Donna Leon (2)

door lievendebrouwere

Eén van de aantrekkelijkheden van de boeken van Donna Leon is de – voortreffelijke – relatie tussen haar hoofdpersonage Guido Brunetti en zijn explosieve (blonde!) vrouw Paola. De beschrijvingen van hun gezinsleven zijn vaak kostelijk en vormen een mooi tegengewicht voor de ellende en corruptie waarmee hij als politiecommissaris te maken krijgt. Wat me aanvankelijk een beetje stoorde, waren de vurig linkse en politiek-correcte overtuigingen van Paola, de enige dochter van steenrijke en adellijke ouders (en dat was duidelijk niet ironisch bedoeld). Gelukkig is Donna Leon haar communistische sympathieën – Paola is ongetwijfeld op haarzelf gemodelleerd – in de loop der jaren steeds meer gaan bijstellen en relativeren, wat ik buitengewoon sympathiek vind. In een poging om u te verleiden: een voorsmaakje (uit ‘Dood in den Vreemde’)

De volgende ochtend, zondag, was de dag van de week die Paola vreesde, want op die dag werd ze wakker naast een vreemde. Tijdens hun jarenlange huwelijk was ze eraan gewend geraakt wakker te worden naast haar man, een nors, weerbarstig wezen dat tot minstens een uur na het wakker worden niet in staat was tot hoffelijkheid, een knorrige figuur van wie ze gegrom en duistere blikken verwachtte. Misschien niet de vrolijkste bedgenoot, maar hij liet haar tenminste met rust en hij liet haar tenminste slapen. Op zondag werd zijn plaats echter ingenomen door iemand die, en ze haatte het woord op zich al, kwinkeleerde. Bevrijd van zijn werk en verantwoordelijkheden kwam er een andere man tevoorschijn: vriendelijk, speels, vaak verliefderig. Ze kon hem niet uitstaan.

Deze zondag was hij om zeven uur wakker en lag te bedenken wat hij kon doen met het geld dat hij had gewonnen in het casino. Hij kon zijn schoonvader voor zijn in de aanschaf van een computer voor Chiara. Hij kon een nieuwe winterjas voor zichzelf kopen. Ze konden in januari met z’n allen een weekje naar de bergen. Hij lag een half uur het geld uit te geven en opnieuw uit te geven, en werd toen eindelijk zijn bed uit gedreven door zijn behoefte aan koffie.

Neuriënd liep hij naar de keuken, pakte de grootste koffiepot van de plank, vulde die met water, zette hem op het fornuis met een steelpan met melk ernaast en ging naar de badkamer terwijl ze opwarmden. Toen hij terugkwam, met gepoetste tanden en zijn gezicht stralend van de schok van het koude water, bubbelde de koffie omhoog en vulde het huis met zijn aroma. Hij schonk hem in twee grote koppen, deed er suiker en melk bij en liep terug naar de slaapkamer. Hij zette de koppe op het tafeltje naast hun bed, kroop weer onder de dekens en vocht met zijn hoofdkussen tot hij het zo had opgepoft dat hij voldoende rechtop kon zitten om koffie te drinken. Hij nam luid slurpend een slok, woelde tot hij nog lekkerder zat en zei zachtjes: ‘Paola.’

Er kwam geen reactie uit de langwerpige klomp naast hem die zijn blonde gezellin was.

‘Paola,’ zei hij nog eens, ditmaal iets harder. Stilte. ‘Hmm, wat een lekkere koffie. Ik denk dat ik nog een slok neem,’ wat hij ook luidruchtig deed. Uit de klomp kwam een hand die zich tot een vuist balde en hem tegen zijn schouder stompte. ‘Heerlijke koffie. Ik denk dat ik nog een slok neem.’ Naast hem steeg een dreigend geluid op. (…) Dit was voor het eerst gebeurd op de tweede zondag van hun huwelijk, toen ze nog op huwelijksreis waren, en hij zich over zijn nog slapende vrouw had gebogen om aan haar oor te kietelen. De stem die ijzig zei: ‘Als je daar niet mee ophoudt, ruk ik je lever uit en eet hem op,’ had hem laten weten dat hun wittebroodsweken voorbij waren. 

Hoe hard hij ook zijn best deed, en dat was niet heel hard, hij kon nooit begrijpen waarom ze geen sympathie kon opbrengen voor wat volgens hem zijn ware ik was. Zondag was de enige dag in de week waarop hij zich niet bezig hoefde te houden met dood en rampspoed, dus hield hij vol dat degene die dan wakker werd de echte man was, de ware Brunetti, en hij kon rustig zeggen dat die andere, Hyde-achtige figuur helemaal niet representatief was voor zijn wezen. Paola geloofde er niets van.

Terwijl zij haar koffie slurpte en haar best deed om haar ogen open te krijgen, zette hij de radio aan en luisterde naar het ochtendnieuws, al wist hij dat zijn humeur ervan zou verslechteren en op het hare zou gaan lijken. Weer drie moorden in Calabrië, allemaal leden van de maffia, één gezochte moordenaar (iets voor ons, dacht hij), verhalen over de ophanden zijnde val van het kabinet (wanneer was die niet ophanden?), een bootlading giftig afval in Genua, geweigerd door Afrika (en waarom niet?), en een priester vermoord in zijn tuin, acht keer door zijn hoofd geschoten (te zware penitentie opgelegd tijdens de biecht?). Hij deed de radio uit zolang hij zijn dag nog kon redden en wendde zich tot Paola. ‘Ben je wakker?’

Ze knikte, nog steeds niet in staat om te praten.

‘Wat zullen we met het geld doen?’

Ze schudde het hoofd, met haar neus in de koffiedampen.

‘Is er iets wat je wilt hebben?’

Ze dronk de koffie op, gaf hem zonder commentaar de kop en viel terug op haar kussen. Hij keek naar haar en wist niet of hij haar meer koffie of mond-op-mondbeademing moest geven. ‘Hebben de kinderen nog iets nodig?’

Ze schudde het hoofd, met haar ogen nog steeds dicht.

‘Weet je zeker dat je niets wilt?’

Het kostte haar een bovenmenselijke inspanning, maar ze wist de woorden eruit te persen. ‘Ga een uur weg, en breng me dan wat lekkers en nog een kop koffie.’ Toen ze dat gezegd had, draaide ze zich weer op haar buik en lag te slapen nog voor hij de kamer uit was. 
  

Advertenties