Doodgaan in Brugge

door lievendebrouwere

Gisteren ben ik nog eens naar Brugge geweest om te proberen een centje bij te verdienen, of beter gezegd: om nog iets te recupereren van de onkosten die ik gemaakt heb. Het mocht niet baten. Ik heb van de hele (lange) dag niks verkocht. Vrolijk wordt een mens daar niet van. De gedachte dat ik de helft van m’n leven besteed heb aan het maken van dingen die ik aan de straatstenen niet kwijt kan, deed me twijfelen aan … nu ja, aan heel veel. Ik probeerde me te troosten met de gedachte dat al die toeristen niet naar Brugge komen om naar de triënnale te kijken (kostprijs 2,8 miljoen euro), maar veel belangstelling voor de oude stad leken ze ook niet te hebben. Hun aandacht ging vooral uit naar … henzelf. Brugge lijkt op bepaalde momenten het decor van één grote fotoshoot waarbij vrouwelijke toeristen de meest verleidelijke poses aannemen terwijl hun vriendje hen fotografeert. Of terwijl ze zichzelf fotograferen …

Doorgaans kan ik wel lachen met die hele comédie humaine, maar als je niks verdient wordt dat een stuk moeilijker. Want niks verdienen betekent eigenlijk: er niet bijhoren. En dan zien de zaken er héél anders uit. Als buitenstaander naar iets kijken is bepaald niet hetzelfde als kijken naar iets waarvan je deel uitmaakt. Daarom ook ziet een kunstenaar zijn eigen werk heel anders dan een kijker dat doet. Beiden kijken met een heel andere blik. Daar moest ik weer aan denken toen ik vandaag in de krant las dat er op de Gentse korenmarkt twee nieuwe kunstwerken zullen geïnstalleerd worden (van elk 350.000 euro) in het kader van de heraanleg van het stadscentrum. In Brugge doet men ook voortdurend pogingen in die richting, maar die stuiten tot dusver – gelukkig – op de dienst toerisme. In Gent hoeven ze echter geen rekening te houden met de toeristen, dus daar hebben ze carte blanche bij het updaten van de verouderde stadskern, want met de plaatselijke bewoners houden ze evenmin rekening. En dus verrijst daar het ene ‘hedendaagse’ kunstwerk na het andere.

Dat gebeurt overigens niet alleen in Gent. Het ergste wat je Tegenwoordig als gemeentebestuur kunt meemaken, is dat je ervan beticht wordt om conservatief (lees: achterlijk) te zijn. De beste manier om dat te weerleggen is door in het midden van je stad, gemeente of dorp een ‘hedendaags’ kunstwerk neer te poten. En dat mag best wat kosten. Niemand wil achterblijven en dus duiken die statements nu ook in de meest afgelegen boerendorpen op. Hetzelfde geldt voor muziekfestivals: ieder dorp hoort er tegenwoordig één te hebben. Dat de inwoners een of meerdere nachten niet kunnen slapen, is uiteraard geen bezwaar. Wie hip en modern wil zijn, moet kunnen lijden. Daar zijn Vlamingen goed in en dus wordt Vlaanderen overspoeld door een vloedgolf van moderne kunst. Men gaat er zelfs prat op dat die kunst doordringt tot in ongerepte natuurgebieden. Het geeft een idee van de ‘penetratiekracht’ van de moderne kunst: ze snoert zelfs de ecologisten de mond. 

Er is in Vlaanderen nagenoeg geen plek meer die gevrijwaard blijft van deze artistieke tsunami. Zelfs de kust wordt erdoor overspoeld. Op het strand, in de duinen, op de zeedijk verschijnen de meest vreemde constructies die de lege hoofden van de zonnekloppers moeten vullen met cultuur. Dat is trouwens de reden waarom we ons jaarlijkse weekje aan zee afgelast hebben. In die week wordt dit jaar namelijk vier avonden lang muziek gemaakt in De Haan. Wat dat betekent heb ik verleden jaar één keer meegemaakt: een infernaal lawaai dat zowat de hele nacht doorging en tot in de aanpalende gemeenten te horen was. Dat wil ik geen tweede keer meemaken: dus geen vakantie dit jaar. Ik weet naderhand niet meer waar ik mij moet verbergen om te ontsnappen aan die opdringerige ‘kunst’. De muziek is natuurlijk  het ergst: daar kun je je niet voor afsluiten. Maar ook aan de beeldende kunst valt steeds minder te ontkomen. Op de meest onverwachte plaatsen, zowel midden in een natuurgebied als midden in een historische stadskern, word je ermee geconfronteerd. 

