Nieuwe gevoelens

door lievendebrouwere

‘Waar het bij moderne kunst om gaat, is dat de toeschouwer gevoelens aan het werk toevoegt, dat hij zélf een bijdrage levert.’ Zo lees ik op de omslag van het jongste nummer van Antroposofie Vandaag. Het is een citaat uit ‘Nieuwe gevoelens krijg je niet cadeau’, een column van Werner Govaerts waarin hij betoogt dat het slecht gesteld is met ons gevoelsleven. Depressie is de ziekte van onze tijd. Het is als leven in een gevoelswoestijn. We kunnen, schrijft hij, niet anders dan berusten in het feit dat de wereld ons geen gevoelens meer schenkt. Maar dat hoeft niet noodzakelijkerwijs tot nihilisme of cynisme te leiden. Het geeft ons juist de kans om zelf nieuwe gevoelens te creëren, gevoelens die ons niet van buitenaf worden opgedrongen maar die helemaal van onszelf zijn.

Maar zijn die ‘gecreëerde’ gevoelens wel echte gevoelens, vraagt hij zich af. Daar kan de moderne kunst volgens hem antwoord op geven. Moderne kunstwerken roepen immers vaak helemaal geen gevoelens op, ze wachten tot we die gevoelens zelf aan het kunstwerk toevoegen. Maar daarvoor moeten we natuurlijk eerst onze onverschilligheid overwinnen, we moeten in onszelf belangstelling en empathie opwekken, zonder oordelen te vellen. Rudolf Steiner verklaarde ooit dat de sterren niet langer tot de mensen spreken, maar dat de mensen nu tot de sterren moeten spreken. En dat is precies wat we doen wanneer we in onszelf nieuwe, eigen gevoelens creëren, aldus Werner Govaerts.

Wel, wel, wel. We spreken dus ‘tot de sterren’ wanneer we in een museum vol bewondering kijken naar een pispot of een blikje stront? Want dat is het beeld dat mij voor de geest komt wanneer ik denk aan moderne kunst: mensen die dingen bewonderen waar ze normaal gezien de neus voor ophalen. Die bewondering is zeer zeker ‘gecreëerd’ want ze bestaat alleen binnen de muren van een museum of tentoonstellingszaal. Daarbuiten keuren we die pispotten en uitwerpselen geen blik waard, we wenden er ons zelfs vol weerzin vanaf. En deze gecreëerde gevoelens zouden dus de ‘sterrentaal’ zijn waarover Rudolf Steiner spreekt? Ik moet zeggen dat ik dat een gewaagde jump to conclusions vind, te meer daar hij zonder één enkel argument of voorbeeld gemaakt wordt.

Zou dat werkelijk de opgave van de antroposoof zijn: normale gevoelens omkeren in hun tegendeel? Want daar komt het in de moderne kunst tenslotte op neer: we worden er niet alleen verondersteld bewondering te voelen voor wat anders onze weerzin oproept, we worden ook verondersteld weerzin te voelen voor wat anders onze bewondering oproept. De minachting van moderne kunstenaars en kunstliefhebbers voor de kunst uit het verleden is grenzeloos. Ze zeggen het niet altijd met zoveel woorden, maar het blijkt overduidelijk uit hun daden: de echte kunst begint met hén, wat daarvóór kwam, is de naam kunst niet waard. 

Overdrijf ik nu? Ik dacht het niet. De moderne kunst vertoont een ongelooflijke diversiteit, maar al haar uitingen hebben één ding gemeen: een diepe aversie tegen haar voorganger. De nieuwe kunst is erin geslaagd de oude kunst radicaal uit te bannen. Anders dan in de wereld van de muziek, is er in de wereld van de beeldende kunst nauwelijks nog een spoor te bekennen van het klassieke verleden, tenzij dan als voorwerp van spot en verminking. Er is ook geen spoor meer te bekennen van kritiek of verzet tegen die machtsgreep. Niemand waagt het nog te protesteren tegen de excessen van de moderne kunst, hoe abject ze ook zijn. Wie mee wil zijn met zijn tijd moet in de wereld van de (beeldende) kunst dus het vermogen ontwikkelen zijn gevoelens radicaal om te keren: wat hij verafschuwt moet hij leren bewonderen, wat hij bewondert moet hij leren verafschuwen. Hij moet met andere woorden controle verwerven over zijn gevoelsleven. Niet zijn gevoelens mogen hem de wet dicteren, maar omgekeerd. Dat is wat de moderne kunst van ons verwacht, dat is ook wat Rudolf Steiner van antroposofen verwacht. Althans volgens Werner Govaerts. 

