Grote Leugens (2)

door lievendebrouwere

Overal horen we blanke mensen verklaren dat blanke mensen racisten zijn en dat ze dat niet willen toegeven. Een kind kan zien dat die blanke mensen zichzelf tegenspreken en toch houden ze met dit soort tegenstrijdigheden de wereld in hun ban. We horen ook overal kunstkenners vol lof spreken over pispotten, bananenschillen en ander afval. Een kind kan zien dat die rommel niks met kunst te maken heeft en toch heeft deze ‘afvalkunst’ de wereld veroverd. Wie het kind in zich niet helemaal het zwijgen heeft opgelegd, haalt de schouders op voor dergelijke dwaasheden. Maar daardoor wordt hij wel stap voor stap in het nauw gedreven. Want de dwaasheid verspreidt zich met de snelheid van een kwaadaardig virus. Negeren helpt dus niet. We doen dan trouwens hetzelfde als de dwazen, want ook zij negeren iets. Ze deinzen terug voor iets dat ze niet onder ogen durven zien, en dat ze dan maar buiten zichzelf projecteren. Als gevolg daarvan zien ze overal racisten en cultuurbarbaren die ze vervolgens de heilige oorlog verklaren. Ontsnappen aan hun apocalyptische woede kan alleen door mee te vechten in die oorlog. Wie niet voor hen is, is tegen hen. Deze dwaasheid is zo besmettelijk dat er langzaam maar zeker een strijd van allen tegen allen ontstaat, waarbij niemand nog weet hoe het zover is kunnen komen. En dat is precies de vraag die ik wil stellen: hoe is het zover kunnen komen? Hoe is een hoogontwikkelde beschaving ten prooi kunnen vallen aan een dergelijke verdwazing? Hoe is dat in zijn werk gegaan? Ik wil me die vraag stellen nu het nog kan, want de dwaasheid verspreidt zich snel. Ze wil onder geen beding ontdekt worden en reageert bijzonder fel op het licht van het bewustzijn. Het is dus zaak dat licht te gebruiken vóór het helemaal donker wordt. 

In mijn vorige stuk kwam ik tot de conclusie dat we niet meer willen denken omdat we ook niet meer willen voelen. Denken is nog slechts een alibi. Het doet er niet toe wat we denken, als het ons maar afleidt van onze gevoelens, want daar speelt zich blijkbaar iets af waarvoor we terugdeinzen. We denken in feite uit angst, om ons bewustzijn af te leiden. Van zo’n denken kan je natuurlijk niet verwachten dat het samenhangend is, wel integendeel. Hoe tegenstrijdiger en verwarder het is des te beter, want dan houdt het ons gevangen in een labyrinth van onoplosbare raadsels. Zoals: is een blanke die zegt dat blanken racistisch zijn racistisch? Zo’n denken is natuurlijk een pseudo-denken: het probeert geen problemen op te lossen, het probeert ze te negeren door zelf een probleem te worden.

Wat is dan wel het probleem dat we ontwijken en bedelven onder tonnen ingewikkelde gedachten en redeneringen? Wat speelt zich in onze gevoelswereld af? Om daarachter te komen, richt ik de blik op de wereld van de kunst, want daar kunnen we met gedachten niks uitrichten, daar moeten we met onze gevoelens aan de slag. Ik ga uit van een simpel scenario: ik wil kunst zien en daarom stap ik een museum binnen. Maar in plaats van tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken tref ik daar pispotten, kakmachines, bananenschillen en ander afval aan. Ik kan m’n ogen niet geloven en er stijgt een heilige verontwaardiging in me op. Een museum is voor mij een soort tempel en die tempel is ontheiligd, alsof er een bende barbaren is binnengevallen die alles geroofd hebben en een hoop vuiligheid hebben achtergelaten. 

Ik maak nu natuurlijk abstractie van wat ik verondersteld wordt te denken en te voelen bij het zien van (vooral hedendaagse) kunst. Maar dat doe ik altijd. Ik laat me niet voorschrijven hoe ik moet reageren, ik bepaal dat zelf wel. Waarom zou ik anders naar kunst gaan kijken? Om een of andere plicht te vervullen? Om mijn innerlijk te laten boetseren door mensen die ik niet ken? En waarom zou ik dát willen doen? Nee, kunst is voor mij het gebied van de vrijheid, het gebied van de vreugde ook, want die twee gaan voor mij samen. Daarom probeer ik kunst steeds zo onbevangen en onbevooroordeeld mogelijk te benaderen. Ik wil zelf waarnemen, beleven en oordelen. Dat is de grond van mijn bewondering, niet wat iemand anders beleeft of oordeelt. 

