Lier

door lievendebrouwere

Gisteren hebben we een bezoekje gebracht aan Lier, de stad van Felix Timmermans, de stad ook waar ikzelf geboren ben. An was er niet gerust in. Ze weet dat de confrontatie tussen verleden en heden me nogal eens zwaar op de maag ligt, maar ik was voorbereid. Ik herinnerde me nog een stukje van Godfried Bomans waarin hij een bezoek brengt aan Lier, de stad van Pallieter en juffrouw Symforosa. In plaats van een idyllisch oord waar het oude Vlaanderen nog leeft, treft hij een moderne stad aan waar hij bijna van de sokken wordt gereden door het drukke verkeer. En hij beseft opeens dat het Lier van Timmermans een schepping is, geen realiteit. De Fee leefde in een wereld die in zijn tijd al niet meer bestond, maar die voor ontelbare mensen over de hele wereld – Timmermans is de internationaal meest succesrijke schrijver die Vlaanderen ooit gehad heeft – de ziel van Vlaanderen belichaamde: een kinderlijke gevoelsziel. 

Van die ziel blijft niet veel meer over. Het moderne heden is een monster dat jacht maakt op alles wat kinderlijk is en dus moet Vlaanderen eraan geloven. Wie Lier vandaag binnenkomt (na een lijdensweg langs propvol bebouwde steenwegen) komt terecht in een shopping-center zoals je dat vandaag aantreft in iedere moderne stad. Het onpersoonlijk-internationale ervan kan niet haakser staan op het intiem-persoonlijke van Timmermans. Wat me wél opvalt zijn de talloze cafés en terrasjes: een groot verschil met Gent, dat zeer arm is aan terrasjes. Of dat laatste zo’n slechte zaak is weet ik niet, want uit al die cafés komt muziek, lees: zenuwslopend electronisch lawaai. Ik snak dus naar een beetje groen, naar een beetje rust. Dat vind ik gelukkig voorbij de Grote Markt, waar water stroomt (de Nete?) en waar het mooie, menselijke Lier lijkt te beginnen. 
  

We komen bij de Zimmertoren en dat is waarschijnlijk de plaats waar Godfried Bomans bijna omver gereden werd, want ook ik moet haastig wegspringen voor een passerende auto. Naast het middeleeuws aandoende torentje met de twee blauwe bollen staat een buitensporig groot en modern ‘Museum van Tijd en Ruimte‘ dat uitschreeuwt: u-denkt-toch-niet-dat-wij-achterlijk-zijn!? Vlaanderen lijkt zich altijd te moeten verontschuldigen: exuseert u mij dat ik zo mooi ben, ik zal het onmiddellijk goedmaken! Zo’n schreeuwerige verontschuldiging staat ook vlak naast de St.Gummaruskerk in de vorm van een staaltje ‘hedendaagse’ architectuur waar lawaai uitkomt: een trendy café. Het is de Nieuwe Vlaamse Stijl: je zoekt een schilderachtige plek waar het verleden mooi bewaard is, en daar poot je dan zo’n monster van glas en beton neer. Geen enkele Vlaamse historische stad ontsnapt eraan, ook Lier dus niet. Als we aan het eind van onze ‘city-trip’ langs het station passeren, zeg ik: hé, dat ziet er nog oud uit, daar kan de NMBS nog wat van maken! Stttt!, antwoordt An, daag ze niet uit! Ze heeft gelijk: je moet het Hedendaagse Monster niet uitdagen. 

Het eerste museum dat we bezoeken is het Timmermans-Opsomermuseum, mooi gelegen aan het water in een oud gebouw met talloze trappen en kamers, allemaal krakend van het hout. Op het internet had ik gelezen dat het gesloten en verkocht zou worden, maar het is gelukkig nog open. Er loopt momenteel een tentoonstelling over de eerste wereldoorlog en we krijgen een stempel en een (rood) stempelkussen in de hand gedrukt. Daarmee kunnen we een rode klaproos achterlaten op één van de kaarten die we op de tentoonstelling zullen aantreffen. Ik geef het ding terug en zeg: we zijn hier niet voor de eerste wereldoorlog, het spijt me, we zijn hier voor Timmermans en Opsomer. Dat vindt de (buitenlands klinkende) vrouw-achter-de-balie geen probleem. We mogen waarschijnlijk van geluk spreken. De tijd is niet meer veraf dat men in Lier zal vragen: Timmermans wie? We zijn nu al de enigen de in het museum rondlopen, verder is er geen levende ziel te zien.