Het klinkt goed, dat moet gezegd. Alleen wordt nergens duidelijk wat deze welluidende woorden concreet inhouden. Die nieuwe gevoelens en die toekomstige sterrentaal, wat moet ik me daar eigenlijk bij voorstellen? En gevoelens creëren: hoe doe je dat? Het blijft allemaal heel abstract, heel vaag en heel suggestief. De algemene boodschap lijkt te zijn: als antroposoof moeten we de moderne kunst tot voorbeeld nemen. Daar kan ik natuurlijk niks tegen hebben. Zei Steiner niet dat het vanzelf spreekt dat een ontwikkeld mens houdt van de kunst van zijn tijd? Ik ben het daar helemaal mee eens, alleen … ik heb nooit geloofd en geloof nog altijd niet dat de kunst van mijn tijd bestaat uit pispotten en ander afval. Hoe meer ik erover nadenk des te krankzinniger vind ik dat blinde geloof in een kunst die zichzelf presenteert als de enige echte kunst van onze tijd, met uitsluiting van alle andere. Ik sta te kijken van de naïeviteit van antroposofen die zich blindelings in de armen van de moderne kunst werpen zonder zich ook maar één moment af te vragen of het nu werkelijk … moderne kunst is. 

Iedere stap op spiritueel gebied, waarschuwde Steiner, moet gepaard gaan met drie stappen op moreel gebied. Dat houdt onder meer in dat antroposofen in de eerste plaats hun gezonde, nuchtere, kritische verstand moeten versterken, want hoe dichter men de geestelijke wereld nadert, des te groter wordt het verlangen om er zich blindelings aan over te geven. Juist dat blinde verlangen moet weerstaan worden. De overgave aan de geest moet vrijwillig en bewust gebeuren, anders gaat het ten koste van het Ik en raakt men in de greep van de tegenmachten. Niemand komt tot de Vader dan door mij, waarschuwde Christus. De oude toegang tot de geestelijke wereld is afgesloten, men komt er voortaan alleen nog binnen via Christus, via het Ik. De drempeloverschrijding dient dus te gebeuren onder begeleiding van het eigen heldere bewustzijn, niet onder begeleiding van een of andere ingewijde, of iemand die zich als zodanig voordoet. 

Hoe zo’n zelfstandige drempeloverschrijding eruitziet, kunnen we waarnemen in het (klassieke) museum. De kunst heeft in onze tijd de plaats van de religie (en de spiritualiteit in het algemeen) ingenomen en het museum is de opvolger van de oude mysterietempel. Bij het betreden van deze beschermde maar vrije ruimte verandert ons bewustzijn automatisch. We reageren instinctief op de geestelijke dimensie van de kunst. Als we dat niet deden, zouden de kunstwerken ons niets zeggen. Ze zouden zwijgen als vermoord. Daarom moeten we ze eerst tot leven wekken door (onbewust) over te schakelen op een gevoelsmatig, inlevend bewustzijn. Ons heldere dagbewustzijn laten we samen met onze jas in de vestiaire achter. Dat is de voorwaarde om in de wereld van de kunst überhaupt iets te beleven. 

Dat is dus de eerste stap: we leggen ons kritische verstand het zwijgen op en schakelen over naar ons empathische gevoel. Dat gevoel is in onze moderne wereld echter onderontwikkeld. Het is zo zwak geworden dat het niks meer waarneemt. Als gevolg daarvan komen we terecht in een zwijgende leegte . We beleven het museum als een grafkelder. Waar het nu op aankomt, is dat we niet teleurgesteld op onze stappen terugkeren, dat we met andere woorden niet proberen de leegte op te vullen met zelf gecreëerde gedachten of gevoelens. Dat is juist wat we moeten vermijden, want dan luisteren we naar onze eigen stem (of die van de gids) en niet naar die van het kunstwerk. De ‘nieuwe gevoelens’ die we bij onszelf oproepen, zijn niets anders dan een vorm van zelfbedrog, een middel om de beproeving van de leegte te ontlopen. In plaats van ‘over de drempel’ te gaan, sluiten we ons dan op in onszelf en blijven veilig aan deze zijde van de drempel. 

Wanneer we niet terugdeinzen voor deze drempel, beleven we ‘het zwijgen van de kunstwerken’ in al zijn onverbiddelijkheid. En dat zwijgen ervaren we als een afwijzing. Het is alsof er een wachter aan de drempel staat, die zegt: jij bent niet waardig om de (geestelijke) wereld van de kunst te betreden. Maar het is een test die we moeten doorstaan. Wie werkelijk van kunst houdt, eerbiedigt haar zwijgen. Hij verstoort het niet met intellectuele peptalk, hij probeert niet Verhofstadtgewijs allerlei gevoelens bij zichzelf op te wekken. Hij erkent zijn onmacht en zijn onvermogen. Juist zijn liefde en eerbied voor de kunst helpen hem om deze ‘gevoelswoestijn’ te verdragen. En vroeg of laat komt dan het moment waarop de kunst begint te spreken. Ze doet dat niet met woorden maar richt zich rechtstreeks tot het hart. En dat hart wéét dat het niet naar zichzelf luistert, maar dat het de kunst is die tot haar spreekt. 

