Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: augustus, 2015

Ken Robinson

  

Dit is Ken Robinson, Sir Ken Robinson, een autoriteit op het gebied van onderwijs. Een tiental jaar geleden werd hij beroemd door zijn TED-conferentie How schools kill creativity. Het was mijn zoon Jan die mij daar gisteren op wees. Hij is een fan van die TED-conferenties: voordrachten over alle mogelijke onderwerpen die via het internet worden verspreid. Ik had nog nooit van de man gehoord en ging eens kijken. Wat ik zag was een conferencier, een stand up comedian die de zaal om de 15 seconden aan het lachen bracht en tegelijk het moderne schoolsysteem met de grond gelijk maakte. We hebben de mens gereduceerd tot zijn hoofd, zei hij, en zijn lichaam tot een vervoermiddel van dat hoofd (naar vergaderingen). Ja, de man sloeg spijkers met koppen, en zijn voordracht werd de meest bekeken TED-conferentie ooit. 

Maar toen begon ik na te denken. Onder meer over die combinatie van kostelijke grappen (de man is een geweldige humorist) en diepe waarheden (het was zeer ernstig wat hij zei). Zou dat nu de goede manier zijn, vroeg ik me af. Je volgt zo’n man met het grootste plezier en luistert op die manier naar zaken die je anders misschien zouden vervelen. Humor dus als glijmiddel voor zwaar verteerbare ideeën. De vraag rijst echter wat de man zo populair heeft gemaakt op Youtube: is dat wat hij vertelt of is dat hoe hij het vertelt? Hoewel ik absoluut niks heb tegen de combinatie van ernst en luim – wel integendeel – vond ik de tegenstelling toch wel wat groot. Maar erover struikelen deed ik niet, nog niet. 

Dat kwam pas toen ik verder dacht. Ik las hoe vaak deze man al gelauwerd is tijdens zijn leven, hoe hij overal ter wereld door staatshoofden en bedrijfsleiders om raad gevraagd wordt, hoe hij dus een serieuze impact heeft op het denken over onderwijs. Met zijn kerngedachte was ik het helemaal eens: kunst en kreativiteit moeten op school even belangrijk worden als lezen en schrijven. Een verlichte geest dus! Maar … toen kwam het. Het onderwijs waar deze man voor pleit, bestaat namelijk reeds. Scholen waar kunst even belangrijk is als wetenschap, dat zijn gewoon … steinerscholen. En die bestaan al 100 jaar! Toch rept Ken Robinson er met geen woord over. Hij doet alsof hij het wiel opnieuw heeft uitgevonden. Hoe is dat mogelijk? Het kan toch niet zijn dat deze wereldautoriteit op het gebied van pedagogie nog nooit gehoord heeft van de steinerpedagogie! 

Rara, wat is hier aan de hand? Altijd hetzelfde: wat Robinson de andere kant doet opkijken, is het feit dat de steinerpedagogie uitgaat van de mens als geestelijk wezen. Welke andere verklaring zou er kunnen zijn? Het is toch altijd dáár waar mensen over struikelen! En juist daarom zou je kunnen vragen: heb je dat geloof in de geest eigenlijk nodig om een onderwijs uit te bouwen waarin de kunst een centrale plaats inneemt? Kun je met andere woorden geen steinerschool oprichten zonder dat ‘geestelijke gedoe’ waarover zoveel mensen struikelen? Tenslotte is de steinerpedagogie een methode en geen inhoud. Antroposofie – het op de geest gebaseerde wereldbeeld achter de pedagogie – maakt géén deel uit van de leerstof in een steinerschool. Dus waarom geen school met kunst en zonder geest, als het toch die ‘geest’ is die mensen ervan weghoudt?

Dat klinkt heel aannemelijk. Als zoveel mensen struikelen over het (achterliggende) geestelijke aspect van de steinerscholen, als het zoveel kinderen verhindert om dit soort onderwijs te volgen, als een wereldautoriteit als Ken Robinson er niks wil van weten, is het dan niet veel beter om de steinerscholen los te koppelen van Steiner, van de antroposofie, van heel dat ‘spirituele gedoe’? Kunnen we geest en god niet veel beter vervangen door kreativiteit en kunst? Want dát zijn toch dingen waar geen mens bezwaar kan tegen hebben? Daarvan getuigt trouwens het enorme succes van Robinsons TED-conference. Miljoenen mensen zeggen: ja, ja, ja! Stel je voor dat antroposofen zoveel succes zouden hebben! Stel je voor dat overal ter wereld miljoenen mensen ja, ja, ja zouden zeggen tegen de steinerpedagogie! Zou dat niet ontelbare kinderen overal ter wereld ten goede komen? Zou dat niet precies zijn wat Rudolf Steiner wilde?

Nee, nee, nee. Absoluut niet! Dat zou het ergste zijn wat die kinderen kan overkomen. Liever een school zonder kunst dan een school met kunst maar zonder geest. En waarom dan wel? Omdat dit laatste een contradictio in terminis is. Kunst zonder geest is geen kunst, het lijkt alleen maar kunst. Kunst zonder geest is in de praktijk anti-kunst, het is … Hedendaagse kunst. En dan kun je véél beter geen kunst hebben. Een school die zo’n schijnkunst of anti-kunst centraal plaatst, is een omgekeerde steinerschool. Ze is zo slecht als deze laatste goed is. En dat wil je geen enkel kind aandoen, dat is een zonde tegen de geest en zo’n zonde is – zoals de bijbel zegt – onvergeeflijk. Het is trouwens tegen die ‘zonde’ dat ik al m’n hele leven vecht en ook altijd zal blijven vechten. 

Mijn wantrouwen voor Ken Robinson, hoe vaag ook, was dus terecht. Ik zou misschien eens moeten lezen wat de man allemaal schrijft, maar ik maak me sterk dat hij geen onderscheid maakt tussen klassieke en hedendaagse kunst. Hij pleit met hartstocht voor een onderwijs dat de kunst centraal plaatst, maar of dat een geestrijke kunst is of een kunst die bezield wordt door een anti-geest, dat zegt hij er (hoogstwaarschijnlijk) niet bij. En dán is het natuurlijk gemakkelijk om enthousiast te zijn over een ‘kreatieve school’. Niemand zal daartegen protesteren, zeker de tegenmachten niet. Maar heel anders wordt het wanneer je zo’n ‘kreatieve school’ bewust verbindt met de geest en je dus weet over welke geest je het hebt. Dan gaan de poppen aan het dansen, dan wordt iedereen kregelig, dan laten ze je niet aan het woord op een TED-conferentie. 