  

 
Eerst is Isidoor Opsomer aan de beurt. De man was ooit een grote figuur in de Vlaamse kunstwereld. Hij was onder meer directeur van de Antwerpse academie toen mijn leraar er studeerde. Hij regeerde er als een dictator, zei deze laatste ooit, maar we voelden ons allemaal zo vrij als een vogel. Ik begreep meteen wat hij bedoelde – zonder wetten geen vrijheid – en het nam me in voor Opsomer. Er hangt in het museum maar een kleine selectie van zijn werk, maar ze is beslist overtuigend. Opsomer is duidelijk een portrettist. Er hangen ook stillevens en landschappen, maar die bezitten bijlange niet de kwaliteit van zijn portretten, vooral dan die van Felix Timmermans. Ik word getroffen door een vernis mou (een techniek waarbij men een etsplaat bedekt met een zachte vernis en daarop een papier legt waarop men tekent) die diep in de ziel van Pallietermans kijkt. Wie zoiets kan, daar maak ik een grote buiging voor. Isidoor Opsomer was een intelligent man, een man ook die van aanpakken wist, maar hij had duidelijk een boontje voor de naïeve, zachtmoedige Timmermans, die waarschijnlijk zijn tegenpool was.

We gaan de trap op en komen in zalen die gewijd zijn aan Raymond de la Houssaye (schilder), Anton Bergman (schrijver) en Renaat Veremans (musicus). De bovenste zaal is gewijd aan Felix Timmermans, maar die is grotendeels aan de kant geschoven door de tentoonstelling over de eerste wereldoorlog, duidelijk een verplicht nummer en het bekijken niet waard. Op een video-scherm wordt telkens weer hetzelfde filmpje afgespeeld: enkele soldaten lopen (haastig) over straat. Het duurt welgeteld 5 seconden. Comedy Capers meets Contemporary Art. En daarvoor moet Timmermans wijken. Wat er van/voor hem overblijft, is trouwens weinig zaaks: een paar foto’s, een paar tekeningen. Niks wat niet (veel beter) in een boek kan samengevat worden. 

Het heeft iets schrijnends: Felix Timmermans is de beroemdste aller Lierenaars, iemand die met zijn boeken tot in alle hoeken van de wereld doordrong, maar in Lier is er van hem vrijwel geen spoor te vinden. Ergens op een onopvallende plek in de stad staat een kleine buste waar je makkelijk overheen kijkt, and that’s that, samen met dat hoekje onder de dakspanten van een museum dat binnenkort zal verdwijnen. Toen we door het – grote – begijnhof wandelden (dat voor Timmermans zo’n belangrijke plek was), keek ik uit naar de bronzen plaat die zou aangeven waar hij gewerkt en gewoond had, maar vergeefs. Letterlijk niets verwees naar hem, daar niet en ook elders niet. Het was alsof Lier zich … schaamde voor Timmermans. Gelet op de Hedendaagse Geest die zo hevig woedt in Vlaanderen (als de Spaanse Furie weleer) is dat niet eens zo’n onwaarschijnlijke gedachte.
  (Zoals u ziet, was het onmogelijk om hier een acceptabele foto van te maken)

Van (wat er nog restte van) Felix Timmermans gingen we naar het Huis van Oscar, een museum dat gewijd is aan Oscar Van Rompay, een schilderende tijdgenoot van ‘de Fee’ en iemand waarvan normaliter evenmin iets zou overblijven, ware het niet dat hij … rijk getrouwd was. Het fortuin van zijn vrouw zorgde er niet alleen voor dat hij zorgeloos kon leven en schilderen, maar ook dat zijn huis nu een privé-museum is. Zoals het rijke mensen betaamt, is dat een kast van een huis in het centrum van de stad. We waren er – alweer – helemaal alleen. De conciërge was waarschijnlijk blij iemand te zien want ze bedolf ons onder stortvloed van informatie waar we ons slechts met moeite konden aan onttrekken. Even vreesde ik zelfs dat ze met ons mee zou gaan, maar dat deed ze gelukkig niet. 

Van Rompay is niet van het formaat van Isidoor Opsomer, al hingen er wel enkele zeer geslaagde stadszichten uit zijn Parijse periode. Het tentoongestelde werk was echter zeer ongelijk van kwaliteit en dat is altijd jammer, want het mindere werk trekt het betere naar beneden. We hadden dan ook een onbevredigd gevoel toen we weer buiten kwamen. Zowel in het huis als in de grote stadstuin (waar Van Rompay liefhebberde in fruitbomen) was alles keurig in orde, maar er ontbrak iets, iets waardoor zowel het museum als de schilderijen het hart niet echt konden aanspreken. 

