’ Volgde ik een studie journalistiek of politicologie? Ik had geen idee. Waarom moest ik een examen afleggen zonder de vragen te hebben gekregen? Ik wist het niet. Ik wist alleen dat het moest. Verder begreep ik er niks van.

Ik heb dit soort dromen (of droomflarden) al zowat m’n hele leven. Niet alleen sluiten ze dicht aan bij de concrete werkelijkheid – ik heb vaak genoeg examens afgelegd waarvan ik de vragen niet eens begreep, laat staan ze kon beantwoorden – maar ze raken op de een of andere manier ook de kern van mijn bestaan. Ik ervaar mijn leven als één groot examen waarvan ik de vragen niet ken. Ik weet niet eens wat ik ‘studeer’. Eigenlijk is dat de examenopgave: erachter komen wat ik studeer en welke vragen ik moet beantwoorden. Het is een beetje de omgekeerde wereld: ik zoek geen antwoorden, ik zoek de vragen. 

Examens hebben me voor het eerst geconfronteerd met de realiteit van het karma. Ik ben namelijk (op één uitzondering na) altijd geslaagd voor mijn examens, en dat mag een half wonder heten want ik kan me niet herinneren ooit klaar te zijn geweest voor een examen. Wat ik me daarentegen wel herinner zijn examens waarop ik geen woord kon uitbrengen of opschrijven, examens bij proffen die ik nooit gezien had, examens over cursussen en boeken die ik nooit gelezen had. Want ik had een ontzettende hekel aan studeren, of beter gezegd: aan wat ik moest studeren. Studeren was voor mij: het overwinnen van mijn afkeer voor de leerstof. 

En toch heb ik een diploma behaald, een ‘master’ dan nog wel. Hoe ben ik dáár in geslaagd? Wel, dat is het ‘em juist: ik bén daar niet in geslaagd, het is gewoon gebeurd, tot mijn eigen stomme verbazing. Het was het resultaat van een reeks onwaarschijnlijke gebeurtenissen. Ik heb ooit eens uitgerekend hoeveel punten ik in m’n laatste jaar van de humaniora werkelijk behaald moest hebben. Ik kwam uit op 20%. Maar ik was geslaagd, en nog wel zonder herexamens. Aan de universiteit herhaalde die grap zich: ik haalde er ooit 53% van de punten, alweer zonder één herexamen. Dat betekent dat ik voor elk vak precies de helft had behaald, en zo scherp kan niemand mikken. Ik raakte er dan ook van overtuigd dat mijn diploma in de sterren geschreven stond en besloot niet langer naar de les te gaan. Het maakte toch niks uit. And guess what? Het bleek nog waar te zijn ook.         

Sindsdien geloof ik in karma, wat zeg ik, ik wéét dat het bestaat. Maar echt vrolijk word ik er niet van. Zeker, ik schep er een grimmig genoegen in om te vertellen hoe ik aan mijn diploma ben geraakt, hoe ik professoren om de tuin heb geleid, hoe ik examens afpende zonder zelfs maar te begrijpen wat ik afpende, hoe ik papers en thesissen rechtstreeks uit m’n tikmachine ramde, hoe ik van mijn studie één groot pokerspel maakte. Maar de prijs die ik daarvoor betaal zijn levenslange ‘examen-nachtmerries’ waaruit ik met hartkloppingen ontwaak en grenzeloos opgelucht vaststel: goddank, ik hoef nooit meer naar school! 

Gedurende mijn hele schoolcarrière (en nog lang daarna) leefde ik in de overtuiging dat er een fatale vergissing was gebeurd. Ik was in het verkeerde leven terechtgekomen. Ik speelde een rol die ik niet kende en waar ik niks mee te maken had. Pas nel mezzo del camin di nostra vita slaagde ik erin zelf het roer in handen te nemen. Ik ruilde de wereld van de wetenschap (en alles wat daaruit voortvloeide) voor die van de kunst en ervoer dat als een ongelooflijke bevrijding. Ik keerde terug naar de academie, naar de plek waar ik mij als kind zo thuis had gevoeld en waar ik niet hoefde te denken aan diploma’s en examens. 