Als we het onderscheid tussen klassieke en hedendaagse kunst even terzijde laten, dan zegt Ken Robinson in wezen hetzelfde als Rudolf Steiner. Hij pleit waar ook Steiner voor pleitte: een onderwijs waar kunst en kreativiteit centraal staan. En toch spreekt hij met geen woord over steinerscholen, toch hebben die steinerscholen nog geen fractie van het succes dat Robinson ten deel valt, toch heeft Rudolf Steiner zich nooit Sir mogen noemen, toch is hij nooit ontvangen door de groten der aarde. Vreemd toch? Tenzij je onderscheid maakt tussen de 2 tegengestelde geesten die vandaag de kunst bezielen. Dan worden de zaken duidelijk, dan begrijp je waarom er zo’n kloof gaapt tussen Steiner en Robinson. En daarmee bedoel ik niet dat Ken Robinson bezield wordt door een verderfelijke geest, maar wél dat hij manipuleerbaar is door zo’n geest, een geest die er wel voor zorgt dat hij niet door Robinson wordt opgemerkt. En ook niet door zijn enthousiaste, lachende publiek …

Het bezette brein

  

Er is iets aan de hand met onze intellectuelen, schreef ik onlangs, ze lijden aan een kwaadaardige ziekte die hun brein aantast. En juist omdat het hun brein is dat ziek is, zijn ze er zich niet van bewust. Als ons lichaam ziek is dan weet ons hoofd dat, omdat het tegenover dat lichaam staat. Maar als ons hoofd ziek is, dan is er niets dat tegenover dat hoofd staat. En dus beseffen we niet dat we ziek zijn. Tenzij we een bewustzijn ontwikkelen dat niet gebonden is aan ons hoofd. Maar daar geloven we niet in, en dus zijn we gedoemd om alsmaar zieker te worden en dat steeds minder te beseffen. Hoever dat gaat, las ik onlangs in een artikel van ene Orhan Agirdag, een ‘onderwijswetenschapper’ die werkzaam is aan de universiteiten van Antwerpen en Amsterdam.
    
‘Er is, schrijft hij, iets vreemds aan de hand met ons onderwijs. Doorheen de leerplicht leren we lezen, rekenen en de wereld rondom ons kennen. Waarover we heel weinig leren, is hoe de school zelf functioneert. Minstens twaalf jaar zitten we samen op school met succesvolle en minder succesvolle leerlingen. Maar hoe ongelijkheid in het onderwijs tot stand komt, behoort zelden tot de leerstof.’ Doorheen de leerplicht? Er is inderdaad iets vreemds aan de hand met ons onderwijs als het wetenschappers oplevert die hun taal niet eens beheersen. Maar dat bedoelt Agirdag natuurlijk niet. Nee, wat hij vreemd vindt, is dat de kinderen op school niet leren dat ze gediscrimineerd worden. Hij vindt het vreemd dat leerkrachten de kinderen niet vertellen dat … ze de kinderen discrimineren. 

Om zijn punt duidelijk te maken, formuleert hij het ook nog eens op een andere manier: ‘Een startpunt voor emancipatorisch onderwijs is het (h)erkennen van deze sociale en etnische privileges. Inzicht terzake verdient een plaats binnen het curriculum: we moeten erover kunnen praten met onze leerlingen. Alleen als we ons bewust zijn van deze privileges, kunnen we ze op termijn ongedaan kunnen.’ Orhan Agirdag pleit hier dus voor een vak ‘dicriminatie’ dat de leerlingen leert dat blanke leerlingen allerlei privileges hebben en dat gekleurde leerlingen gediscrimineerd worden. Ik zie het al voor me. De leraar komt de klas binnen en zegt: ‘Beste kinderen, zoals jullie al gemerkt hebben, zitten er in onze klas blanke en gekleurde kinderen. Jullie vinden dat misschien niet belangrijk, maar dat is het nu juist wél. Want blanke kinderen worden bevoordeeld en gekleurde worden benadeeld. Dat zullen jullie nog wel ondervinden: de blanke kinderen onder jullie zullen meer punten krijgen, hogere diploma’s behalen en meer geld verdienen. De gekleurde kinderen daarentegen hebben pech, want hoe hard ze zich ook inspannen, ze zullen altijd achtergesteld worden, want ze zijn nu eenmaal niet blank.’

Dat vindt Orhan Agirdag blijkbaar pedagogisch verantwoord. Het is duidelijk: deze man is niet goed bij zijn hoofd, hij is ziek. Dat kan gebeuren, iedereen is wel eens ziek. Het probleem is echter dat hij niet als ziek beschouwd wordt, wel integendeel. Hij wordt juist als buitengewoon gezond en verstandig beschouwd, want hij heeft het geschopt tot professor aan de universiteit. De onzin die hij verkoopt, wordt als wetenschap beschouwd en onderwezen aan mensen die op hun beurt kinderen zullen onderwijzen. Is er dan niemand die dit aanklaagt en het opneemt voor de kinderen die dit gif al van jongs af in hun brein ingespoten (zullen) krijgen? Blijkbaar niet, want deze man kan ongestoord zijn nonsens verkopen in de krant. En dus luidt de conclusie dat niet alleen de wetenschappers van het departement onderwijs hun verstand verloren hebben, maar dat ook de journalisten het kwijt zijn. En datzelfde geldt voor de krantenlezers, want stijgt er een storm van verontwaardiging op over dit voorstel om in het onderwijs systematisch haat en wantrouwen te zaaien? Bijlange niet. Niemand geeft een kik. Want iedereen lijdt aan dezelfde ziekte. 

Overdrijf ik nu niet? Is het werkelijk nodig om over een ziekte te spreken? Goed, ik geef nog een ander voorbeeld. Assistent-professor Agirdag schrijft: ‘Blanke en welgestelde groepen hebben immers heel wat privileges in het onderwijs. De structuur van het onderwijs, de inhouden van de curricula en zelfs de typische tijdsindeling op school reflecteren de privileges van de blanke en welgestelde groepen. Eenvoudig voorbeeld: oudercontacten gaan altijd ’s avond door. Perfect op maat van het middenklasgezin waar van 9 tot 5 gewerkt wordt, maar niet voor de alleenstaande moeder die avondwerk moet doen.’ Wat beweert deze man nu? Dat blanke en welgestelde kinderen worden voorgetrokken omdat ouderavonden niet overdag plaatsvinden? Seriously

En wat dacht u van het volgende: ‘Het is een wit privilege dat Engels en Duits officiële onderwijstalen zijn, terwijl het spreken van Turks bestraft wordt in vele scholen (nochtans is het aantal Turkstalige Belgen het drievoud van het aantal Duitstalige Belgen). Het is een wit privilege dat bijna alle volwassenen op school blank zijn, met uitzondering van Zwarte Piet dan. En voor welke soort leerlingen zijn de lessen geschiedenis ontworpen als we het hebben over de ‘val’ van Constantinopel en de ‘ontdekking’ van Amerika?’ Engels en Duits zijn officiële onderwijstalen en Turks niet. Dat is volgens Orhan Agirdag een wit privilege dat ongelijkheid in de hand werkt. Wat stelt hij dan voor? Dat er naast Engels en Duits, en Nederlands en Frans, ook Turks onderwezen wordt op school? Maar wat dan met het Marokkaans, het Syrisch, het Albanees, het Chinees, het Spaans, het Portugees, het Russisch, het Swahili enzovoort? Want deze volkeren en hun talen mogen toch evenmin gediscrimineerd worden? En moeten alle kinderen dan al deze talen leren spreken zodat ze allemaal met elkaar kunnen communiceren en dus allemaal ‘gelijk’ zijn?

En dat zou ik niet ziekelijk mogen noemen? Ik vraag me af: zou deze man eigenlijk ooit wel eens nadenken? Want er is toch echt niet veel hersenwerk nodig om in te zien dat zijn pennevruchten baarlijke, ja zelfs kwaadaardige nonsens zijn. Maar misschien is het verkeerd om van hersenwerk te spreken. Misschien is dat hersenwerk juist de kwaal. Als ik lees wat deze ‘professor’ schrijft, dan komt het me voor dat hij helemaal niet weet wat hij schrijft. Het is alsof zijn hersenen het van hem overnemen en hun eigen gang gaan. Ze schakelen lukraak allerlei begrippen en woorden aan elkaar tot iets wat lijkt op een academisch betoog. Orhan Agirdag zelf komt daar niet aan te pas. Hij staat bij wijze van spreken buiten een sigaretje te roken. 

