Nieuwe gevoelens (2)

door lievendebrouwere

  

Twee weken is het nog maar geleden dat ik in Frandeux was, op de antroposofische zomeruniversiteit, en toch lijkt het alweer een eeuwigheid geleden. Het verschil tussen die week en het gewone leven (zelfs al is dat een vakantieleven) is zo groot dat het irreëel wordt. Wat hebben die twee werelden met elkaar te maken, vraag je je af. Horen ze eigenlijk wel samen? Of kan de antroposofie alleen bestaan op een eiland, ver verwijderd van de moderne beschaving? Frandeux was inderdaad een eiland, een chateau omringd door bossen waar een diepe stilte heerste. De drukke moderne wereld was ver weg, je moest je nergens zorgen over maken en je kon je helemaal wijden aan ideeën, aan antroposofische ideeën, en dat zijn met voorsprong de meest interessante – en vooral de meest ware – die er momenteel bestaan. 

De gemeenschappelijkheid van die ideeën schiep een samenhorigheid die je in het gewone leven niet vindt. Maar die samenhorigheid was wel zeer kwetsbaar. Dat ondervond ik toen ik tijdens mijn tweede voordracht een poging deed om op een concrete manier de wereld – in dit geval de gezamenlijke uitstap van de vorige dag – als een kunstwerk te zien. Ik verliet even het zuiver intellectuele niveau en verbond het met de veel persoonlijker gevoelswereld. De reacties lieten niet op zich wachten: ik kreeg stevig weerwerk en sommige mensen konden er echt niet om lachen. Het bevestigde wat ik al wist: de stap van wetenschap naar kunst (of van hoofd naar hart) is heel erg groot. 

Toch kan echte samenhorigheid of broederlijkheid alleen ontstaan vanuit het hart. Voor echte gemeenschapsvorming zijn gemeenschappelijke ideeën niet genoeg, althans niet in hun abstracte, intellectuele vorm. Het moeten levende ideeën worden, hun objectieve aard moet verbonden worden met het subjectieve gevoel. Ze moeten met andere woorden geïndividualiseerd of gepersonaliseerd worden. En dat is precies wat in de kunst gebeurt. Antroposofie of geesteswetenschap komt maar echt tot leven – en wordt daardoor tot voedingsbodem van broederlijkheid – wanneer ze tot kunst wordt. Maar bij die grensoverschrijding ontmoet ze haar grootste vijand. 

Was het toeval dat ik hem tegenkwam vlak vóór ik naar Frandeux vertrok en daar die wonderlijke werkzaamheid bespeurde van een tegelijk gemeenschappelijke én individuele geest? Ik kwam de antroposofische ‘vijand’ paradoxaal genoeg tegen in Antroposofie Vandaag, het ledenblad van de Antroposofische Vereniging. In een column waarover ik het op 15 juli laatstleden reeds had, pleit Werner Govaerts voor het creëren van ‘nieuwe gevoelens’. Omdat hij daarbij de moderne kunst tot voorbeeld neemt, kan ik in dat ‘creëren’ niets anders zien dan het verkopen van je eigen ziel. Want dat is waar het in de moderne kunst op neerkomt: je moet je normale, spontane gevoelens (waar je eigen Ik in leeft) inruilen voor nieuwe, vaak tegengestelde gevoelens. De natuurlijke afkeer die je bijvoorbeeld voelt voor uitwerpselen en ander afval moet je niet alleen onderdrukken, maar ook nog eens vervangen door geestdrift en bewondering. Dat kun je volgens mij niet als je je eigen Ik niet aan de kant schuift. 

