Oude en jonge zielen (1)

door lievendebrouwere

Het is meer dan 25 jaar geleden. Ik sta ’s ochtends op en zie op de keukentafel een vreemd boek liggen. ‘Christussucher und Michaëldiener’ lees ik op de omslag en denk: veel antroposofischer kan het niet worden! Het is geschreven door Hans Peter van Manen, een naam die ik nog nooit gehoord heb. Waarom schrijft een Nederlander een boek in het Duits, vraag ik me af. En waarom heeft An dit boek mee naar huis gebracht? Ik sla het open en lees enkele regels. Dat gaat wonderwel, hoewel ik geen woord Duits begrijp. Ik ben opgegroeid in een stad waar voor het station een groot oorlogsgedenkteken staat: Aan De Slachtoffers Van De Duitse Cultuur. Dan weet je ’t wel. Ik heb nooit een woord Duits geleerd op school. Ik vind het zelfs een ietwat lachwekkende taal. Maar het Duits dat Hans Peter van Manen schrijft, klinkt heel helder en toegankelijk. Ik ga een woordenboek zoeken, An moet er nog ergens een liggen hebben (zij heeft wél Duits geleerd). En dan gebeurt het: ik lees en ik blijf lezen. Om de vijf seconden moet ik een woord opzoeken, maar het houdt me niet tegen. Ik lees m’n allereerste Duitse boek in één ruk uit. En ik ben verkocht. 

Ik herinner me niet meer wat ik voelde toen ik het las, maar het moet hetzelfde enthousiasme zijn geweest dat ik vandaag nog altijd voel. Oude en jonge zielen – of Christussucher und Michaëldiener zoals Hans Peter van Manen het uitdrukt – is sinds jaar en dag (mét voorsprong) mijn favoriete antroposofische thema. Ik was reeds verliefd op het thema van de twee Jezuskinderen, maar nu werd het nog een stuk persoonlijker. Ik was zo enthousiast dat ik meteen begon het boek te vertalen. Maar na twee hoofdstukken kwam ik tot bezinning: natuurlijk was er al iemand anders dat boek aan het vertalen, iemand die dat veel beter kon dan ik! Om mij daarvan te vergewissen nam ik contact op met Vrij Geestesleven en Christofoor, destijds de enige twee (mij bekende) Nederlandstalige antroposofische uitgeverijen. Tot mijn verbazing was een vertaling totaal niet aan de orde. Er is geen publiek voor dit soort onderwerpen, verklaarden ze. 

Hoeveel gelijk ze hadden, ondervond ik 20 jaar later, toen ik alsnog besloot het boek te vertalen en er – wonder boven wonder – een (Vlaamse) uitgever voor vond. De vertaling verkocht voor geen meter. Er werd ook nauwelijks op gereageerd. Dat stelde me (opnieuw) diep teleur, maar onverwacht was het niet. Ik had al ondervonden hoeveel weerstand dit thema opriep. Het was alsof er een taboe op rustte. Ik was dan ook verrast toen ik twee jaar geleden de vraag kreeg om op de zomeruniversiteit in Frandeux te komen spreken over oude en jonge zielen. Ik had nog nooit van mijn leven een voordracht gegeven – zelfs het voorlezen van een korte geschreven tekst was een beproeving voor me – maar er was geen twijfel mogelijk: deze kans mocht ik niet laten voorbijgaan. Ik begon mijn ervaringen van de afgelopen 25 jaar samen te vatten in drie voordrachten, die ik van het eerste tot het laatste woord uit mijn hoofd leerde. Wist ik veel hoe je een voordracht houdt! Maar de goden en de mensen waren mij gunstig gestemd: ik slaagde voor mijn examen.

Of mijn inspanningen enige aarde aan de dijk zullen brengen, is een andere zaak. Na 25 jaar eenzaam ploeteren, maak ik me geen illusies meer. Maar ik wil wel doen wat ik kan, en dat is op dit moment: het uitschrijven van mijn drie voordrachten. Omdat ik er mij steeds bewuster van word hoe cruciaal het zielenthema wel is, wil ik het – een oude ziel zijnde – goed doen. Het zal dus nog wel even duren voor ik klaar ben met dit werk, maar hieronder vindt u alvast het eerste deel. De rest volgt. Aanmoedigingen en opmerkingen zijn steeds welkom en zullen het werk bespoedigen. 