Toch gaan die aan hun lot overgelaten hersenen niet zomaar lukraak te werk. There is a system in their madness. Dat systeem ontdek ik in een ander citaat: ‘In het Vlaamse Regeerakkoord komt het woordje ‘racisme’ slechts twee keer voor. Eén keer wordt het vermeld, zonder concrete acties. Een tweede keer gaat het om het afschaffen van het Interfederaal Gelijkekansencentrum. Vergelijk hiermee: het belang van het Nederlands wordt 58 keer (!) herhaald. Ook wanneer het over onderwijs gaat. Het mag dan ook duidelijk zijn wiens belangen vertegenwoordigd worden met dit regeerakkoord.’ Orhan Agirdag – of moet ik zeggen: zijn hersenen? – stoort zich dus heel erg aan het belang dat het Vlaamse onderwijs hecht aan het Nederlands. Maar dat haalt hij alleen aan als vergelijkingspunt voor zijn echte bezorgdheid: dat er zo weinig belang wordt gehecht aan racisme. Dat is wat hem ten diepste stoort, dat is ook wat hem drijft in zijn ‘wetenschappelijk’ werk: racisme.

Het volstaat niet dat we dagelijks met racisme om de oren worden geslagen in de kranten en de media. Agirdag vindt dat dit ook in het onderwijs moet gebeuren: racisme en discriminatie moeten volgens hem deel gaan uitmaken van de leerstof. Niet alleen volwassenen maar ook kinderen moeten ervan doordrongen worden dat de Vlaamse samenleving lijdt aan een vreselijke ziekte: het racisme. Blanke kinderen moeten er van jongs af toe gebracht worden zich diep te schamen over zichzelf, terwijl gekleurde kinderen er van jongs af toe gebracht moeten worden blanke kinderen diep te wantrouwen. Deze schaamte en dit wantrouwen moeten zo vroeg en zo diep mogelijk verankerd worden in de ziel van de moderne mens. Alleen op die manier zal er een betere wereld kunnen ontstaan waarin mensen met elkaar in vrede leven. 

Dát is zo’n beetje the system in the madness van de hersenen, van het zieke brein. Het schakelt niet zomaar lukraak allerlei gedachten aan elkaar tot iets wat er heel erg verstandig uitziet. Nee, dat zieke brein gaat heel doelgericht te werk: het wil de moderne mens ervan overtuigen dat de wereld lijdt aan een kwaadaardige ziekte: het racisme. Dat is de boodschap die het aan één stuk door verkondigt in de media, waar het dag in dag uit op hamert: racisme, racisme, racisme. Al tientallen jaren slaat het op deze trom en het tempo wordt steeds verder opgedreven om de slaven steeds harder te doen roeien. En dat zou allemaal het resultaat zijn van hersenen die ‘lukraak’ tewerk gaan? Nee, die hersenen weten heel goed wat ze doen, ze zijn geen onpersoonlijke computer die op random staat. Ze worden gestuurd, ze worden geprogrammeerd. En dat gebeurt niet door de eigenaar, dat wil zeggen door de mens. Het gebeurt door een geest die bezit heeft genomen van de hersenen en die een voortreffelijk ‘programmator’ is. 

Het moderne brein is dus niet ziek, het is bezeten. Het is in bezit genomen door een kwalijke geest, door een ‘kraker’ die erin getrokken is omdat het pand leeg stond. Er wordt vaak gezegd dat we veel te veel denken, maar dat is nu net niet het geval. We denken veel te weinig. Het artikel van Orhan Agirdag is daar het mooiste voorbeeld van. De man wil onze kinderen eigenlijk oproepen tot een burgeroorlog, tot een rassenstrijd op school. Een paar simpele, logische denkbewegingen volstaan om dat in te zien. Maar we maken ze niet, we reageren niet eens op dit perfide voorstel. Ons denken staat stil. En daardoor blijven we blind voor de geest die iemand als Orhan Agirdag dergelijke stuitende dingen laat zeggen. Het gaat zelfs verder dan dat. Want onbewust reageren we wél: we juichen dit soort voorstellen steeds meer toe. Natúúrlijk moeten we iets doen aan het racisme! Natuurlijk moeten we onze kinderen wijzen op de stuitende discriminatie overal om ons heen! En wee degene die daar bezwaren tegen heeft! Die knopen we op aan de hoogste boom! 

De verontwaardiging over het racisme laait steeds hoger op. In de sociale media steken bij het minste hele stormen op, ja zelfs het weer lijkt mee te doen. Wie in het oog van zo’n storm komt te staan, wordt (nog) niet fysiek maar geestelijke en sociaal gelyncht. Hij verliest zijn reputatie, hij verliest zijn job, hij verliest zijn eigenwaarde. En dat gebeurt zonder dat we het willen. We worden meegesleurd door zo’n verontwaardigingsstorm, we voeden hem zonder te beseffen wat er gaande is. Even worden we ‘bezeten’ door de kwaadaardige geest die zijn intrek heeft genomen in ons brein en zich nu ook een weg baant naar ons hart. Telkens er zo’n storm van verontwaardiging opsteekt, telkens er iemand gelyncht wordt, dringt hij wat dieper in ons door en neemt bezit van ons. Als een koekoeksjong dat we zelf voeden, werkt hij ons langzaam maar zeker ons eigen nest uit. En wanneer hij eenmaal dat rijk voor zich alleen heeft, kan hij met ons doen wat hij wil, want we beseffen het toch niet. 

Dat is de reden waarom de zogenaamde Syriëstrijders, de jongens die voor de Islamitische Staat de gruwelijkste misdaden plegen, er op foto’s altijd zo kinderlijk onschuldig uitzien: zij zijn zich van geen kwaad bewust. Al die misdaden plegen ze immers niet zelf, het is iemand anders die dat doet. Zelf staan ze … een sigaretje te roken op de gang. Ze hebben geen zorgen meer, ze zijn bevrijd van alle verantwoordelijkheid, ze zijn … in de hemel. En wat er in de hel gebeurt, dat wil zeggen op aarde, door hun eigen toedoen, daar weten zij niks van. We kunnen ons dat niet voorstellen omdat we … niet denken, omdat de geest die hén (helemaal) in bezit heeft genomen reeds meester is in ons brein. Anders zouden we duidelijk zien wat voor perverse gedachten iemand als Orhan Agirdag rondstrooit. We zouden zien dat hij op geestelijk vlak doet wat de Syriëstrijders op fysiek vlak doen. En we zouden ook begrijpen dat de man zich eveneens van geen kwaad bewust is. 