Maar terwijl me op school alles in de schoot werd geworpen, kreeg ik op de academie niet wat ik verdiende. Ik slaagde er met glans, maar mijn diploma heb ik nooit gezien. Het kon me niets schelen. Ik had vastgesteld dat de academie een … school was geworden en ik was niet van plan een tweede keer in die valstrik te trappen. Ik hoor het mijn oude tekenleraar nog zeggen: een academie is geen school waar je les volgt, het is een plek waar je ingewijd wordt. En dat was precies hoe ik de ‘oude’ academie had ervaren: als een mysterietempel, een oase van geest in een woestijn van materialisme. Maar de bron was opgedroogd, de geest was verdwenen. In de ‘nieuwe’ academie maakten jonge leerkrachten die niks konden oude leerlingen wijs dat ze kunstenaars waren. Het was alsof ik mezelf tegenkwam als student die oude professoren wijsmaakte dat hij de stof beheerste. Het verschil was dat ik heel goed wist wat ik deed terwijl die jonge academisten zelf geloofden in de onzin die ze verkochten.

Ik had geen medelijden met de ouwelui die door hen om de tuin werden geleid, evenmin als ik dat had met de professoren die ik vroeger een rad voor de ogen draaide. Maar als ik dacht aan de talloze jonge mensen die overal ingewijd werden in de mysteries van de ‘nieuwe’ artistieke geest, dan werd het me droef te moede. Het begon me te dagen voor welk gevaar mijn karma me had behoed door me de woestijn in te sturen. Ik dacht terug aan mezelf als het jongetje dat met wijdopen ziel de mysterietempel van de kunst betrad en zich met volle teugen laafde aan de geest die er heerste. Die geest had vreselijke dingen kunnen aanrichten in mijn kinderziel, maar in plaats daarvan betoonde hij mij een respect dat ik in de buitenwereld nergens tegenkwam. Het is de diepste ervaring die ik aan de (oude) academie opdeed: dat grenzeloze respect voor mijn ‘ik’ – niet te verwarren met mijn ‘ego’ want daar veegde mijn leraar vierkant zijn voeten aan. 

Ook mijn karma trekt zich niks aan van mijn wensen, verwachtingen en verzuchtingen. Gaat mijn hart uit naar de kunst? Wel, het stuurt me de richting van de wetenschap uit. Daarna laat het me wél terugkeren, als om te zeggen: begrijp je nu waarom ik je de woestijn in stuurde? Ja, ik begin de Geest van het Karma te herkennen in mijn oude tekenleraar. Ondanks zijn onbetwiste autoriteit, had hij niks vaderlijks. Hij stond niet boven maar naast je en behandelde je als een gelijke, hoe jong en onkundig je ook was. Hij zei nooit wat je moest doen, hij hielp je alleen bij wat je zelf wilde. Toen ik hem bijvoorbeeld vertelde dat ik naar de universiteit ging, vond hij dat een kostelijke grap, maar hij deed niets om me van dat plan af te brengen. Hij liet me vrij zoals hij me altijd vrij had gelaten. 

Ik heb hem dat lang kwalijk genomen. Ik vond dat hij me had moeten tegenhouden en voelde mij door hem in de steek had gelaten. Pas later begreep ik dat hij in de geest van het karma had gehandeld en mij behoed had voor de onderwereldgeest die zo vreselijk tekeer ging in de kunstwereld. Ik voelde daarvoor een diepe dankbaarheid, dezelfde dankbaarheid die ik na mijn dood waarschijnlijk zal voelen als ik terugkijk op m’n leven en het karmische weefsel leer kennen dat eraan ten grondslag ligt. Ik begin daar nu reeds iets van te bespeuren en ik kan alleen maar verbluft kijken naar zoveel … kunstzinnigheid. Want dat is hoe ik karma ervaar: als een levend kunstwerk, een kunstwerk dat de werkelijkheid als materiaal heeft. Dat is ook hoe ik de Geest van het Karma beleef: als een kunstenaar, een scheppende geest die ieder bevattingsvermogen te boven gaat. Maar hij bestaat en je kunt hem ook leren kennen. Niet rechtstreeks misschien, maar wel via zijn werk, via het karma.

