Examens en karma

door lievendebrouwere

Vanmorgen ben ik (voor de zoveelste keer) ontwaakt uit een examen-droom. Ik zat in een lokaal tussen allemaal studenten die ijverig aan het schrijven waren op voorgedrukte examenformulieren. Zelf had ik alleen een gewone schrijfbloc, en welke vraag er moest beantwoord worden daar had ik het raden naar. De bereidwillige student die naast me zat, schreef ze op mijn blad: ‘wat is de rol van politieke commentatoren?’ Volgde ik een studie journalistiek of politicologie? Ik had geen idee. Waarom moest ik een examen afleggen zonder de vragen te hebben gekregen? Ik wist het niet. Ik wist alleen dat het moest. Verder begreep ik er niks van.

Ik heb dit soort dromen (of droomflarden) al zowat m’n hele leven. Niet alleen sluiten ze dicht aan bij de concrete werkelijkheid – ik heb vaak genoeg examens afgelegd waarvan ik de vragen niet eens begreep, laat staan ze kon beantwoorden – maar ze raken op de een of andere manier ook de kern van mijn bestaan. Ik ervaar mijn leven als één groot examen waarvan ik de vragen niet ken. Ik weet niet eens wat ik ‘studeer’. Eigenlijk is dat de examenopgave: erachter komen wat ik studeer en welke vragen ik moet beantwoorden. Het is een beetje de omgekeerde wereld: ik zoek geen antwoorden, ik zoek de vragen. 

Examens hebben me voor het eerst geconfronteerd met de realiteit van het karma. Ik ben namelijk (op één uitzondering na) altijd geslaagd voor mijn examens, en dat mag een half wonder heten want ik kan me niet herinneren ooit klaar te zijn geweest voor een examen. Wat ik me daarentegen wel herinner zijn examens waarop ik geen woord kon uitbrengen of opschrijven, examens bij proffen die ik nooit gezien had, examens over cursussen en boeken die ik nooit gelezen had. Want ik had een ontzettende hekel aan studeren, of beter gezegd: aan wat ik moest studeren. Studeren was voor mij: het overwinnen van mijn afkeer voor de leerstof. 

En toch heb ik een diploma behaald, een ‘master’ dan nog wel. Hoe ben ik dáár in geslaagd? Wel, dat is het ‘em juist: ik bén daar niet in geslaagd, het is gewoon gebeurd, tot mijn eigen stomme verbazing. Het was het resultaat van een reeks onwaarschijnlijke gebeurtenissen. Ik heb ooit eens uitgerekend hoeveel punten ik in m’n laatste jaar van de humaniora werkelijk behaald moest hebben. Ik kwam uit op 20%. Maar ik was geslaagd, en nog wel zonder herexamens. Aan de universiteit herhaalde die grap zich: ik haalde er ooit 53% van de punten, alweer zonder één herexamen. Dat betekent dat ik voor elk vak precies de helft had behaald, en zo scherp kan niemand mikken. Ik raakte er dan ook van overtuigd dat mijn diploma in de sterren geschreven stond en besloot niet langer naar de les te gaan. Het maakte toch niks uit. And guess what? Het bleek nog waar te zijn ook.         

Sindsdien geloof ik in karma, wat zeg ik, ik wéét dat het bestaat. Maar echt vrolijk word ik er niet van. Zeker, ik schep er een grimmig genoegen in om te vertellen hoe ik aan mijn diploma ben geraakt, hoe ik professoren om de tuin heb geleid, hoe ik examens afpende zonder zelfs maar te begrijpen wat ik afpende, hoe ik papers en thesissen rechtstreeks uit m’n tikmachine ramde, hoe ik van mijn studie één groot pokerspel maakte. Maar de prijs die ik daarvoor betaal zijn levenslange ‘examen-nachtmerries’ waaruit ik met hartkloppingen ontwaak en grenzeloos opgelucht vaststel: goddank, ik hoef nooit meer naar school! 

Gedurende mijn hele schoolcarrière (en nog lang daarna) leefde ik in de overtuiging dat er een fatale vergissing was gebeurd. Ik was in het verkeerde leven terechtgekomen. Ik speelde een rol die ik niet kende en waar ik niks mee te maken had. Pas nel mezzo del camin di nostra vita slaagde ik erin zelf het roer in handen te nemen. Ik ruilde de wereld van de wetenschap (en alles wat daaruit voortvloeide) voor die van de kunst en ervoer dat als een ongelooflijke bevrijding. Ik keerde terug naar de academie, naar de plek waar ik mij als kind zo thuis had gevoeld en waar ik niet hoefde te denken aan diploma’s en examens. 