Hij leeft – zoals zijn ontelbare schrijvende collega’s – in de overtuiging dat hij een vrijheidsstrijder is die vecht tegen racisme, discriminatie, ongelijkheid, kortom tegen alles wat deel uitmaakt van de condition humaine, van het leven op aarde, van het leven in een lichaam. Zijn strijd is dezelfde als die van de Syriëstrijders van de Islamitische Staat, alleen wordt hij hier via het denken gevoerd en in het Midden-Oosten via het lichaam. Maar beide strijdperken weerspiegelen elkaar. Wat ginder gebeurt, gebeurt ook hier. Dat is het slechte, maar tegelijk ook het goede nieuws. Want we hoeven geen zware wapens naar het Oosten te sturen om de Islamitische Staat te bevechten, we kunnen dat ook hier doen, door de geestelijke wapens op te nemen, door na te denken. Hier gaat het niet om het heroveren van bezet land, maar om het heroveren van ons bezet brein. Met iedere denkinspanning die we leveren, ook de kleinste, veroveren we weer een beetje terrein op de geest waarvan we ‘bezeten’ zijn. 

De kranten en de media zijn daarvoor een uitstekend ‘slagveld’ want hier laat de vijand zich zien, hier gaat hij in de aanval. Het is niet eens zo moeilijk om hem te ontwapenen, want hij wordt steeds driester en roekelozer. Een artikel als dat van Orhan Agirdag is werkelijk van de pot gerukt. Ik denk dat ze dat bij de krant hebben ingezien, want ze hebben het vlug van de website verwijderd. Oei, zullen ze gedacht hebben – lees: zal de bezettende geest gedacht hebben – hier hebben we ons bloot gegeven! Even gas terugnemen! Maar ze zullen het opnieuw doen, en daarvan kunnen we profiteren: door na te denken, door nuchter en rationeel na te denken. Daarvan gaat letterlijk én figuurlijk een bevrijdende werking uit. Zo gaat het toch ook bij de dokter? Van zodra we weten waaraan we lijden, van zodra de ziekte gediagnosticeerd is, voelen we ons al een stuk beter. Onze levensgeesten keren terug, de genezing is begonnen. 

De duivel met Beëlzebub uitdrijven

  

Toen ik jong was, was Godfried Bomans een begrip. Mateloos populair in Vlaanderen en Nederland. Vandaag: nagenoeg vergeten. Zou de jongere generatie ooit van hem gehoord hebben? Ik vraag het me af. Wat de man zo aantrekkelijk maakte, was natuurlijk zijn onnavolgbare gevoel voor humor. Het wemelt vandaag van de stand up comedians maar ik ken niemand die zelfs maar in de buurt van Bomans komt. Dat heeft natuurlijk ook wel te maken met zijn wezen: hij was enerzijds een onschuldig speels kind en anderzijds een zeer wijze en ernstige oude man. Kom daar vandaag nog maar eens om! 

Ik trok onlangs op goed geluk het boekje ‘Beminde Gelovigen’ uit m’n kast. Het is een verzameling stukjes of columns die Godfried Bomans schreef over het katholieke leven, want hij was zelf een gelovig katholiek, zij het niet zonder (naar verluidt diepe) twijfels. Toen ik het boekje, dat dateert uit 1970, opensloeg viel m’n blik op de titel ‘Over fanatisme’. Het gaat over het Pater Roothaan Genootschap ‘dat zich ten doel stelt de devotie tot pater Roothaan te bevorderen en tevens ijvert voor zijn zaligverklaring te Rome.’ Met zo’n begin verwacht je natuurlijk een zeer ironische beschouwing over dit anachronisme, geheel in de stijl van Godfried Bomans, maar die komt er niet. Integendeel, Bomans is zeer ernstig. Hij neemt de verdediging van dit Genootschap op zich tegenover iemand die zich opwindt over het periodiekje dat hij toegestuurd kreeg met een kleine bloemlezing van gebedsverhoringen: ‘Als u nog één keer zo’n infantiel blaadje over pater Roothaan durft uit te geven, dan stuur ik het regelrecht naar Godfried Bomans en kunt u een vernietigend artikel van zijn hand verwachten! U heeft er geen idee van hoe er door ontwikkelde katholieken de spot met dit soort fanatisme gedreven wordt. En wat pater Roothaan betreft, zulke pamfletten doen hem alleen maar de das om.’

In plaats van een vernietigend artikel te schrijven, wijdt Godfried Bomans eerst een beschouwing aan de heiligenverering. Een ‘grootse conceptie’ noemt hij dat. En dan vervolgt hij: ‘Intussen is het niet mijn bedoeling dit idee hier te verklaren of toe te lichten. Waar het mij nu om gaat is het signaleren van een gevaar. Dit gevaar is de intolerantie.’ Duizenden mensen geloven in de voorspraak van pater Roothaan. Ze geloven dat hij nog altijd werkzaam is. ‘Is iemand daarom belachelijk? Ik begrijp dit niet. Men kan natuurlijk van mening zijn dat een gestorvene geen enkele activiteit meer ontplooien kan. Het is echter verkeerd om hieraan de overtuiging te koppelen dat deze mening superieur zou zijn, want dát doet men toch als men het woord ‘infantiel’ in de mond neemt. De denkfout die hier gemaakt wordt is dat men twee opvattingen, die geen van beide bewijsbaar zijn, in een wetenschappelijke rangorde zet. Is die vergissing eenmaal gemaakt, dan begaat men een tweede, ditmaal een fout in goede manieren. Men meent het recht te hebben zich over die ‘mindere’ overtuiging geringschattend uit te laten. Ten slotte begaat men dan nog de onbehoorlijkheid om het stopzetten van publicatie te eisen met als stok achter de deur dat een bepaalde schrijver (die gemakshalve maar geannexeerd wordt) de zweep er eens over zal halen. Wat de man bestrijden wil is een bepaalde mening die hij uitdrukkelijk als fanatiek veroordeelt. Op zijn beurt valt hij dan in een verschrikkelijk fanatisme waarbij hij zelfs voor chantage niet terugdeinst. 

Ik vind het geval daarom zo verontrustend omdat ik het overal om me heen gebeuren zie. Wie stenen door ramen gooit en andersdenkenden molesteert, kan wel ménen dat hij het fascisme bestrijdt, in feite echter gebruikt hij de methode van zijn tegenstander. Wie voor een bepaalde vrijheid is en degene die daar wat genuanceerder over denkt uitjouwt en het spreken onmogelijk maakt, kan wel menen dat hij aan deze zijde van de barricade staat, in feite staat hij aan de overkant. Zo is het ook met de debatten over het geloof. Men wil een bepaalde bewustzijnsvernauwing of althans iets wat men daar voor aanziet eens krachtig openbreken. Het resultaat is een nieuwe vernauwing waarin bijna geen adem meer te krijgen is. Wat zulke mensen niet zien is dat ze bezig zijn de duivel met Beëlzebub uit te drijven. Je ziet allerwegen dit soort exorcisten druk bezig om met de karwats allerlei demonen te lijf te gaan en wat je ten slotte overhoudt zijn nieuwe bezetenen, zeven maal erger dan de eerste.’

To zover Godfried Bomans.

Wat mij treft in deze tekst, naast het heldere denken en de voortreffelijke verwoording, is de actualiteit ervan. Bomans beschrijft zaken die 45 jaar geleden blijkbaar al gangbaar waren. Ik was toen 15 jaar, las Tsjechow en had geen flauw benul van wat er in de buitenwereld gaande was. Het interesseerde me ook totaal niet. In de krant las ik alleen Suske en Wiske en de Rode Ridder. Maar blijkbaar was de ‘bezetenheid’ – en dat woord is goed gekozen – die dezer dagen zo’n schrikbarende vormen aanneemt, toen reeds volop aan de gang. Een mens vraagt zich af of ze, sinds de Grote Oorlog, ooit wel weg is geweest. Het siert Godfried Bomans alleszins dat hij er – zonder een spoor van ironie – tegen in het gelid treedt. We missen mensen zoals hij. 