Deel 1: ONBEKEND EN ONBEMIND

ANTROPOSOFEN OVER HET ZIELENTHEMA

Oude en jonge zielen: het is zoniet het minst bekende, dan toch het minst beminde thema van de hele antroposofie. Ik ben nog nooit een antroposoof tegengekomen die wist of hij een oude dan wel een jonge ziel was. Het onderwerp leeft helemaal niet in de antroposofische wereld, het maakt geen deel uit van het antroposofische bewustzijn. Ik zou dat willen illustreren met twee voorbeelden. Het eerste is ‘Oude en Jonge Zielen’, het boek van Hans Peter van Manen dat oorspronkelijk ‘Christussucher und Michaeldiener’ heette. Het is het enige degelijke werk dat tot dusver over het zielenthema – zoals ik het gemakshalve pleeg te noemen – is verschenen. Er bestaan nog wel een paar andere publicaties, maar ofwel stellen ze inhoudelijk niet veel voor, ofwel proberen ze het onderwerp te relativeren, te nuanceren en te minimaliseren. Er zijn, zo zeggen ze, geen twéé groepen van zielen in de antroposofische beweging, maar drie, of vier, of acht, of twaalf. Door de klemtoon te leggen op de diversiteit proberen ze de dualiteit uit te vlakken. 

Ik weet niet hoeveel antroposofische boeken er de afgelopen 100 jaar zijn gepubliceerd, maar ze vullen waarschijnlijk een kleine tot middelgrote bibliotheek. En op die duizenden boeken is er welgeteld één dat het zielenthema ernstig neemt. Eén op 100 jaar. Dat spreekt, me dunkt, boekdelen. 

Op het vlak van het gesproken woord is de toestand niet beter, wel integendeel. In de 35 jaar dat ik het zielenthema reeds ken, heb ik één enkele voordracht over dit thema gehoord. Ik ben weliswaar niet iemand die antroposofische voordrachten afschuimt, maar een voordracht over dit thema zou ik me toch niet hebben laten ontgaan. Die kans heb ik echter slechts één keer gekregen, één keer op 35 jaar. Maar dat was nog niet alles. De spreker, een vooraanstaand antroposoof, bestond het om twee uur lang te spreken zonder met één woord te reppen over oude of jonge zielen. Pas helemaal aan het eind van zijn voordracht concludeerde hij dat antroposofen niet horen na te denken over dit onderwerp. Ze dienen het links te laten liggen en zich te concentreren op eenheid en verbinding. Om deze boodschap als het ware kracht bij te zetten, werd aan het begin van de voordracht ook nog eens meegedeeld dat er geen vragen mochten worden gesteld en dat er over de inhoud niet kon worden gediscussieerd. 

Ik viel van mijn stoel van verbazing. Het leed geen twijfel dat de man dwars tegen Rudolf Steiner in ging, maar niemand zag daar graten in. Toen ik de zaak achteraf probeerde aan te kaarten, zonder iemand verwijten te maken overigens (van mij mag iedere antroposoof verklaren dat Steiner zich vergist heeft), reageerde men zelfs verontwaardigd. Hoe durfde ik de naam van zo’n prominent antroposoof door het slijk te sleuren! Ik begreep er niks van. Ik vond het al bijzonder vreemd dat een antroposoof andere antroposofen bezwoer om vooral niet na te denken over een onderwerp waarover sowieso niemand nadacht. Maar het werd mij ook nog eens kwalijk genomen dat ik Rudolf Steiner … verdedigde.