Aan de overkant van de straat liepen we een brocante-winkeltje binnen, waar ik zo dom was in te gaan op de avances van een (rosse) poes die, totaal onverwachts, opeens haar klauwen in me sloeg. Met veel moeite slaagde ik erin het blazende en krijsende beest van me af te schudden, maar ik hield er wel twee diepe schrammen aan over waaruit het bloed algauw op de vloer drupte. Gelukkig was er een kraan in de buurt waardoor ik het bloeden kon stelpen. Toen ik terug naar buiten wilde, versperde de rosse furie mij blazend en grauwend de weg. Ik schopte haar vloekend onder een tafel en ging m’n beklag doen bij de eigenares die buiten op straat Suske en Wiske zat te lezen. Ja, ze wordt graag met rust gelaten, antwoordde ze schaapachtig. 
  

Toen we even later aan de voet van de St.Gommaruskerk, op het terras van ‘Drankhuis ’t Kruisken’, iets gingen drinken, vroeg ik me af: zou het dát zijn wat mankeerde aan het werk van Oscar Van Rompaey? Moet een kunstenaar niet lijden? En heeft Van Rompay de schrammen en het bloeden niet vermeden door te trouwen met een rijke vrouw (en nooit kinderen te hebben)? Dat is natuurlijk een zeer on-hedendaagse gedachte, maar daarom is ze niet minder waar, wel integendeel zou ik zeggen. Is de Hedendaagse Geest niet juist een geest die overal boven staat, die zich nergens door laat raken, en die daardoor ook niet in staat is het hart van de mens te raken? Felix Timmermans kon dat als geen ander, en daarvoor heeft hij ongetwijfeld geleden. Hoe kon een groot kind zoals hij niet lijden aan de moderne wereld? Hij is waarschijnlijk gestorven aan een gebroken hart, met dank aan de Belgische repressie trouwens.

Timmermans heeft Pallieter geschreven in de jaren vóór het uitbreken van de eerste wereldoorlog. Deze ode aan het eenvoudige, zinnelijke leven was ook een reactie op persoonlijke zwartgalligheid. Timmermans is vandaag heel erg out. Zelfs in Lier wordt hij niet meer in ere gehouden. Wie leest zijn boeken over simpele lieden, boeren, paters en begijntjes nog? Haakser op onze moderne tijd kunnen ze nauwelijks staan. Maar ik vraag me af of het fenomeen Timmermans niet actueler is dan we denken. Er pakken zich opnieuw donkere wolken samen boven Europa. Is er vandaag iets waar we méér behoefte aan hebben dan aan het eenvoudige leven dat Timmermans bezingt? Hoelang houden we dat nog vol, dat ingewikkelde en cynische leven dat we vandaag leiden en dat ons langzaam maar zeker tot waanzin drijft? Is de tweespalt tussen die twee werelden – de kinderlijk eenvoudige en de cynisch volwassene – niet hét probleem van onze tijd? 
  

Toen ik door de drukke winkelstraten van Lier liep, de straten waarin Lier in niets verschilt van andere moderne steden, en waar de luxe en de rijkdom uit de etalages spatten, dacht ik: het wraakroepende van die rijkdom is dat hij alleen kan bestaan dankzij massale slavernij. We danken hem aan het feit dat naïeve, simpele zielen overal ter wereld het zware werk voor ons opknappen. Op zich is er niks mis mee als anderen voor ons werken, op voorwaarde dat ook wij voor hén werken. En dat heeft natuurlijk geen zin als we allebei hetzelfde werk doen. Mensen die geestelijk werk verrichten, kunnen dat alleen maar doen als anderen het fysieke werk voor hun rekening nemen. En mensen die fysiek werk verrichten, kunnen maar zin verlenen aan dat werk als anderen zich met geestelijke zaken bezighouden. Maar dat ‘werkt’ alleen als het in beide gevallen vanuit het hart gebeurt, als het vanuit liefde en inzicht gebeurt.

Er moet met andere woorden een brug worden geslagen tussen het ‘kind’ en de ‘volwassene’, zowel op wereldschaal (tussen de rijke en de arme landen) als in onszelf (tussen hoofd en hart). Als ik zie hoe het moderne en volwassen Lier omgaat met zijn beroemde kinderen, dan lijkt precies het omgekeerde te gebeuren: het hoofd erkent het hart niet, het stoot het van zich af, het schaamt er zich voor. Is dat niet wat ook in Vlaanderen gebeurt? Het hedendaagse Vlaanderen schaamt zich voor het oude, kinderlijk eenvoudige Vlaanderen van gisteren. En datzelfde doen we ook in onszelf. We schamen ons voor ons hart, voor wat we voelen zoals een kind voelt – zonder ons af te vragen of het wel mogen voelen. Vol afschuw deinzen we daar tegenwoordig voor terug alsof ons hart een moordkuil is, een oord van verderf waar al het kwaad uit voortkomt. En we beseffen niet dat dat hart, net als een kind, niets anders doet dan weerspiegelen …
  

Advertenties