Goethe und kein Ende

  

Ik denk er nu pas aan, maar gisteren was het de verjaardag van Goethe en het toeval wil dat ik uitgerekend dán ben beginnen lezen in de nieuwe biografie die Rudiger Safranski over hem geschreven heeft. Ik ben eens benieuwd! Het begint in ieder geval veelbelovend. Goethe, schrijft Safranski, was ten diepste verbonden met het maatschappelijke en culturele leven van zijn tijd, maar hij verstond de kunst een eenling te blijven. Hij huldigde het principe slechts zoveel wereld in zich op te nemen als hij kon verwerken. Waar hij niet op de een of andere manier productief kon op antwoorden, dat ging hem niets aan. Met andere woorden: hij kon wonderbaarlijk goed dingen links laten liggen. 

Het (dikke) boek eindigt ook goed, namelijk met een citaat van de 62-jarige Goethe: ‘Ik herinner mij een verwijt dat een jeugdvriend me ooit maakte en dat mijn ijdelheid streelde. Hij zei dat ik beter leefde dan schreef. Het zou me heel wat waard zijn als dat nog altijd zo was.’

Als de rest van het boek even actueel is als dit begin en dit einde, dan is Goethe de afgelopen 2oo jaar geen dag ouder geworden. 

Zwarte Piet voelt zich gekwetst

  

De Nederlandse overheid, zo lees ik in de krant, moet zich actief inzetten om Zwarte Piet tijdens het Sinterklaasfeest aan te passen. Dat is de conclusie van het VN-comité rassendiscriminatie. Zelfs een diepgewortelde culturele traditie rechtvaardigt geen discriminatoire praktijken en stereotypen, aldus dat comité. Het roept de Nederlandse overheid dan ook op om actief campagne te voeren tegen die kenmerken van Zwarte Piet die negatieve stereotypen reflecteren en door veel mensen van Afrikaanse afkomst worden ervaren als een overblijfsel van de slavernij.

Hier worden de zaken duidelijk uitgesproken: de Nederlandse overheid moet actief campagne voeren tegen haar eigen bevolking. Want die houdt vast aan de traditie van het Sinterklaasfeest en een onderdeel daarvan, Zwarte Piet dus, is kwetsend voor zwarte immigranten. Onzin natuurlijk. Want als dat laatste een argument zou zijn, dan kunnen we meteen ook het beroep van schoorsteenveger verbieden. Zwarte Piet is evenmin bedoeld om zwarten te kwetsen als het vegen van schoorstenen dat is. Nu beweren zwarte immigranten dat Zwarte Piet hen herinnert aan de tijd van de slavernij. Of dat zo is, durf ik sterk te betwijfelen. Zwarte immigranten hebben wel andere dingen aan hun hoofd, lijkt me, dingen die héél wat kwetsender zijn dan ‘herinneringen’ uit een verleden dat ze zelf niet meer hebben meegemaakt. Maar stel dat ze zich wél gekwetst voelen, waarom zou hun gekwetstheid dan zwaarder wegen dan die van de plaatselijke bevolking? Want die kan door de aanwezigheid van zwarte immigranten ook ‘herinnerd’ worden aan de tijd toen blanken als slaven naar Afrika werden gevoerd. En er zijn méér blanken als slaven naar Afrika gevoerd dan omgekeerd. Maar daar hoor je natuurlijk nooit over spreken …

Als we gekwetse gevoelens gaan beschouwen als een argument om tradities te veranderen, dan kunnen de Nederlanders ook gaan pleiten voor het veranderen van de (oude) traditie van het gastvrij ontvangen van vluchtelingen en asielzoekers. Ze kunnen dan argumenteren: al die zwarte immigranten in ons land herinneren ons pijnlijk aan de tijd toen blanken tot slaaf werden gemaakt en naar Afrika gevoerd. Onzin natuurlijk! Maar niet méér dan de onzin van zwarte immigranten die door Zwarte Piet (of andere schoorsteenvegers) pijnlijk herinnerd worden aan de tijd toen zwarten tot slaaf werden gemaakt. 
Je voelt meteen dat die Zwarte-Pietdiscussie eigenlijk een machtsstrijd is, een strijd tussen de overheid en haar bevolking, die op haar beurt strijd tegen een nog grotere overheid. Het is kortom een strijd tegen de zeggenschap van het volk, een strijd tegen de democratie, een strijd tegen de hele mensheid eigenlijk. En die strijd is duidelijk niet aan ras gebonden want zwarte immigranten doen er vrolijk aan mee, zoals kunstenaar Quincy Gario, die in dezelfde krant mag komen vertellen hoe hij met de dood bedreigd wordt omdat hij ageert tegen Zwarte Piet. Het is een tragisch voorbeeld van hoe allochtonen en autochtonen tegen elkaar worden uitgespeeld en hoe kunstenaars daarbij het voortouw nemen. Kunstenaars en overheid: één in hun acties tegen het volk. Kunst als wapen tegen de democratie. Kan het nog tragischer?

Philostratus

  

Wie schilderkunst minacht, is onrechtvaardig tegenover de waarheid. (Philostratus, Imagines, boek I)

De vrolijke professor

  

Dit is Prof. Dr. Wouter Duyck, hoofd van de afdeling cognitieve psychologie aan de Universiteit van Gent. De man toont ons waarom de ziekte die onze intellectuelen aangetast heeft zo gevaarlijk is: hij ziet er namelijk zo … gezond uit. Dit is geen dorre professor die de meest wereldvreemde ideeën uitbroedt in zijn hoofd, nee dit is een levensgenieter, een man van de wereld, een gezellige kerel waarmee je een pint kunt gaan pakken en eens goed doorzakken. De onschuld zelve!

Maar wat schrijft deze vrolijke Hans in de krant? Hij reageert op het artikel waarin Ömer Baydur het racisme in het Vlaamse onderwijs aanklaagt. Beweert hij dat deze Turkse vader uit zijn nek kletst? Neemt hij het op voor zijn collega’s uit het onderwijs? Niets van dat alles. Nee, hij heeft een remedie gevonden voor het probleem van migrantenkinderen die geen Nederlands spreken of om een andere reden achterop raken: stuur ze vroeger naar school! 

‘Hoe vroeger men investeert, schrijft hij, hoe groter de opbrengst: investeringen in driejarigen zijn veel effectiever dan die in zesjarigen. Een paar uur per dag intensieve onderwijsopvolging levert verbluffende resultaten op: hogere intelligentiescores, minder bijzondere onderwijsnoden, meer hoger onderwijs, hogere salarissen en huisbezit. Voor de samenleving: minder uitkeringen en criminaliteit, meer belastinginkomsten. Nobelprijswinnaar James Heckman berekende dat elke euro gespendeerd aan een vierjarige tot 300 euro opbrengt wanneer die 65 wordt. Dat betekent een jaarlijks rendement van 7 à 10 procent!’