Wat doet dit nu met een mens, vraag ik me af. En ik stel me die vraag vooral met betrekking tot die ‘hedendaagse’ beelden. Want muziek spreekt een mens rechtstreeks aan. Je voelt de klanken – en zeker luide electronische klanken – tot diep in je lichaam en ze brengen je in beweging. Tegenover artistieke beelden is er meer afstand. Ze nodigen de kijker uit tot een meer bewuste oordeelsvorming. Dat is zeker het geval met ‘hedendaagse’ beelden’. Tegelijk is er echter veel minder keuze. In de muziek kun je kiezen tussen rock, jazz, folk, blues, metal, klassiek, barok, hedendaags, enzovoort. Ze hebben allemaal hun eigen festivals, al overheerst de rockmuziek natuurlijk duidelijk. In de wereld van de beeldende kunst is het echter al ‘hedendaags’ wat de klok slaat. Van ‘klassiek’ is geen spoor meer te bekennen, daarvoor moet je naar het museum. Als er nog eens ergens een klassiek beeld in de openbare ruimte verschijnt, is het van zo’n erbarmelijke kwaliteit dat je begrijpt: dit is echt niet meer van onze tijd!

De ‘hedendaagse’ kunstwerken die vandaag overal verschijnen, zowel in oude stadskernen als ongerepte natuurgebieden, laten de kijker maar één keuze: men is ervóór of men is ertegen. Ofwel geeft men zich over aan deze kunst, ofwel keert men er zich vanaf. En dat is een zeer drastische keuze, temeer daar deze kunst er alles aan doet om zich te distantiëren van haar omgeving. De nieuwe kunstwerken in de oude Gentse stadskern zijn als een knetterende vloek, en hetzelfde kan gezegd worden van de ‘installaties’ die men dezer dagen aan zee aantreft: ze willen totaal niets te maken hebben met hun omgeving. En dus moet men als kijker kiezen: de kunst of de oude, ongerepte omgeving. De ‘hedendaagse’ kunst nodigt uit tot een bewuste oordeelsvorming, maar het is beslist géén vrije oordeelsvorming. Daarvoor is de keuze veel te drastisch en heeft ze ook veel te grote consequenties. 

Kiest men vóór deze kunst, dan gaat men er eigenlijk mee akkoord dat alles wat oud is – stadskernen zowel als natuurgebieden – verminkt mag worden door monsterachtige installaties waar niets tegenin gebracht kan worden en die men als belastingbetaler bovendien zelf moet bekostigen. Neemt men daarentegen stelling tegen deze kunst, dan keert men zich als het ware tegen zijn eigen tijd, want er IS geen andere kunst meer. Men laat zich dan kennen als een dinosaurus, een uitgestorven diersoort, een cultuurbarbaar, want wie keert zich nu tegen de kunst van zijn tijd! Door de ‘hedendaagse’ kunst af te wijzen, plaatst men zichzelf buitenspel, men geeft te kennen er niet meer bij te horen, men wordt een buitenstaander. En dat is natuurlijk een keuze waarvoor iedereen terugdeinst. 

Nochtans is deze keuze zeer verhelderend. Door buitenstaander te worden en geen deel meer uit te maken van datgene waarvan men zich een beeld probeert te vormen, krijgt men een heel andere kijk op de zaak. Men ziet dingen die men anders niet ziet, men oordeelt veel afstandelijker. Eigenlijk kan men niet tot een objectief oordeel komen over de wereld waarin men leeft, zolang men nog deel uitmaakt van die wereld. Een echt objectief oordeel is dan ook maar mogelijk wanneer men dood is, wanneer men vanuit de geestelijke wereld oordeelt. Maar men kan ook gevoelsmatig ‘sterven’ zonder de fysieke banden met de wereld door te snijden. En dat is precies wat men doet wanneer men stelling neemt tegen de ‘hedendaagse’ kunst. Men maakt zich dan innerlijk los van de wereld waarin men leeft. Men ‘versterft’ en dat is iets waartoe mensen in deze materialistische tijd niet meer vanuit zichzelf komen. 