Maar terwijl me op school alles in de schoot werd geworpen, kreeg ik op de academie niet wat ik verdiende. Ik slaagde er met glans, maar mijn diploma heb ik nooit gezien. Het kon me niets schelen. Ik had vastgesteld dat de academie een … school was geworden en ik was niet van plan een tweede keer in die valstrik te trappen. Ik hoor het mijn oude tekenleraar nog zeggen: een academie is geen school waar je les volgt, het is een plek waar je ingewijd wordt. En dat was precies hoe ik de ‘oude’ academie had ervaren: als een mysterietempel, een oase van geest in een woestijn van materialisme. Maar de bron was opgedroogd, de geest was verdwenen. In de ‘nieuwe’ academie maakten jonge leerkrachten die niks konden oude leerlingen wijs dat ze kunstenaars waren. Het was alsof ik mezelf tegenkwam als student die oude professoren wijsmaakte dat hij de stof beheerste. Het verschil was dat ik heel goed wist wat ik deed terwijl die jonge academisten zelf geloofden in de onzin die ze verkochten.

Ik had geen medelijden met de ouwelui die door hen om de tuin werden geleid, evenmin als ik dat had met de professoren die ik vroeger een rad voor de ogen draaide. Maar als ik dacht aan de talloze jonge mensen die overal ingewijd werden in de mysteries van de ‘nieuwe’ artistieke geest, dan werd het me droef te moede. Het begon me te dagen voor welk gevaar mijn karma me had behoed door me de woestijn in te sturen. Ik dacht terug aan mezelf als het jongetje dat met wijdopen ziel de mysterietempel van de kunst betrad en zich met volle teugen laafde aan de geest die er heerste. Die geest had vreselijke dingen kunnen aanrichten in mijn kinderziel, maar in plaats daarvan betoonde hij mij een respect dat ik in de buitenwereld nergens tegenkwam. Het is de diepste ervaring die ik aan de (oude) academie opdeed: dat grenzeloze respect voor mijn ‘ik’ – niet te verwarren met mijn ‘ego’ want daar veegde mijn leraar vierkant zijn voeten aan. 

Ook mijn karma trekt zich niks aan van mijn wensen, verwachtingen en verzuchtingen. Gaat mijn hart uit naar de kunst? Wel, het stuurt me de richting van de wetenschap uit. Daarna laat het me wél terugkeren, als om te zeggen: begrijp je nu waarom ik je de woestijn in stuurde? Ja, ik begin de Geest van het Karma te herkennen in mijn oude tekenleraar. Ondanks zijn onbetwiste autoriteit, had hij niks vaderlijks. Hij stond niet boven maar naast je en behandelde je als een gelijke, hoe jong en onkundig je ook was. Hij zei nooit wat je moest doen, hij hielp je alleen bij wat je zelf wilde. Toen ik hem bijvoorbeeld vertelde dat ik naar de universiteit ging, vond hij dat een kostelijke grap, maar hij deed niets om me van dat plan af te brengen. Hij liet me vrij zoals hij me altijd vrij had gelaten. 

Ik heb hem dat lang kwalijk genomen. Ik vond dat hij me had moeten tegenhouden en voelde mij door hem in de steek had gelaten. Pas later begreep ik dat hij in de geest van het karma had gehandeld en mij behoed had voor de onderwereldgeest die zo vreselijk tekeer ging in de kunstwereld. Ik voelde daarvoor een diepe dankbaarheid, dezelfde dankbaarheid die ik na mijn dood waarschijnlijk zal voelen als ik terugkijk op m’n leven en het karmische weefsel leer kennen dat eraan ten grondslag ligt. Ik begin daar nu reeds iets van te bespeuren en ik kan alleen maar verbluft kijken naar zoveel … kunstzinnigheid. Want dat is hoe ik karma ervaar: als een levend kunstwerk, een kunstwerk dat de werkelijkheid als materiaal heeft. Dat is ook hoe ik de Geest van het Karma beleef: als een kunstenaar, een scheppende geest die ieder bevattingsvermogen te boven gaat. Maar hij bestaat en je kunt hem ook leren kennen. Niet rechtstreeks misschien, maar wel via zijn werk, via het karma.