De vrolijke professor is dus eigenlijk een kille boekhouder. Hij berekent hoe kinderen het minst kosten en het meest opbrengen: door ze zo vlug mogelijk in handen van vadertje Staat te geven. Hoe vroeger kleuters naar school gaan, des te beter. Het ‘taalbad’ dat ze daar krijgen, doet de sociale ongelijkheid sterk verminderen en de opbrengst sterk vermeerderen. En natuurlijk kunnen gekleurde kindjes niet vroeg genoeg horen hoe slecht blanke kindjes wel zijn. Ook dat zal de kosten ongetwijfeld sterk terugdringen. Maar dat zegt de professor er natuurlijk niet bij. Dat denkt hij alleen maar. Of zelfs dat niet. Het spreekt immers vanzelf. 

Het kwaadaardige hoofd

  

In De Morgen lees ik een artikel met als kop: ‘Vlaanderen zal mijn kinderen nooit accepteren.’ De woorden komen uit de mond van Ömer Baydur, een Turkse vader volgens wie zijn dochtertje niet dezelfde kansen krijgt als haar Vlaamse klasgenootjes. Het lijkt wel, zegt hij, of de Vlamingen niet willen dat we aan de universiteit of in een hogere klasse terechtkomen. Toe maar! De man is nog maar pas in ons land – zijn oudste kind zit in de kleuterklas en spreekt geen Nederlands – maar hij heeft al een grote samenzwering ontdekt: de Vlaamse leerkrachten proberen migrantenkinderen de toegang tot het hoger onderwijs te versperren en ze beginnen daarmee al in de kleuterklas. Wat een schaamteloze onzin! Is deze man eigenlijk wel goed bij zijn hoofd? Welke migrant zet nu voet aan wal in een vreemd land en begint meteen de plaatselijke bewoners te beschuldigen van racisme en discriminatie! Dat gaat tegen alle logica in. Tenzij men het deze man natuurlijk ingefluisterd heeft, tenzij hij gewoon nazegt wat men hem heeft voorgezegd. 

Maar wie doet zoiets? Wie maakt een migrant wijs dat hij meteen ‘racisme!’ moet beginnen roepen? Zijn landgenoten? Waarom zouden ze dat doen? Ik kan me daar wel iets bij voorstellen. Wie naar een vreemd land emigreert, moet daar zijn plaats zien te veroveren. Dat doe je door je aan te passen, door de plaatselijke verhoudingen te leren kennen, door gebruik te maken van de mogelijkheden die je nieuwe vaderland je biedt. En laat één van die mogelijkheden nu juist zijn dat de plaatselijke bewoners bevriezen als je ze van racisme beschuldigt. Dat is natuurlijk niet iets wat je wilt doen, je bent tenslotte geen barbaar, maar het is wel verleidelijk. Bovendien zijn er zoveel immigranten dat het vechten is om een plaats, en wat doe je dan? Je gebruikt de wapens die je hebt, en iemand beschuldigen van racisme blijkt algauw bijzonder effectief te zijn. Van het een komt het ander en na een tijdje wordt het een gewoonte om ‘racisme!’ te roepen als er een probleem is of als je iets wilt bekomen. Uiteindelijk ga je zelf geloven dat racisme je grootste vijand is, want er wordt overal met zoveel afschuw over gesproken dat je zijn bestaan niet meer durft te ontkennen. Heel wat collega’s-immigranten hebben het trouwens ver geschopt in de strijd tegen die vijand. Ze verwachten dat je solidair bent, en je wilt toch geen verrader zijn?

Zo stel ik mij voor dat het gegaan is met Ömer Baydur. Een andere verklaring zie ik niet, tenzij ik natuurlijk moet geloven dat het onderwijs in dit land zo discriminerend is dat zelfs de kleuterjuffen racisten zijn. Ik kan trouwens ook niet geloven dat alle immigranten dat geloven. Ze kunnen toch niet allemáál zo dom zijn? En toch komen er in de kranten alleen maar mensen als Ömer Baydur aan het woord, immigranten die de mond vol hebben over het racisme en de discriminatie waar ze in Vlaanderen mee te maken krijgen. Anderen hoor je niet. Het is alsof er in ons land geen enkele immigrant woont die dankbaar is voor de kansen die hij hier gekregen heeft en die blij is dat hij hier is komen wonen. Dat kan en dat wil ik niet geloven. Ik zou me trouwens bijzonder racistisch voelen als ik dat wel zou doen. 

Dus blijft er maar één mogelijkheid over: de kranten selecteren de migranten. Alleen degenen die bereid zijn de Vlamingen uit te schelden voor racisten krijgen het woord. De anderen komen er niet in. Het is geen aangename conclusie. Maar wat is het alternatief? Dat er in het onderwijs een grote samenzwering bestaat die migrantenkinderen wil beletten om hogerop te komen en aan de armoede te ontnappen? Dat Vlamingen rabiate racisten zijn die iedere migrant het leven zuur maken en zo achterlijk zijn dat ze dat het niet eens beseffen? Dat er goede en slechte Vlamingen zijn, verdorven racisten en idealistische antiracisten? Dat de goede Vlamingen goed zijn omdat ze de slechte Vlamingen slecht noemen?

Ik weiger niet alleen die onzin te geloven, ik ben er ook van overtuigd dat het niet waar is. Het zijn groteske leugens en bijgevolg kan ik niet anders dan concluderen dat de kranten, de media en de leidende intellectuelen in dit land verdeeldheid willen zaaien. Door alleen maar migranten aan het woord te laten die de Vlamingen uitschelden, willen ze autochtonen en allochtonen tegen elkaar opzetten. Want het is bijzonder moeilijk om als Vlaming dag in dag uit beschuldigd te worden door allochtonen zonder een hekel te krijgen aan die allochtonen. En omgekeerd is het als allochtoon waarschijnlijk ook moeilijk om geen hekel te krijgen aan Vlamingen als je dag in dag uit leest en hoort op wat voor schandalige manier ze je discrimineren. Ik kan ook niet geloven dat de media dat niet inzien. Het kleinste kind begrijpt dat het zo werkt. En toch doen ze het, dag in dag uit, al tientallen jaren lang. Ze stoken ruzie, ze zetten mensen tegen elkaar op, ze maken mensen bang voor elkaar. Kortom, ze zaaien haat, om het eens met hun eigen woorden te zeggen. 

Ze doen dat trouwens niet alleen door middel van artikels over racisme. Het gestook is een tweede natuur geworden, het is doorgedrongen tot hun taalgebruik. De meest onnozele nieuwsfeiten worden op zo’n manier gebracht dat ze emoties doen oplaaien. Is iemand het niet eens met een ander, dan ‘haalt hij snoeihard uit’. Rijdt iemand tegen een boom, dan ‘knalt’ hij ertegenaan. Krijgt iemand kritiek, dan ‘haalt hij zich de woede op de hals’. Het is altijd hetzelfde mechanisme: overdrijven, opblazen, dramatiseren en ten slotte demoniseren. Natúúrlijk zijn er wrijvingen en problemen tussen autochtonen en allochtonen, dat spreekt. Maar om daarvan te maken dat Vlamingen vuige racisten zijn en dat immigranten in dit land op schandalige manier gediscrimineerd worden: dat is een misdadige overdrijving en dramatisering. 