En bewondering is niet wat in me opkomt als ik afval zie, ook niet wanneer het in een museum ligt, voorál niet wanneer het in een museum ligt. Nee, wat dan in me opkomt is verontwaardiging, over de ontheiliging van het museum, maar ook over de ontheiliging van mijn eigen innerlijk. Want om kunst te beleven, om ze überhaupt te kunnen waarnemen, moet je je ermee verbinden, moet je je ervoor openen, net als in iedere andere liefdesrelatie. En dat maakt een mens kwetsbaar. Daarom gaat er een proces van aftasten, beproeven en beoordelen aan vooraf. Je probeert je een beeld te vormen van het wezen van een kunstwerk, je probeert erachter te komen of het veilig is om je eraan over te geven. Want dat is het diepste verlangen en de grootste vreugde: je helemaal overgeven, één worden. Daar doe je het voor. Maar dat is ook de grootste pijn en ontgoocheling: als dat verlangen niet beantwoord wordt, als je vertrouwen beschaamd wordt. Dan stijgt er verontwaardiging in je op: het ultieme verzet tegen misbruik van vertrouwen.  

En dat is precies wat er gebeurt wanneer ik in een Museum voor Schone Kunsten rommel en afval zie liggen: mijn vertrouwen wordt beschaamd. Een museum geldt namelijk als een veilige plek, in meer dan één opzicht. Het is om te beginnen een ruimte die zorgvuldig afgeschermd is van de gewone, dagelijkse werkelijkheid. Hier kan men zich, zoals in een kerk of een tempel, onttrekken aan de plichten en noden van alledag. Hier gelden andere regels, hier hoeft er niets, hier kan men zich ongestoord overgeven aan contemplatie en meditatie. Hier heersen rust en stilte, of beter: hier heersten rust en stilte. Want ook op louter materieel vlak is het museum reeds ontheiligd: er heerst maar al te vaak een drukte als op een markt, met gidsen en uitleggers die overal luidkeels hun ‘waren’ aanprijzen. 

Maar een museum is ook nog op een andere manier een veilige plek. Hier zijn namelijk kunstwerken verzameld die de tand des tijds hebben doorstaan, die hun waarde hebben bewezen en waaraan men zich dus veilig kan blootstellen. Want de tijd is de betrouwbaarste kunstcriticus die er bestaat. Wie wil weten wat een kunstwerk waard is, moet er gewoon tijd laten over gaan. Het is als in een liefdesrelatie: men kan wel hevig verliefd worden, maar of het werkelijk liefde is, moet de tijd uitwijzen. Men kan hevig gecharmeerd zijn door een kunstwerk, maar wanneer die charme niet blijvend is, heeft men zich vergist. Echte kunst heeft eeuwigheidswaarde, zij wordt niet door de tijd aangetast. En dat is precies wat een museum ons biedt: kunstwerken die door de tijd beproefd zijn, die hun waarde bewezen hebben en waaraan we ons dus veilig kunnen overgeven.

Dat laatste is belangrijk, want overgave is bepaald geen sinecure voor de moderne mens. Die heeft zijn zelfbewustzijn namelijk ontwikkeld door zich innerlijk af te schermen, door als het ware steeds dieper in zijn eigen lichaam te kruipen. Vóór hij een ‘zelf’ werd, leefde hij in een soort permanente staat van overgave. Hij deelde dezelfde gedachten en gevoelens als de gemeenschap waartoe hij behoorde. Hij had ook geen eigen wil, hij werd geleid door ingewijden, door mensen die een ‘hoger’ bewustzijn hadden ontwikkeld. Vandaag is dat heel anders geworden: de moderne mens heeft een eigen wil ontwikkeld, een eigen denken, een eigen voelen. Hij is niet alleen een uniek wezen geworden, hij is ook een vrij wezen geworden. Daarvoor heeft hij echter een zware prijs betaald: hij is een eenzaam wezen geworden, een wezen dat in hoge mate geïsoleerd is van zijn medemensen en nauwelijks nog in staat is zich aan hen over te geven en de vreugde van het één-zijn te beleven.