Nu zou men kunnen denken dat dit een eenmalig geval was, een uitzondering op de regel. Maar het tegendeel was waar: de voordrachtgever vertolkte juist de regel, een regel waar ik in de loop der jaren meer dan eens mee in aanraking ben gekomen. Telkens werd me in meer of minder duidelijke bewoordingen te kennen gegeven dat ik beter m’n mond kon houden. Eén keer werd me zelfs vanuit Dornach diets gemaakt dat ik ‘niet op een serieuze manier met antroposofie bezig was’. Ik had het gewaagd over oude en jonge zielen te spreken en daarmee had ik blijkbaar een taboe verbroken. 

RUDOLF STEINER OVER HET ZIELENTHEMA

Het tijdstip

Dit taboe is des te vreemder wanneer men bedenkt wat Rudolf Steiner over oude en jonge zielen gezegd heeft, en niet in de laatste plaats ook wanneer hij het gezegd heeft. Zoals Hans Peter van Manen schrijft, is het zielenthema een rechtstreekse vrucht van de Weihnachtstagung, de fameuze kerstbijeenkomst van 1923 die geldt als het hoogtepunt van Rudolf Steiners leven en werken. Hij staat nu op het toppunt van zijn geestelijke kunnen: de inspiratie stroomt overvloediger dan ooit tevoren. En dat is het moment waarop hij zijn karmavoordrachten houdt en het zielenthema aansnijdt. 
Maar Rudolf Steiner staat niet alleen op het hoogtepunt van zijn geestelijke kunnen, hij beleeft ook het dieptepunt van zijn fysieke kunnen. Onmiddellijk na afloop van de Weihnachtstagung, tijdens het gezellig samenzijn dat de week afsluit, wordt hij vergiftigd. Hoe dat precies gebeurde, is tot op heden niet opgehelderd. Men slaagt er slechts op het nippertje in zijn leven te redden, maar het is uitstel van executie. Op de foto’s uit die tijd ziet Steiner er ‘verwoest’ uit, een ander woord is er niet voor. De man die altijd een voortreffelijke gezondheid genoot, ondanks zijn moordende werkritme – hij sliep gemiddeld één uur per nacht – is ten dode opgeschreven. Hij heeft nog maar 15 maanden te leven. En uitgerekend in die laatste maanden onthult hij het thema van de oude en de jonge zielen. Hoe waarschijnlijk is het dat iemand die in het aangezicht van de dood staat, de tijd die hem nog rest, zal besteden aan zaken die er niet echt toe doen? Het ligt juist voor de hand dat hij zich zal beperken tot het meest essentiële, het meest cruciale, het meest dringende. 

Het offer

Maar dat is niet alles. We kennen Rudolf Steiner als de grondlegger van de antroposofie. Daaraan heeft hij zijn hele leven gewijd, het was zijn levenswerk. En wat voor één! Nochtans was het niet zijn levensopgave. Het ontwikkelen van de geesteswetenschap was de levensopdracht van Karl Julius Schröer, Steiners leraar letterkunde aan de Weense hogeschool. Hij was de man die de antroposofie in de wereld had moeten plaatsen. Maar deze oude ziel – Schröer was de gereïncarneerde Plato – bleek totaal niet opgewassen tegen zijn taak. De confrontatie met het materialisme van de 19de eeuw verlamde als het ware zijn fijnbesnaarde spirituele wezen. De jonge Rudolf Steiner zag dat en besloot de taak van Schröer over te nemen. Dat betekende echter dat hij zijn eigen levenstaak – het introduceren van karma en reïncarnatie in de moderne beschaving – aan de kant moest schuiven. Pas na de Weihnachtstagung (toen de antroposofie voltooid was) kon hij die eindelijk aanvatten, en het scheelde geen haar of hij was er nooit aan toe gekomen.