De media stoken ruzie, ze zaaien haat, ze creëren chaos. Het is niet alleen een akelige conclusie, het is ook een ongeloofwaardige conclusie. Want waarom zouden ze dat doen? Wat hebben ze daarbij te winnen? Doen ze niet juist hun uiterste best om onrecht aan te klagen, om haatzaaierij te bestrijden, om op te roepen tot vrede en solidariteit? En getuigt het dus niet van een verknipte en kwaadaardige geest om hen uitgerekend van die zaken te betichten? Maar opnieuw: wat is het alternatief? Moet ik dan echt geloven dat Vlamingen een kwaadaardig volk zijn dat ondanks alle bewijzen en waarschuwingen de immigranten als honden blijft behandelen? En moet ik geloven dat die immigranten al even kwaadaardig zijn, want ze blijven maar blaffen en bijten in de hand die hen voedt? Moet ik met andere woorden geloven dat alle mensen kwaadaardige wezens zijn, behalve dan degenen die dat geloven?    

Ik sta dus voor de keuze: als ik niet racistisch wil zijn, als ik immigranten niet wil beschouwen als ondankbare honden die alleen maar kunnen blaffen en bijten, dan moet ik de media beschouwen als … ondankbare honden die alleen maar kunnen blaffen en bijten. Als ik een beschaafd mens wil blijven die zijn medemensen er niet van verdenkt kwaadaardig te zijn, dan moet ik de journalisten en intellectuelen die de media bevolken ervan verdenken kwaadaardig te zijn. Want is het niet bijzonder doortrapt om in naam van de vrede oorlog te zaaien, om in naam van de menselijkheid haat te zaaien, om je als beschaafd voor te doen door mensen af te schilderen als honden? Is dat niet van een wraakroepende schijnheiligheid waartegenover je alleen maar verontwaardiging kunt voelen? Maar juist door die vanzelfsprekende reactie doe ik net hetzelfde als degenen waar ik zo verontwaardigd over ben. 

Ik kan natuurlijk ook niet kiezen. Ik kan besluiten om géén kranten meer te lezen. Ik kan mijn gevoelens van afkeer en verontwaardiging over hun geraffineerde oorlogspropaganda (want daar komt het tenslotte op neer) onderdrukken en op die manier voorkomen dat ik in een cul de sac terechtkom waar het niet uitmaakt wat ik kies omdat het toch op hetzelfde neerkomt: andere mensen kwaadaardig vinden. Maar wat blijft er nog van me over als ik niet eens meer verontwaardigd kan worden over de kwaadaardige geest die dagelijks via de media zijn smerige leugens verspreidt? Wie ben ik nog als het kwaad mij onverschillig laat en ik voor de grootste smeerlapperijen alleen maar de schouders ophaal en denk: après moi le déluge?

Nee, dat kan ik niet zomaar laten passeren. Ik moet iets doen als ik ’s morgens nog in de spiegel wil kunnen kijken. Maar wat? Als ik me laat meesleuren door mijn verontwaardiging over de media, dan doe ik precies hetzelfde als zij: ik ga mijn medemensen – in dit geval de journalisten – ervan verdenken kwaadaardige wezens te zijn. Want ik kan me echt niet voorstellen dat ze niet weten wat ze doen. Daarvoor zijn ze te intelligent, te onderlegd, te ontwikkeld. Maar ik kan me evenmin voorstellen dat ze het wél weten, en dat ze doelbewust afsturen op een burgeroorlog tussen Vlamingen en immigranten, op een totale destabilisering van de maatschappij. Want waarom zouden ze dat doen? Ze zouden er zelf het slachtoffer van worden! En dus rijst de vraag wat er met deze mensen aan de hand is. Wat scheelt er met de media, met de journalisten, met de intellectuelen? Aan welke kwaadaardige ziekte lijden zij? 

Ik kan die vraag ook nog anders stellen: aan welke kwaadaardige ziekte lijden wij? Want we worden allemaal door die ziekte geïnfecteerd, of het het nu willen of niet. We kunnen er ons eenvoudigweg niet aan onttrekken. Ze splijt de wereld in twee en zet beide delen ertoe aan elkaar te haten, te bevechten en te vernietigen. Dat is de ziekte die wij onder de leden hebben en die zich als een kanker steeds verder in ons uitzaait, zonder dat we het beseffen. Nochtans is er niks mis met onze instincten, er is zelfs niks mis met onze gevoelens, wat dat betreft zijn we zelfs menselijker dan ooit. Maar er is iets heel erg mis met ons hoofd en dat zien we gespiegeld in onze kwaadaardig geworden intellectuelen. Zelf kunnen ze dat niet zien, juist omdat het werktuig waarmee ze het zouden kunnen zien – hun brein – ziek is. En dus moeten we het zelf doen: we moeten op een klinische, zakelijke manier naar onze intellectuelen kijken, naar ons eigen denken, ons eigen hoofd. En dat kunnen we niet met dat hoofd doen, we moeten het met ons hart doen, een hart dat zich niet laat meeslepen door zijn verontwaardiging over dat hoofd, maar dat zelf leert denken. 

Subsidies en andere nonsens

  
Hierboven ziet u een aantal kunstenaars die – zoals het kunstenaars past – op een originele manier protesteren tegen het snoeien in de kunstsubsidies. ‘Het water staat ons aan de lippen’, geven ze met deze performance te kennen. Vandaag krijgen ze in de krant steun van Elke Wambacq, die iets doet in de management consultancy business. Ze schrijft onder meer:

‘Als ik het rapport nakijk over het inkomen van de kunstenaars, dan moet ik met scha en schande vaststellen dat mijn eigen inkomen een veelvoud is van wat de gemiddelde kunstenaar verdient. Waarom zijn ze minder waard dan ik? God mag het weten… En nu is er gedoe met de subsidies. Een kleine vijver waar kunstenaars allemaal samen in gaan vissen en zich bovendien moeten ontpoppen als bureaucraat. Ik daag elke sterveling uit om eens een subsidiedossier op te maken en in te dienen. Pagina’s vol zeveren over het belang van het project en proberen al die criteria stap voor stap te verantwoorden en te motiveren. Mensen die gewoon zijn om te communiceren in beeld en geluid krijgen over het algemeen een aantal grijze haren erbij om zich in te leven in het kluwen die de overheid aanbiedt. Zo moet je eens aan een kunstenaar uitleggen dat een subsidie aanvragen bij de Vlaamse Gemeenschapscommissie énkel geldt in Brussel. Neem zeven tassen koffie en een fles whisky erbij om dit te overleven. De reden waarom de 400 kunstenaars uit hun krammen schieten, is natuurlijk dat vreselijke gevoel van onrechtvaardigheid dat hen overvalt. Positief beoordeelde dossiers worden negatief. De transparantie is op de één of andere manier verdwenen en er komen verdenkingen dat er in de jury mensen zitten die graag geel zien en jij, met je blauwe kleur, niet in de smaak valt. Gevoelens van willekeur.’

Elke heeft duidelijk sympathie voor kunstenaars. Ze vindt kunst ook heel belangrijk, want ze heeft het succes in haar job te danken aan de kunst. ‘Geen enkel managementmodel’, schrijft ze, ‘krijg ik uitgelegd zonder inspiratie op te doen in de schilderkunst, het theater of de fotografie. Al mijn Powerpoints zijn doordrongen van beelden die meer zeggen dan woorden. Filmpjes die al dan niet professioneel zijn gemaakt, worden gebruikt om verhalen te vertellen en te illustreren wat bijvoorbeeld leiderschap is of hoe een strategie van een bedrijf tot stand komt. We huurden een tekenaar in om een aantal van onze modellen te tekenen zodat het toegankelijk is. Kunst is communicatie. Cultuur is de voedingsbodem van ons bestaan.’