Dat is dus wat Werner Govaerts in Antroposofie Vandaag poneert als ideaal: antroposofen moeten hun eigen Ik inruilen voor een ander Ik, een nieuw Ik, een beter Ik. Waarschijnlijk is dat helemaal niet wat hij bedoelt, en hij zal wel verontwaardigd zijn als ik hem dit voor de voeten werp, maar dat neemt niet weg dat hij het wel degelijk zegt. Door de moderne kunst als voorbeeld te stellen, suggereert hij dat iedere antroposoof in staat moet zijn om – zoals een moderne kunstliefhebber – gevoelens van geestdrift, bewondering en liefde te ontwikkelen voor zaken waar hij normaliter afkeer voor voelt, zoals pispotten, kakmachines en verdroogde bananenschillen. Hij moet zich tegelijk ook aanwennen om afkeer te voelen voor iedere andersdenkende of andersvoelende. Zo gaat het namelijk in de kunstwereld van vandaag, daar kan iedereen zich proefondervindelijk van vergewissen. 

Op die manier drijft Werner Govaerts, waarschijnlijk zonder het te beseffen, een wig in de antroposofische beweging. Want als zijn ideeën ingang vinden – en ik vrees dat ze dat reeds doen – dan zullen ze in de antroposofische wereld dezelfde tweespalt veroorzaken die ze ook in de wereld van kunst en cultuur veroorzaakt hebben. Die wereld bestaat namelijk uit een kleine minderheid die de meest banale, krankzinnige of weerzinwekkende zaken bewondert en bewierookt, en een grote meerderheid die daar een diepe afkeer voor voelt. Maar hoe klein die minderheid ook is, ze bezit een enorme macht en ze slaagt erin de meerderheid zodanig te intimideren dat ze haar mond niet meer durft opendoen. Diezelfde tegenstelling ontwikkelt zich nu ook in de antroposofische wereld, vooral onder invloed van de charismatische Joseph Beuys. Heel wat antroposofen zijn wild enthousiast over deze hedendaagse kunstenaar en Werner Govaerts is hoogstwaarschijnlijk één van hen. 

Dat zou op zich niet eens zo’n probleem zijn als er binnen de antroposofische beweging nog kon gesproken worden over de rol die Joseph Beuys en de ‘hedendaagse’ kunst spelen. Immers, du choc des idées jaillit la lumière. Maar juist zo’n ‘lichtbrengend’ gesprek is niet langer mogelijk. Ik heb er althans nooit wat van gemerkt en alle pogingen die ikzelf in die richting heb ondernomen, zijn op niets uitgedraaid. Wat de moderne kunst betreft, is men in de antroposofie niet langer on speaking terms, voor zover men dat ooit geweest is. De tweespalt die de kunstwereld opgesplitst heeft in twee ‘delen’ waartussen geen enkel contact meer bestaat, manifesteert zich dus ook reeds in de antroposofische wereld. Men realiseert het zich alleen nog niet, want onder antroposofen gaat het er niet anders aan toe dan onder kunstenaars en kunstliefhebbers: niemand durft zich te verzetten tegen de kleine maar machtige elite van ‘ingewijden’. 

Deze uitverkorenen beschikken over het vermogen om hun gevoelens om te keren, en daar gaat een hypnotiserende werking vanuit. Enerzijds raak je onwillekeurig onder de indruk van het enthousiasme van deze mensen, en anderzijds voel je jezelf tekortschieten omdat je dat enthousiasme niet kan delen. Zij zien iets wat je zelf niet ziet, en daarvan raak je ongewild van je melk. Ze spreken over de kunstzinnige en spirituele dimensies van pispotten en bananenschillen alsof het de normaalste zaak van de wereld is, alsof iedereen die dimensies kan waarnemen. Wie dat niet kan, tja … die moet daar zelf maar de gepaste conclusie uit trekken. En die luidt natuurlijk dat de kunstkenners over hogere vermogens beschikken. Wie zou immers kunnen of durven vermoeden dat al die geleerde en beschaafde mensen enkel maar doen alsof! Van lieverlee ga je jezelf beschouwen als een ‘lager’ wezen dat niet in staat is ‘hogere’ vermogens te ontwikkelen, en daar loop je natuurlijk niet graag mee te koop. Dus peins je er niet over om de superioriteit van de ‘kenners’ in twijfel te trekken, vooral niet daar ze niet aarzelen om je met je neus op je eigen inferioriteit te duwen. 