Uiteraard heeft Rudolf Steiner reeds vóór 1923 over karma en reïncarnatie gesproken, maar dat gebeurde toch steeds met de nodige terughoudendheid. Pas na de Weihnachtstagung kon hij er vrij en openlijk over spreken. Hij heeft zijn levensopdracht dus moest samenpersen in 9 maanden, want meer tijd was hem niet vergund om zijn geesteskind vorm te geven. Volgens Hans Peter van Manen zouden de volgende zeven jaren – de vierde 7-jaarsperiode van de antroposofie – helemaal gewijd zijn geweest aan het karma van de antroposofische beweging. Maar Rudolf Steiner heeft de geboorte van zijn ‘kind’ niet meer meegemaakt: zowel de bevalling als de opvoeding moest hij overlaten aan zijn leerlingen. Met het bekende gevolg. Dat betekent dat Steiners geesteskind zich nog altijd in de schoot van de antroposofische beweging bevindt. Het hoeft geen betoog dat het uitblijven van deze geboorte het leven van moeder en kind in hoge mate compromitteert. 

De onthulling

Tot zover de omstandigheden waarin Rudolf Steiner het zielenthema onthulde. Laten we nu eens kijken naar de onthulling zelf. Die vindt plaats in de julimaand van het jaar 1924, wanneer de zon op haar hoogtepunt staat in de laatste zomer die Rudolf Steiner zal meemaken. Nu komt het zielenthema, dat als een rode draad doorheen de karmavoordrachten loopt, voor het eerst aan de oppervlakte. Dat gebeurt op 8 juli wanneer Steiner verklaart dat er in de antroposofische beweging twee zieletypes telt die heel duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn. Hij vertelt het bijna terloops want hij noemt deze voordracht een ‘intermezzo’, alsof het een entr’acte is tussen twee grote bedrijven, een moment dus waarop de toehoorders zich even kunnen ontspannen. 
Waarom spreekt Steiner zo badinerend over een thema dat hem, om nader vermelde redenen, toch heel nauw aan het hart moet hebben gelegen? Het antwoord op die vraag vinden we tegen het einde van de voordracht. Rudolf Steiner gaat daar in op de weerstanden die hij bij zijn publiek bespeurt. Hij verwoordt ze ongeveer als volgt: ‘Wat u zegt, maakt veel duidelijk over het karma van de Antroposofische Vereniging, maar we worden toch wel een beetje bang voor wat er nog volgt. We beseffen dat we veel dingen te horen zullen krijgen waarover we liever onwetend waren gebleven. Moeten we er nu echt over gaan nadenken of we tot de ene of de andere groep behoren?’

Steiner moet geweten hebben welke weerstanden de onthulling van het zielenthema zou oproepen. Misschien probeerde hij er daarom niet al te veel nadruk op te leggen. It’s no big deal, lijkt hij te willen zeggen. Maar natuurlijk was het wél a big deal. Zelfs (bijna) 100 jaar na datum kunnen we dat nog altijd navoelen. Ook vandaag nog is het wij/zij-denken een heet hangijzer en we kunnen ons dus goed voorstellen hoe ongemakkelijk Steiners toehoorders zich moeten gevoeld hebben toen hij zo’n duidelijke tweedeling maakte. Bovendien was het jaar 1923 het annus horribilis geweest van de antroposofische vereniging. De spanningen en conflicten waren zo hoog opgelopen dat Rudolf Steiner de wanhoop nabij was geweest en zelfs overwogen had de antroposofische vereniging te laten voor wat ze was en zich met enkele getrouwen terug te trekken. 

Wat was er dan gebeurd? De pioniers van de antroposofische beweging waren overwegend oude zielen die tegelijk ook oudere mensen waren: gepensioneerden die hun beroepsloopbaan achter de rug hadden en de rest van hun leven wilden wijden aan ‘het spirituele’. Zij waren degenen die de Antroposofische Vereniging met Duitse Grundlichkeit hadden uitgebouwd tot een hiërarchisch bouwwerk waar alles en iedereen zijn plaats had. Tijdens de eerste wereldoorlog begonnen er echter steeds meer jonge mensen toe te stromen, die vaak ook jonge zielen waren. Zij moesten nog aan hun actieve leven beginnen, een leven dat ze – als gevolg van de oorlog – helemaal anders wilden aanpakken dan de ouderen. Zij waren vervuld van ‘heidense geestdrift’ en gedroegen zich zoals de spreekwoordelijke olifant in de porseleinwinkel. De gevolgen laten zich raden: zowel de generaties als de zieletypes botsten frontaal op elkaar. 