Wie zou ze met ‘ons’ bedoelen, vraag ik me af. De managers en bedrijfsleiders? Zonder dat ze het beseft, schetst Elke Wambacq de situatie van de kunst: enerzijds het slaafje van het bedrijfsleven, dat ‘kreatievelingen’ (zo worden ze daar genoemd) nodig heeft om haar commerciële of ideologische boodschap verkocht te krijgen, anderzijds het slaafje van de overheid die bepaalt wie subsidies krijgt en wie niet. In geen van beide vormen van slavernij ziet la Wambacq graten. Dat kunstenaars zich moeten lenen om Powerpointpresentaties op te leuken, vindt ze geheel vanzelfsprekend, en dat ze door de overheid gesubsidieerd moeten worden, vindt ze niet meer dan normaal. Maar … wat is dan haar probleem dan? Waar gáát dit stuk eigenlijk over?

‘Er zijn een aantal basiselementen’, schrijft ze, ‘waar een overheid nooit mag falen: mensen op een objectieve, transparante en gelijke manier behandelen. Elk systeem dat dit op de één of andere manier ombuigt is tegelijk ook een vloek uitspreken in de democratie. Het is duidelijk dat er veel werk is aan de winkel om kunstenaars niet te behandelen zoals paria’s. Ze verdienen respect en een gelijke behandeling op onze economische ladder.’

Wat Wambacq stoort is – blijkbaar – de ongelijke behandeling, de onrechtvaardigheid, de willekeur, het gebrek aan transparantie en objectiviteit bij de toekenning van subsidies. Maar wat stelt ze zich eigenlijk voor bij een objectieve, transparante en rechtvaardige verdeling van subsidies? Zou ze daar eigenlijk al eens over nagedacht hebben? Want al die protesterende kunstenaars die ze een hart onder de riem wil steken, zijn kunstenaars die dit jaar geen subsidies meer krijgen en er vorig jaar dus wel gekregen hebben. Ze behoren met andere woorden tot de happy few die voor subsidies in aanmerking komen. Maar hoe zit het dan met de kunstenaars die nooit subsidies krijgen en die daar niet eens kúnnen tegen protesteren omdat ze eenvoudig niet als kunstenaars worden beschouwd. 

Het zijn vandaag immers het bedrijfsleven (vooral dan de kunsthandel) en de overheid die bepalen wat kunst is en wie kunstenaar is. Hoe doen ze dat? Welke criteria hanteren ze daarvoor? Alleszins geen objectieve criteria, want die zijn in onze postmoderne tijd afgeschaft. Net zoals de waarheid is ook de schoonheid een volkomen subjectieve en dus relatieve aangelegenheid geworden. Wat kunst is, wordt door middel van consensus vastgesteld. Maar zo’n consensus of afspraak verandert natuurlijk wanneer de samenstelling van ‘de jury’ verandert. En laat dat nu juist het probleem zijn! De protesterende kunstenaars verdenken de jury er namelijk van liever geel dan blauw te zien. Zolang de jury blauw prefereerde, protesteerden ze niet, want dan vielen ze in de prijzen. Maar nu de smaak van de jury naar geel neigt en ze uit de boot dreigen te vallen, maken ze luid misbaar in naam van de kunst, in naam van de cultuur, in naam van de samenleving. Terwijl het enkel en alleen om hun eigen hachje gaat. Diezelfde schijnheiligheid kenmerkt ook Elke Wambacq. Ze beweert in naam van de kunst en de kunstenaars te spreken, maar eigenlijk maakt ze zich alleen zorgen om haar Powerpoints, om haar eigen carrière. 

Het is deze schijnheiligheid die steeds meer mensen tegen de borst stoot en die hen doet denken: wat kunnen mij die kunstenaars schelen! Ik ben zelf kunstenaar, maar als ik de foto hierboven zie, denk ik bij mezelf: nog even volhouden jongens en meisjes, straks is het vloed en dan zijn alle problemen opgelost! Ik voel niet de minste solidariteit met die gesubsidieerde en officieel erkende kunstenaars die zelf geen ene moer geven om (letterlijk en figuurlijk) andere kunstenaars. En dat is in wezen tragisch, want in feite zitten ze allemaal in hetzelfde bootje: ze vechten om te overleven. Maar die zo nodige solidariteit (waarin kunstenaars trouwens nooit uitgeblonken hebben, om het zacht uit te drukken) kan er nooit komen zolang de overtuiging heerst dat kunst een louter subjectieve aangelegenheid is die alleen door middel van consensus kan beoordeeld worden. Dat is de wortel van het kwaad dat de kunstwereld momenteel met zoveel geweld treft. En zolang die wortel niet wordt uitgetrokken, zullen kunstenaars zoveel mogen protesteren als ze willen, ze hebben geen poot om op te staan. 

Het enige wat een eind kan maken aan dit beschamende bedelen om subsidies is het gewaarborgd basisinkomen, niet alleen voor kunstenaars, maar voor iederéén. Want tenslotte is ieder mens vandaag geroepen om een kunstenaar te worden en dat kan hij niet zolang hij de slaaf is van overheid en/of bedrijfsleven. Een kunstenaar moet vrij zijn, en dat is hij alleen wanneer hij zich geen zorgen hoeft te maken over zijn materiële bestaan. Het recht op dat bestaan moet even objectief zijn als het wezen van de kunst. Het mag evenmin afhankelijk zijn van een consensus van mensen die onder elkaar beslissen of iemand kunstenaar mag zijn, of iemand recht van bestaan heeft. Want wie gaat in de jury zitten? Wie gaat bepalen of andere mensen mogen leven en werken? Een bedrijfsleider? Een minister? Elke Wambacq? 
  

(Elke Wambacq)

Rubens en Lier

Van Rubens gesproken! Die is alvast in Lier geboren. Zelfs zonder advocatenstreken valt dat gemakkelijk te bewijzen. Rubens’ moeder, Maria Pijpelinckx, was van Lier. Haar ouders woonden daar en hadden er heel wat grond. Ze was getrouwd met de vader van Rubens, die schepen in Antwerpen was, maar met vrouw en kinderen naar Duitsland moest vluchten, waar hij in Siegen werd opgesloten. Zijn zwangere vrouw trok naar Antwerpen om de in beslag genomen goederen terug te krijgen. Maar dat liep niet van een leien dakje en intussen moest ze bevallen. Maar waar? Zeg nu zelf mevrouw, wat zoudt ge doen als ge in Antwerpen ronddwaalde van de ene advocaat naar de andere, zonder huis, zonder have en goed, en bovendien ook nog eens scheef bekeken werd wegens het activisme van uw man? Wat zoudt ge doen als ge moest bevallen en uw ouders woonden in Lier, drie uur daar vandaan? Ik weet het en gij weet het ook: naar uw ouders gaan, nietwaar? En ge zoudt gelijk hebben! 

Het is bij haar ouders ook dat haar kindje Clara een jaar later gestorven is. En wat nog zekerder is: Rubens’ moeder, die in Antwerpen geen huis meer had, heeft haar zaken geregeld vanuit Lier, waar ze bij haar eigen moeder woonde. Want vergeet niet, Antwerpen is maar een schoenmakersreis van Lier verwijderd, met een rijtuig een klein uurtje. En dus is het redelijk en menselijk te beweren dat Rubens in Lier geboren is. Er valt niet aan te twijfelen. 

(uit Schoon Lier van Felix Timmermans)