Valt het te verbazen dat ook antroposofen door de knieën gaan voor de geest van de moderne kunst? Meer dan andere mensen zijn zij er namelijk van overtuigd dat alles in de wereld een geestelijke dimensie heeft en dat ze het vermogen moeten ontwikkelen om die dimensie waar te nemen. Hun bewondering voor mensen die reeds over dit hogere zintuig beschikken, is dan ook zeer groot, denken we maar aan de hoge status die Rudolf Steiner in antroposofische kringen bekleedt. Ook Joseph Beuys, de beroemde moderne kunstenaar die tegelijk ook antroposoof was en die duidelijk over ‘hogere vermogens’ beschikte, geniet groot aanzien in de antroposofische wereld, ondanks het buitenissige gedrag dat hij vertoonde. En via hem lijkt ook de moderne kunst steeds meer als lichtend voorbeeld te fungeren voor antroposofen, met name dan antroposofen die niet op een eiland wil leven maar de antroposofie midden in de moderne wereld willen plaatsen. 

Hieruit valt reeds op te maken hoe buitengewoon geraffineerd de Grote Vijand van de antroposofie is. Hij maakt namelijk gebruik van de beste menselijke eigenschappen, zoals het vertrouwen in de medemens en de wil om met hem in vrede te leven. Om in de antroposofische wereld te verdelen, speelt hij in op het streven om de antroposofie te verbinden met de moderne wereld. Wat Joseph Beuys zo aantrekkelijk maakt, is dat hij enerzijds een overtuigd antroposoof was en anderzijds volkomen thuis was in de wereld van vandaag. Hij was iemand die de kloof tussen beide overbrugd had en daardoor het antroposofische ideaal gerealiseerd had. Althans in abstracto, want niemand stelt zich de vraag hoe de zaken er in concreto voorstaan. Welke werking gaat er bijvoorbeeld uit van dit ‘gerealiseerde ideaal’? Niemand lijkt enig idee te hebben van de diepe tweespalt die de bewondering voor Joseph Beuys veroorzaakt in de antroposofische beweging.  

Die tweespalt blijft onopgemerkt omdat niemand deze Beuys-verering wil verstoren. Hoe kan men nu tegen deze verbinding van antroposofie en hedendaagse kunst zijn! Alleen wie daar toch vraagtekens bij plaatst, leert de geest kennen die zich achter die bewondering en geestdrift verbergt. En dat is bepaald geen prettige geest. Het is een geest die mensen radicaal uitsluit en hen zonder meer de toegang tot de antroposofische wereld ontzegt. Antroposofen die hun geschiedenis kennen, weten dat deze geest al lang werkzaam is in de antroposofische beweging. Ze weten ook dat hij de grootste vijand van Rudolf Steiner was, dat hij onmiddellijk na diens dood toegeslagen heeft en antroposofen tot het meest beschamende gedrag heeft verleid. Maar toch herkennen ze hem niet in zijn huidige ‘kunstzinnige’ gedaante, toch zien ze niet dat deze meest asociale – of beter gezegd: anti-sociale – geest ongestoord zijn gang gaat in de antroposofische wereld en die van binnenuit verlamt. 

Als ik mij afvraag wat mensen ten prooi doet vallen aan deze geest, dan kom ik uit bij het verlangen om ‘erbij te horen’. Het verlangen naar gemeenschap en broederlijkheid is de keerzijde van het moderne individualisme. Het is wat de mens zo kwetsbaar maakt voor deze kwalijkste aller geesten. Keer op keer heb ik met eigen ogen gezien hoe kunstenaars zich uit alle macht bleven verzetten tegen de verpletterende druk van de moderne kunst, maar uiteindelijk toch door de knieën gingen, geveld door de eenzaamheid en het isolement, door het gevoel er niet meer bij te horen en als het ware niet meer te bestaan. Ze konden het niet langer verdragen en … verkochten hun ziel. Meteen gingen alle deuren voor hen open en binnen de kortste keren exposeerden ze in New York en Dubaï. Eindelijk hadden ze het gevoel te bestaan, het gevoel erbij te horen. Maar gelukkig werden ze niet van deze ‘nieuwe’ gevoelens, want ze waren nu de speelbal geworden van de grote internationale kunstgemeenschap. Ze waren weliswaar verlost van hun kwellende eenzaamheid, maar daar betaalden ze een zware prijs voor.