Rudolf Steiner slaagde er uiteindelijk in de crisis te bezweren door de Weihnachtstagung in het leven te roepen en zichzelf aan het hoofd van de vereniging te plaatsen. Maar de vrede was van korte duur: onmiddellijk na zijn dood braken de onlusten weer uit en leidden uiteindelijk tot de scheuring van de antroposofische beweging. Het illustreert hoe diep de kloof was tussen de oude en de jonge zielen. Toen Rudolf Steiner op 8 juli opeens sprak over ‘twee groepen binnen de antroposofische beweging die duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn’, moet er een schok van door zijn publiek zijn gegaan. Het leek erop dat hij het grote pijnpunt, de etterende wonde van de antroposofische vereniging, ging blootleggen. En daar deinsde men verschrikt voor terug. Tegen het eind van de voordracht werden de weerstanden zelfs zo groot dat Steiner er niet meer omheen kon.

Bij mijn weten is het slechts één keer gebeurd dat Rudolf Steiner een voordracht moest afbreken omdat de weerstanden bij zijn publiek te groot werden. Dat was toen hij sprak over de menselijke sexualiteit, een met het zielenthema zeer verwant onderwerp. Dit keer zet hij echter door. Er staat teveel op het spel. Op de vraag van zijn toehoorders of ze er nu echt moeten over gaan nadenken of ze bij de ene dan wel de andere groep behoren, antwordt hij: ‘hier wil ik een zeer duidelijk antwoord op geven’. En hij doet dat met een vergelijking. Zoals een kind op een bepaald moment in zijn leven verneemt dat het een Belg, een Nederlander, een Duitser of wat dan ook is, zo moet een antroposoof er in de loop van zijn leven achterkomen tot welk van beide zieletypes hij behoort. Dat is, aldus Steiner, ‘een zelfkennis die we ons vanzelfsprekend moeten eigen maken’, een basiskennis die we ‘in ieder geval’ moeten verwerven. 

Zijn antwoord laat aan duidelijkheid niets te wensen over: er zijn nu eenmaal zaken die we als antroposoof horen te weten, daar moeten we leren aan wennen. Toch lijkt Rudolf Steiner even gas terug te nemen wanneer hij even verder zegt: ‘we zouden er in ieder geval moeten toe komen een beetje na te denken over deze zaken’. Het klinkt bijna verontschuldigend: ‘een beetje nadenken’. Maar vijf dagen later slaat hij alweer een heel andere toon aan. Hij brengt het zielenthema nu rechtstreeks in verband met niets minder dan het voortbestaan van de menselijke beschaving. Oude en jonge zielen – en dan vooral hun leidende figuren, de zogenaamde platonici en aristotelici – moeten leren samenwerken, anders, aldus Rudolf Steiner, staan we ‘aan het graf van alle beschaving’. Dit klinkt allang niet meer als een ‘intermezzo’. De toon is nu heel dringend geworden. En hij herhaalt deze apocalyptische voorspelling maar liefst vijf keer. 

Ik kan me niet herinneren Rudolf Steiner ooit met méér nadruk te hebben horen spreken. De altijd zo omzichtige en nauwgezette wetenschapper wordt aan het eind van zijn leven een profeet die de mensheid ervoor waarschuwt dat ze aan de rand van het graf staat. Hij maakt ook duidelijk wat er moet gebeuren om die katastrofe af te wenden: oude en jonge zielen moeten leren samenwerken. Het is nauwelijks mogelijk een onderwerp meer gewicht te geven. Negen maanden later sterft hij en krijgen we een voorsmaakje van wat er te gebeuren staat als we zijn woorden in de wind slaan: beide zielengroepen raken slaags en binnen de kortste keren is het afgelopen met de antroposofische werkzaamheid. Hitler komt aan de macht, de hel breekt los, de ruiters van de apocalyps draven. De antroposofische vereniging wordt in twee gescheurd, Europa wordt in twee gescheurd, en ten slotte wordt de hele wereld in twee gescheurd.