Net als bij een gewoon kunstwerk moet je daarvoor afstand kunnen nemen. Als je met je neus op een schilderij staat, zie je niks anders dan betekenisloze verfvlekken. Zo ziet het leven er in eerste instantie ook uit: als een rommeltje, het werk van een knoeier. Pas als je het vanop een afstand bekijkt, verschijnen er herkenbare patronen. Maar juist dat afstand nemen is zo moeilijk, want als je tegenover je leven gaat staan, kun je het niet meer leven. Je kunt niet tegelijk kunstenaar en kijker zijn. Afstand nemen van je eigen leven is dan ook een soort sterven: je maakt je los uit jezelf zoals je je losmaakt uit je lichaam wanneer je doodgaat. Ik zou dat hoogstwaarschijnlijk niet kunnen als ik het niet eerst in de kunst had beleefd, als ik niet uit dat paradijs was verdreven en niet ondervonden had dat die verdrijving ondanks alles toch een goede zaak was. 

Dit afstand nemen, niet alleen in de kunst maar ook van de kunst, was als één groot examen voor me en de opgave was de geest van het karma te leren kennen. Ook de ‘kleine’ examens waren voor mij een soort doodservaringen. Ik bestierf het telkens van de zenuwen, maar van zodra ik de drempel van het examenlokaal had overschreden, viel alles van me af en dacht ik: hoe gaan we dit varkentje wassen? Ik voelde niet de minste angst meer en beschikte over al m’n vermogens. Die waren vooral van niet-academische aard, want wat ik tekort kwam aan wetenschappelijke kennis compenseerde ik met kunstgrepen allerhande, het artistieke adagium indachtig dat alleen het resultaat telt, niet de manier waarop je het bereikt. Ja, ik pakte de examens heel kreatief aan. Ik beschouwde ze als een spel, maar verloor het doel nooit uit het oog.

Dit drempeloverschrijdende karakter heb ik ooit eens heel sterk beleefd in de voorbereiding op mijn proeflessen, want dat waren examens-in-het-kwadraat. Op een gegeven moment voelde ik me zodanig in het nauw gedreven dat ik als het ware uit mezelf werd geperst: ik steeg – letterlijk – boven mezelf uit en kwam terecht in een sfeer van louter rust en aanvaarding. Alle benauwdheid was op slag verdwenen en ik zei heel nuchter tegen mezelf: je moet hier doorheen, niks aan te doen, probeer er dus gewoon het beste van te maken! En dat deed ik. Er was niks veranderd, maar ik had me verzoend met mijn lot en daardoor werd alles een stuk eenvoudiger. 

Ik had, zou je kunnen zeggen, de Geest van het Karma ontmoet en hij bleek verrassend nuchter: hij verloste me van alle overtollige ballast zodat ik me kon concentreren op wat er moest gebeuren. Ik herkende hem ook in die heel speciale sfeer van broederlijkheid die tijdens de examens onder de studenten ontstond: we zaten allemaal in hetzelfde schuitje en wat ons tijdens het jaar had verdeeld werd nu opeens bijkomstig. We voelden ons één. Daardoor had de examenperiode toch ook iets aantrekkelijks, iets opwindends, alsof doorheen de uiterlijke ellende iets van de karmasfeer voelbaar werd. Op die manier waren examens voor mij een soort voorbereidende karma-oefeningen. Ze leerden me het karma kennen als iets wat in eerste instantie volkomen vreemd en zelfs verkeerd lijkt, maar dat bij nader inzien steeds kunstzinniger en steeds vertrouwder wordt. 

In mijn droom kreeg ik de examenvraag niet van een examinator (die hoog boven mij stond) maar van een behulpzame medestudent (die naast me zat). Het is dus alsof de vragen steeds dichter komen ook al is hun inhoud me nog altijd vreemd. Het doet me denken aan de zomeruniversiteit waarop ik straks zal moeten spreken. Dat is alweer een examen voor me, en nog geen kleintje. Maar dit keer wordt het me niet opgelegd. En ik heb de vraag van een ‘medestudent’ gekregen. Wel weet ik opnieuw veel te weinig van het onderwerp af en zal ik me dus weer op kunstzinnige wijze uit de slag moeten trekken. Maar als de Geest van het Karma me niet in de steek laat, zal ik er wel doorheen raken. Ik herken zijn hand trouwens in de ironie van het geval: ik ga niet alleen spreken op een ‘universiteit’, ik doe dat ook nog eens in de ‘sociale sectie’. Ja, hij heeft beslist gevoel voor humor, de Geest van het Karma …