Wie de stem van de kunst hoort, voelt dat in zijn hele wezen. Hij wordt overspoeld met nieuwe, ongekende gevoelens. Maar er kan geen twijfel over bestaan dat hij die gevoelens NIET zelf gecreëerd heeft. Ze worden in hem opgeroepen door het kunstwerk en zonder dat kunstwerk zouden ze nooit bestaan. Ze worden ook niet gewekt door een inspanning maar door een waarneming: de kijker neemt de geest van het kunstwerk waar. En dat is essentieel: zonder deze – in wezen helderziende – waarneming hebben alle gedachten en gevoelens die men aan een kunstwerk ontwikkelt een luciferisch karakter. Het zijn inderdaad eigen creaties, maar ze gaan niet uit van het Ik, ze gaan uit van het ego.

De kunst kan op veel manieren spreken, maar altijd maakt ze de mens sprakeloos. Als de kunst spreekt, dan zwijgt de kijker. Als de kijker zwijgt, dan spreekt de kunst. En juist dat zwijgen valt de moderne mens zo zwaar. We hoeven maar een museum te bezoeken om dat te beseffen: het is er een drukte van jewelste. Vroeger waren musea nog echte tempels: er heerste een gewijde stilte. Vandaag luisteren de bezoekers naar gidsen die luidkeels hun ‘waren’ aanprijzen of ze lopen rond met oortjes die hen zeggen wat ze moeten doen, wat ze moeten denken, wat ze moeten voelen. Iedereen is zo druk bezig met het luisteren naar woorden dat niemand nog luistert naar de kunstwerken. Wie gelooft trouwens nog dat de kunst kan spreken? 

De moderne mens gelooft niet meer in de geest, ook niet in die van de kunst. Hij is ervan overtuigd dat als hij zelf niet spreekt ook kunst zwijgt. Daarom vult hij de stilte van de kunstwereld met een eindeloze stroom van woorden en gedachten. Hij creëert zelfs nieuwe gevoelens die hem doen geloven dat hij ‘over de drempel’ is geraakt. En het is nog waar ook. Als ik de gedrevenheid en het enthousiasme van moderne kunstenaars en kunstliefhebbers gadesla dan kan ik niet anders dan concluderen dat ze geïnspireerd worden door de geest. Maar of het de geest van de kunst is? De mens drukt in de kunst zijn diepste wezen uit, en een verstokte materialist kan wel denken dat dat wezen bestaat uit afval en uitwerpselen, maar een antroposoof …? 

De leegte die vandaag in de kunstwereld heerst is verschrikkelijk. Nietzsche verklaarde honderd jaar geleden dat God dood is. Vandaag kunnen we zeggen dat de kunst dood is, dat we haar vermoord hebben. Daar gaat een diepe dreiging vanuit, want een mensheid die haar scheppende vermogens verliest, is ten dode opgeschreven. Het is dus doodsangst die ons belet de dood van de kunst onder ogen te zien. Wat we in het museum in het klein meemaken, maken we ook in het groot mee: de kunst zwijgt als vermoord. Het is een zware beproeving om dat doodse zwijgen te verdragen, om het niet te verstoren met nieuwe gedachten, nieuwe gevoelens, nieuwe kunst. Toch is het de enige manier om de stem te vernemen van de kunst die uit haar graf verrijst, van ‘het vermoorde kind dat lacht en in der eeuwigheid blijft zingen’.

Volgens Rudolf Steiner werd Christus aan het eind van de 19de eeuw opnieuw gekruisigd, dit keer niet in de fysieke maar in de etherische wereld. Het is ook in die wereld dat hij opnieuw verrezen is en zich op een geheel nieuwe manier kenbaar maakt aan de mens. Deze ‘wederkomst van Christus’ noemt Steiner de belangrijkste gebeurtenis van onze tijd en het is van cruciaal belang dat we haar niet verslapen. De tegenmachten hebben echter een waar inferno ontketend om onze aandacht af te leiden. Dat hele gebeuren wordt gespiegeld in de kunst. Zij kan ons dan ook tonen hoe we in het oorverdovende lawaai van de tegenmachten de stem van Christus kunnen horen. En dat is zeker NIET door het creëren van nieuwe gevoelens …

Advertenties