Alleen al door wat Rudolf Steiner tijdens de julimaand van 1924 vertelt, is het moeilijk het belang van het zielenthema te overschatten. Als we daar ook nog eens de omstandigheden bij rekenen waarin hij die voordrachten houdt, dan wordt het duidelijk dat het zielenthema het kloppende hart is van Steiners geesteskind. Dat wordt ook nog eens bevestigd wanneer we kijken naar de ontwikkeling van de antroposofie. Het midden daarvan – de tweede 7-jaarsperiode – wordt gekenmerkt door de twee grote thema’s die het leven van respectievelijk de oude en de jonge zielen beheersen: de christologie en de kunst. Zij vormen het hart van de antroposofie.

De diepe kloof

Wanneer we dat allemaal op een rijtje te zetten, krijgt het zielenthema iets adembenemends. We voelen als het ware de machtige geest van Michaël waaien. Maar als we vervolgens kijken naar de manier waarop gevolg is gegeven aan deze dringende Michaëlische oproep, dan stellen we vast dat de antroposofische wereld er tot op de huidige dag blind en doof voor is gebleven. Hij lijkt er zich zelfs uit alle macht tegen te verzetten. Als Rudolf Steiner zegt: we moeten absoluut nadenken over het zielenthema, dan zeggen antroposofen: we moeten absoluut NIET nadenken over dit thema. Ze keren zich met andere woorden radicaal tegen Steiner. Alle antroposofische zelfgenoegzaamheid verdwijnt als sneeuw voor de zon wanneer we zien hoe diep de kloof is tussen Rudolf Steiner en zijn volgelingen. Alle antroposofische arbeid ten spijt is de Weihnachtstagung grotendeels dode letter gebleven. We zijn er nog steeds niet in geslaagd Steiners geesteskind op de wereld te zetten. De vraag is zelfs of we dat nog wel willen. 

Als gevolg van dit alles ben ik het zielenthema de Assepoester van de antroposofie gaan noemen. Het wordt beschouwd als een vieze, vuile meid die ergens in een donkere kelder leeft waar geen enkele respectabele antroposoof een voet wil zetten. In werkelijkheid is het echter een stralende prinses die thuishoort op het koninklijk paleis aan de zijde van de prins, dat wil zeggen van het heldere, rationele bewustzijn. 
Deze beschouwingen zijn een poging om ‘de slons van ons’ te rehabiliteren en duidelijk te maken dat zich onder haar afstotelijke uiterlijk een koninklijk wezen verbergt dat ons nodigt heeft en dat ook wij nodig hebben. Helaas bezit ik geen toverstokje waarmee ik deze sloor kan veranderen in een stralende prinses, of pompoenen kan omtoveren in koetsen waarmee we allemaal naar het bal kunnen. Ik beschik slechts over twee werktuigen, en dat zijn enerzijds de mededelingen die Rudolf Steiner over het zielenthema gedaan heeft, en anderzijds de gesprekken die ik de afgelopen 35 jaar over dit thema gevoerd heb met mijn vrouw, gesprekken tussen een oude en een jonge ziel. 

Alles wat ik over het zielenthema weet – of meen te weten (want het is zeker geen exacte wetenschap) – heb ik daaraan te danken. Al mag ik natuurlijk de weerstanden niet vergeten die het zielenthema oproept, want misschien zijn zij wel de grootste stimulans geweest om na te denken over oude en jonge zielen. Ik heb namelijk nooit begrepen hoe mensen zo weigerig kunnen staan tegenover wat mijns inziens het meest aantrekkelijke en boeiende thema is van de hele antroposofie. Zelf ben ik er bij wijze van spreken als een blok voor gevallen: het was liefde op het eerste gezicht. Het heeft me dan ook vaak verdriet gedaan te zien hoe stiefmoederlijk mijn geliefde Assepoester werd behandeld, en ik voelde me schuldig dat ik niet méér voor haar kon doen. Ik ben dan ook blij dat ik nu een kans krijg om het voor haar op te nemen. 