Er is maar één manier om te ontsnappen aan dit lot en dat is: radicaal breken met de (schijn)gemeenschap van de ‘moderne geest’. Maar bevredigend is dat niet, want het besef blijft dat je in een verdeelde wereld leeft, dat er een groeiende groep van mensen is waar je geen enkel contact mee hebt, waar je geen enkel gesprek mee kunt voeren, en die als het ware op een andere planeet leven. Zelfs wanneer je een nieuwe gemeenschap vindt, is ze toch reeds geïnfecteerd met het verdeeldheidsvirus, want tenslotte heb je zelf gebroken met de ‘andere’ gemeenschap, tenslotte ben je zelf in de hoogste mate asociaal geweest. En dat verlamt je als kunstenaar, dat verlamt je ook als antroposoof. Want hoe kun je leven met het besef dat er twee antroposofische bewegingen zijn, die zich allebei beroepen op Steiner, maar die elkaar niks te zeggen hebben! Op die manier kun je geen antroposoof zijn, dat gaat doodeenvoudig niet. En toch is het de realiteit die vandaag ongemerkt wortel schiet in de antroposofische wereld en hem van binnenuit vernietigt.  

De zomerweek in Frandeux was een voorsmaakje van wat een antroposofische gemeenschap zou kunnen zijn: een gemeenschap gedragen door dezelfde ideeën, door dezelfde geest. Ik denk dat heel wat deelnemers die geest bespeurd hebben en hem als de wezenskern van deze ‘sociale week’ ervaren hebben. Maar ik vraag me af hoeveel mensen zijn tegenstander hebben opgemerkt, de ‘grote vijand’ die ik (ongewild en onopzettelijk) uitdaagde door het terrein van de kunst te betreden. Ik vraag me af hoeveel mensen hem herkend hebben in de ogenschijnlijk onschuldige column in Antroposofie Vandaag. Het is dan ook geen geest die je WIL kennen, het is een geest waarvan je het bestaan liefst van al wilt ONTkennen. Want hij keert al het goede in de mens ten kwade, vooral dan dat diepe verlangen om één grote mensengemeenschap te vormen waarin iedereen iedereen draagt en steunt. Uitgerekend dát verlangen gebruikt hij om de wereld te verdelen in twee kampen die elkaar beschouwen als het vleesgeworden kwaad.

Als de Antroposofische Zomeruniversiteit méér wil zijn dan een eiland waar antroposofen-die-het-zich-kunnen-permitteren even komen proeven van een spirituele gemeenschap, dan zal ze de confrontatie met de Grote Vijand moeten aangaan. En dat doet ze reeds: in Frandeux werden ideeën verkondigd die je vrijwel nergens anders hoort, ideeën die doordringen tot het apocalyptische karakter van onze tijd. Hoe schokkend die ideeën ook kunnen zijn, ze zijn tegelijk bevrijdend want er is niets zo kwellend als een onzichtbare vijand. Ik denk dan ook dat de zomeruniversiteit deze weg moet blijven volgen en de Grote Vijand stap voor stap zichtbaar moet maken. Als we werkelijk willen dat Alle Menschen Brüder werden dan kunnen we niet aan hem voorbij gaan. Ik zou zelfs durven zeggen dat hij op sociaal vlak onze Grote Leermeester is: hij toont ons precies hoe het NIET moet. 

Advertenties