Net als bij een gewoon kunstwerk moet je daarvoor afstand kunnen nemen. Als je met je neus op een schilderij staat, zie je niks anders dan betekenisloze verfvlekken. Zo ziet het leven er in eerste instantie ook uit: als een rommeltje, het werk van een knoeier. Pas als je het vanop een afstand bekijkt, verschijnen er herkenbare patronen. Maar juist dat afstand nemen is zo moeilijk, want als je tegenover je leven gaat staan, kun je het niet meer leven. Je kunt niet tegelijk kunstenaar en kijker zijn. Afstand nemen van je eigen leven is dan ook een soort sterven: je maakt je los uit jezelf zoals je je losmaakt uit je lichaam wanneer je doodgaat. Ik zou dat hoogstwaarschijnlijk niet kunnen als ik het niet eerst in de kunst had beleefd, als ik niet uit dat paradijs was verdreven en niet ondervonden had dat die verdrijving ondanks alles toch een goede zaak was. 

Dit afstand nemen, niet alleen in de kunst maar ook van de kunst, was als één groot examen voor me en de opgave was de geest van het karma te leren kennen. Ook de ‘kleine’ examens waren voor mij een soort doodservaringen. Ik bestierf het telkens van de zenuwen, maar van zodra ik de drempel van het examenlokaal had overschreden, viel alles van me af en dacht ik: hoe gaan we dit varkentje wassen? Ik voelde niet de minste angst meer en beschikte over al m’n vermogens. Die waren vooral van niet-academische aard, want wat ik tekort kwam aan wetenschappelijke kennis compenseerde ik met kunstgrepen allerhande, het artistieke adagium indachtig dat alleen het resultaat telt, niet de manier waarop je het bereikt. Ja, ik pakte de examens heel kreatief aan. Ik beschouwde ze als een spel, maar verloor het doel nooit uit het oog.

Dit drempeloverschrijdende karakter heb ik ooit eens heel sterk beleefd in de voorbereiding op mijn proeflessen, want dat waren examens-in-het-kwadraat. Op een gegeven moment voelde ik me zodanig in het nauw gedreven dat ik als het ware uit mezelf werd geperst: ik steeg – letterlijk – boven mezelf uit en kwam terecht in een sfeer van louter rust en aanvaarding. Alle benauwdheid was op slag verdwenen en ik zei heel nuchter tegen mezelf: je moet hier doorheen, niks aan te doen, probeer er dus gewoon het beste van te maken! En dat deed ik. Er was niks veranderd, maar ik had me verzoend met mijn lot en daardoor werd alles een stuk eenvoudiger. 

Ik had, zou je kunnen zeggen, de Geest van het Karma ontmoet en hij bleek verrassend nuchter: hij verloste me van alle overtollige ballast zodat ik me kon concentreren op wat er moest gebeuren. Ik herkende hem ook in die heel speciale sfeer van broederlijkheid die tijdens de examens onder de studenten ontstond: we zaten allemaal in hetzelfde schuitje en wat ons tijdens het jaar had verdeeld werd nu opeens bijkomstig. We voelden ons één. Daardoor had de examenperiode toch ook iets aantrekkelijks, iets opwindends, alsof doorheen de uiterlijke ellende iets van de karmasfeer voelbaar werd. Op die manier waren examens voor mij een soort voorbereidende karma-oefeningen. Ze leerden me het karma kennen als iets wat in eerste instantie volkomen vreemd en zelfs verkeerd lijkt, maar dat bij nader inzien steeds kunstzinniger en steeds vertrouwder wordt. 

In mijn droom kreeg ik de examenvraag niet van een examinator (die hoog boven mij stond) maar van een behulpzame medestudent (die naast me zat). Het is dus alsof de vragen steeds dichter komen ook al is hun inhoud me nog altijd vreemd. Het doet me denken aan de zomeruniversiteit waarop ik straks zal moeten spreken. Dat is alweer een examen voor me, en nog geen kleintje. Maar dit keer wordt het me niet opgelegd. En ik heb de vraag van een ‘medestudent’ gekregen. Wel weet ik opnieuw veel te weinig van het onderwerp af en zal ik me dus weer op kunstzinnige wijze uit de slag moeten trekken. Maar als de Geest van het Karma me niet in de steek laat, zal ik er wel doorheen raken. Ik herken zijn hand trouwens in de ironie van het geval: ik ga niet alleen spreken op een ‘universiteit’, ik doe dat ook nog eens in de ‘sociale sectie’. Ja, hij heeft beslist gevoel voor humor, de Geest van het Karma …

Advertenties