De weerstanden

Ik ben van mening dat het weinig zin heeft over oude en jonge zielen te spreken zonder gewag te maken van deze weerstanden. Want ze zijn sterk, uitzonderlijk sterk. Als ze antroposofen ertoe kunnen brengen 100 jaar lang doof en blind te blijven voor de meest dringende oproep die Rudolf Steiner ooit gedaan heeft, dan raken ze een heel diepe zenuw. Om erachter te komen welke zenuw dat is, gaan we nog eens te rade gaan bij Rudolf Steiner, want hij kende de weerstanden ongetwijfeld beter dan wie ook. De antroposofie, zegt hij, in antwoord op de bezwaren die hij bij zijn publiek gewaarwordt, mag geen theorie blijven. Dat is niet waarvoor ze in het leven werd geroepen. Ze moet in praktijk worden gebracht, ze moet op het leven worden toegepast. Als we alleen maar praten over karma dan hoeft dat niet zoveel pijn te doen. Maar als het in het eigen vlees snijdt, dan komen we dichter bij ons eigen wezen. En daar gaat het om. Het verdiepen van het wezen van de mens, dat is de opgave van de antroposofie. Aldus Rudolf Steiner. 

De weerstanden die het zielenthema oproept, kunnen dus onder één noemer worden gebracht: die van de zelfkennis. Wie wil weten tot welke groep hij behoort – die van de oude of die van de jonge zielen – moet zichzelf aan een grondig onderzoek onderwerpen, een karakter- en gewetensonderzoek. Hij moet tegenover zichzelf gaan staan en zich bij wijze van spreken losrukken van het eigen ego. Dat doet pijn, dat ‘snijdt in het eigen vlees’, daar heeft iedereen het moeilijk mee. Maar daardoor wordt het zielenthema wel een ‘intensieve toepassing op het leven’, zoals Steiner het uitdrukt. Het is niet enkel theorie, het is ook praktijk, de voor iedereen moeilijke praktijk van de zelfkennis. 

Het loont de moeite hier even bij stil te staan. Rudolf Steiner verwacht van antroposofen dat ze gaan nadenken over het zielenthema, dat ze er proberen achter te komen tot welke zielengroep ze behoren. Praktische consequenties heeft dat niet, want het speelt zich enkel in de gedachten en de gevoelens af. Toch noemt Steiner het een ‘intensieve toepassing op het leven’. Het gaat dus om een denken dat tegelijk een doen is, om een theorie die tegelijk praktijk is. En hier toont het zielenthema zijn wezenlijke aard: het vormt een brug tussen de tegenpolen omdat het beide in zich draagt. Het vormt dus een ‘midden’, een gebied waar de tegenstellingen elkaar ontmoeten en in elkaar overgaan. Dit is het specifiek menselijke gebied, waar de (geestes)wetenschap tot een persoonlijke, intieme aangelegenheid wordt. Het is dit gebied dat de antroposofie na de Weihnachtstagung betrad en waarvan Rudolf Steiner zei dat er ‘vanuit het hart tot het hart’ moest worden gesproken. 

Het zielenthema is een hartsaangelegenheid of het is niets. Als het louter theorie blijft en niet opgenomen wordt in ons hart, dan gebeurt er wat de afgelopen 100 jaar is gebeurd: het wordt genegeerd als een familielid waarvoor men zich schaamt en waarover men in alle talen zwijgt. Maar door deze Assepoester in de kelder op te sluiten, sluit de antroposofie zichzelf op. Ze berooft zichzelf van wat haar grootste bezieling zou kunnen worden, van wat de brug zou kunnen vormen met de buitenwereld. En is dat niet de bedoeling van de antroposofie: dat ze de wereld bevrucht, dat ze nieuw leven brengt? Maar dat zal ze nooit kunnen als ze dat leven niet in zichzelf vindt, als ze haar eigen ziel niet bevrijdt uit de duistere diepten van het onbewuste, als ze niet naar zichzelf leert kijken. En ja, dat zal pijn doen, het zal ‘in het eigen vlees snijden’. Maar wat betekent die pijn vergeleken bij de vreugde van een ziel die het licht ziet en niet langer in een kelder hoeft te leven! 

Advertenties