Toen ik gisteren in Brugge zat, hoorde ik er fysiek helemaal bij. Ik had het benodigde materiaal, ik kon dat materiaal vervoeren en opstellen, ik had zelfs alle toelatingen en vergunningen. Ik maakte deel uit van de folkloremarkt en dat werd door iedereen geaccepteerd. Maar innerlijk zat ik te ‘sterven’, want het was maar al te duidelijk dat ik er NIET bijhoorde. Als ik verkoop, heb ik even de illusie dat ik er WEL bijhoor. Maar meer dan een illusie is het niet, want als ik alle onkosten (boetes inbegrepen) verreken, heb ik daar in Brugge nog altijd geen euro verdiend, ondanks alle inspanningen. Mijn marktcarrière is in feite één grote schijnvertoning. Maar innerlijk is ze zeer reëel: het gevoel te ‘sterven’ is heel echt. En dat gevoel maakt me (meer dan ooit) duidelijk dat de macht van de ‘hedendaagse’ kunst nagenoeg totaal is en dat alles wat er nog op het gebied van de ‘klassieke’ kunst gebeurt, schijn is.

Maar ook die almachtige ‘hedendaagse’ kunstwereld is een schijnwereld. De mensen die ervoor kiezen (bewust of onbewust) beseffen niet dat zij zich tegen de oude, klassieke wereld keren. Zonder het te weten, snijden zij de banden met het verleden door. Op die manier is de kunstwereld (maar niet alleen de kunstwereld) verdeeld geraakt in twee schijnwerelden die geen van beide nog een idee hebben van de echte werkelijkheid, van de echte kunst van onze tijd. Een zintuig voor de realiteit kan men alleen nog ontwikkelen door tegenover beide tegengestelde schijnwerelden te gaan staan, door zich van allebei los te maken. De eerste stap in de ontwikkeling van dat (hogere) zintuig is gezet door de ‘hedendaagse’ kunst: zij heeft de moderne mens losgemaakt van de oude kunst, de kunst uit het verleden. De tweede stap moet echter nog gezet worden: de moderne mens moet zich nu ook losmaken van de ‘hedendaagse’ kunst. Pas als hij daarin slaagt, wordt hij werkelijk een buitenstaander en kan hij zich een objectief beeld vormen van de kunst van zijn tijd, en van de wereld waarin hij leeft, want niets weerspiegelt die wereld getrouwer dan juist de kunst. 

Toen ik daar gisteren in Brugge zat (toevallig tussen de twee best verkopende kramers van de hele markt), dacht ik bij mezelf: waarom ben ik niet thuisgebleven? Waarom zit ik me hier te kwellen? Ik besefte dat ik het niet om het geld deed, maar om de illusie ‘erbij te horen’. Ik kan daar geweldig van genieten, juist omdat het gevoel zo zeldzaam voor me is. Maar aan de grenzen van mijn bewustzijn dook ook het vermoeden op dat ik het deed om me bewust te worden van die illusie. Ik hoor niet bij die folkloremarkt (en dus ook niet bij die hele klassieke kunstwereld die alleen nog als folklore bestaat) en ik hoor zeker niet bij de ‘hedendaagse’ kunstmarkt zoals die aan de overkant van de Dijver haar – ongetwijfeld veel winstgevender – activiteiten ontplooit. Ik hoor nergens bij, ik ben overal een buitenstaander. Maar juist daardoor word ik gedwongen een visie op kunst (en op de wereld) te ontwikkelen die niet partijdig is en die daarom ook geen schijn is.

Maar ik moet me daarvoor tot het uiterste inspannen, want ik kan nergens op steunen dan juist op mijn eigen denkinspanningen én op mijn gevoel te ‘sterven’. Het ene gaat waarschijnlijk niet zonder het ander, want zonder dat gevoel zou ik niet zo intens nadenken, en zonder al dat nadenken zou het gevoel wellicht ook niet zo sterk zijn. Het helpt me alleszins te begrijpen waarom geen mens het waagt zijn stem te verheffen tegen de alomtegenwoordige ‘hedendaagse’ kunst: niemand wil zomaar ‘sterven’. Het helpt me ook te begrijpen hoe die obscene en monsterachtige ‘kunst’ erin slaagt zo’n enorme invloed uit te oefenen: zij dwingt de moderne mens tot een keuze tussen leven en dood. En ook al is dat leven nog maar een schijn van wat echt leven is, en ook al is het gevoel er bij te horen een groteske illusie, het is in al z’n armzaligheid nog altijd een stuk aangenamer dan ‘sterven’.

Advertenties