Als gevolg daarvan worden we vandaag verscheurd tussen twee tegengestelde verlangens: het verlangen om onszelf te zijn en te blijven, en het verlangen om één te worden met de wereld en de anderen. Of het verlangen naar vrijheid en het verlangen naar overgave. Beide verlangens zijn zo sterk geworden dat we het ene vaak opofferen voor het andere. Maar daarmee komen we van de regen in de drop terecht. En juist daarom is het museum zo’n belangrijke plek geworden: hier kunnen we beide oerverlangens met elkaar verzoenen. In het kunstwerk geeft de kunstenaar zichzelf namelijk over aan de wereld zonder zichzelf te verliezen. Hij legt zijn ziel in zijn werk en aan die ziel kan de toeschouwer zich op zijn beurt overgeven zonder gevaar te lopen de zijne te verliezen. Want in het museum zijn alle zielloze kunstwerken weggeselecteerd en kan de moderne mens dus op een veilige manier oefenen waar hij het meest naar verlangt: zich overgeven zonder zichzelf te verliezen, zonder zijn vrijheid kwijt te spelen. Hij kan er beleven dat zoiets wel degelijk mogelijk is, en dat hij zijn vrijheid niet hoeft op te geven om verlost te worden uit de kwellende eenzaamheid van zijn ‘zelf’. Daarom is het museum een ‘heilige’ plaats: het is een beeld van de geestelijke wereld. Men hoeft er niet op zijn hoede te zijn, men kan er zich in vreugde overgeven aan ieder wezen dat men tegenkomt. 

Het Museum voor Schone Kunsten is dus een tegengif voor het materialisme waaraan de mens wel zijn ‘zelf’ te danken heeft, maar niet de mogelijkheid om één te worden met mens en wereld zonder dat zelf weer op te geven. Niet toevallig is het museum ontstaan toen het materialisme in de 19de eeuw zijn hoogtepunt bereikte. Het was een instinctieve tegenbeweging die de mens ervoor moest behoeden helemáál opgesloten te raken in zichzelf, in zijn lichaam, in de materie. Het was ook het moment waarop de kunst de taak van de religie overnam en het museum de kerk van de nieuwe eeuw werd. Het is van het grootste belang dat de moderne mens zich daarvan bewust wordt. Goethe, die zijn tijd ver vooruit was, zei in dat verband: wie wetenschap en kunst heeft, die heeft ook religie. De bewustwording van de kunst en het tot kunst worden van de wetenschap is de nieuwe religie van de mens. Wie deze nieuwe religie niet heeft, die wenst Goethe het bezit van de oude toe, want leven zonder religie is een ondraaglijke kwelling …

Het spreekt vanzelf dat de tegenmachten er alles aan doen om het ontstaan van deze nieuwe religie te verhinderen. En hier krijgen we te maken met een kwaad dat van een hogere orde is dan het ahrimanische kwaad van het materialisme. Want dit Nieuwe Kwaad keert zich niet alleen tegen de geest (waarvan de mens zich moest afsluiten om een zelf te worden), het keert zich ook tegen het zelf (dat we aan het materialisme te danken hebben). Het keert zich met name tegen de éénwording van beide, die mogelijk gemaakt wordt door het diepste wezen van de mens, door zijn Ik. Dit kwaad is dan ook de grootste vijand van dit Ik en doet al het mogelijke om diens werking lam te leggen. Het is ook de grootste vijand van de kunst en met name van haar Ik-kwaliteit, die ziel en wereld één maakt. En het is ten slotte de grootste vijand van het museum dat als het ware het huis van deze Ik-kwaliteit is. 

Maar het Nieuwe Kwaad kan zich niet rechtstreeks tegen het museum richten, want de moderne mens bezit nog genoeg gezond instinct om dat niet toe te staan. Het kan zich (om dezelfde reden) ook niet tegen de oude kunst keren. Maar het kan wel een Nieuwe Kunst en een Nieuw Museum in het leven roepen, waardoor er opeens ook een Oude Kunst en een Oud Museum ontstaan, en de hele kunstwereld als het ware in twee gedeeld wordt. Met die tweedeling brengt het Nieuwe Kwaad de moderne mens danig in verwarring. Het kan hem nu bestoken met tegenstrijdige Nieuwe Begrippen – zogenaamde memes – die hem langzaam maar zeker alle houvast doen verliezen zodat hij niet meer bij machte is onderscheid te maken tussen waarheid en leugen, tussen echt en vals. Op die manier kan het Nieuwe Kwaad het museum binnendringen en ontheiligen, het kan de kunst vervangen door afval, en de Ik-geest door … zichzelf. 

(wordt vervolgd)

Advertenties