Subsidies en andere nonsens

door lievendebrouwere

  
Hierboven ziet u een aantal kunstenaars die – zoals het kunstenaars past – op een originele manier protesteren tegen het snoeien in de kunstsubsidies. ‘Het water staat ons aan de lippen’, geven ze met deze performance te kennen. Vandaag krijgen ze in de krant steun van Elke Wambacq, die iets doet in de management consultancy business. Ze schrijft onder meer:

‘Als ik het rapport nakijk over het inkomen van de kunstenaars, dan moet ik met scha en schande vaststellen dat mijn eigen inkomen een veelvoud is van wat de gemiddelde kunstenaar verdient. Waarom zijn ze minder waard dan ik? God mag het weten… En nu is er gedoe met de subsidies. Een kleine vijver waar kunstenaars allemaal samen in gaan vissen en zich bovendien moeten ontpoppen als bureaucraat. Ik daag elke sterveling uit om eens een subsidiedossier op te maken en in te dienen. Pagina’s vol zeveren over het belang van het project en proberen al die criteria stap voor stap te verantwoorden en te motiveren. Mensen die gewoon zijn om te communiceren in beeld en geluid krijgen over het algemeen een aantal grijze haren erbij om zich in te leven in het kluwen die de overheid aanbiedt. Zo moet je eens aan een kunstenaar uitleggen dat een subsidie aanvragen bij de Vlaamse Gemeenschapscommissie énkel geldt in Brussel. Neem zeven tassen koffie en een fles whisky erbij om dit te overleven. De reden waarom de 400 kunstenaars uit hun krammen schieten, is natuurlijk dat vreselijke gevoel van onrechtvaardigheid dat hen overvalt. Positief beoordeelde dossiers worden negatief. De transparantie is op de één of andere manier verdwenen en er komen verdenkingen dat er in de jury mensen zitten die graag geel zien en jij, met je blauwe kleur, niet in de smaak valt. Gevoelens van willekeur.’

Elke heeft duidelijk sympathie voor kunstenaars. Ze vindt kunst ook heel belangrijk, want ze heeft het succes in haar job te danken aan de kunst. ‘Geen enkel managementmodel’, schrijft ze, ‘krijg ik uitgelegd zonder inspiratie op te doen in de schilderkunst, het theater of de fotografie. Al mijn Powerpoints zijn doordrongen van beelden die meer zeggen dan woorden. Filmpjes die al dan niet professioneel zijn gemaakt, worden gebruikt om verhalen te vertellen en te illustreren wat bijvoorbeeld leiderschap is of hoe een strategie van een bedrijf tot stand komt. We huurden een tekenaar in om een aantal van onze modellen te tekenen zodat het toegankelijk is. Kunst is communicatie. Cultuur is de voedingsbodem van ons bestaan.’

Wie zou ze met ‘ons’ bedoelen, vraag ik me af. De managers en bedrijfsleiders? Zonder dat ze het beseft, schetst Elke Wambacq de situatie van de kunst: enerzijds het slaafje van het bedrijfsleven, dat ‘kreatievelingen’ (zo worden ze daar genoemd) nodig heeft om haar commerciële of ideologische boodschap verkocht te krijgen, anderzijds het slaafje van de overheid die bepaalt wie subsidies krijgt en wie niet. In geen van beide vormen van slavernij ziet la Wambacq graten. Dat kunstenaars zich moeten lenen om Powerpointpresentaties op te leuken, vindt ze geheel vanzelfsprekend, en dat ze door de overheid gesubsidieerd moeten worden, vindt ze niet meer dan normaal. Maar … wat is dan haar probleem dan? Waar gáát dit stuk eigenlijk over?

‘Er zijn een aantal basiselementen’, schrijft ze, ‘waar een overheid nooit mag falen: mensen op een objectieve, transparante en gelijke manier behandelen. Elk systeem dat dit op de één of andere manier ombuigt is tegelijk ook een vloek uitspreken in de democratie. Het is duidelijk dat er veel werk is aan de winkel om kunstenaars niet te behandelen zoals paria’s. Ze verdienen respect en een gelijke behandeling op onze economische ladder.’

Wat Wambacq stoort is – blijkbaar – de ongelijke behandeling, de onrechtvaardigheid, de willekeur, het gebrek aan transparantie en objectiviteit bij de toekenning van subsidies. Maar wat stelt ze zich eigenlijk voor bij een objectieve, transparante en rechtvaardige verdeling van subsidies? Zou ze daar eigenlijk al eens over nagedacht hebben? Want al die protesterende kunstenaars die ze een hart onder de riem wil steken, zijn kunstenaars die dit jaar geen subsidies meer krijgen en er vorig jaar dus wel gekregen hebben. Ze behoren met andere woorden tot de happy few die voor subsidies in aanmerking komen. Maar hoe zit het dan met de kunstenaars die nooit subsidies krijgen en die daar niet eens kúnnen tegen protesteren omdat ze eenvoudig niet als kunstenaars worden beschouwd. 

Het zijn vandaag immers het bedrijfsleven (vooral dan de kunsthandel) en de overheid die bepalen wat kunst is en wie kunstenaar is. Hoe doen ze dat? Welke criteria hanteren ze daarvoor? Alleszins geen objectieve criteria, want die zijn in onze postmoderne tijd afgeschaft. Net zoals de waarheid is ook de schoonheid een volkomen subjectieve en dus relatieve aangelegenheid geworden. Wat kunst is, wordt door middel van consensus vastgesteld. Maar zo’n consensus of afspraak verandert natuurlijk wanneer de samenstelling van ‘de jury’ verandert. En laat dat nu juist het probleem zijn! De protesterende kunstenaars verdenken de jury er namelijk van liever geel dan blauw te zien. Zolang de jury blauw prefereerde, protesteerden ze niet, want dan vielen ze in de prijzen. Maar nu de smaak van de jury naar geel neigt en ze uit de boot dreigen te vallen, maken ze luid misbaar in naam van de kunst, in naam van de cultuur, in naam van de samenleving. Terwijl het enkel en alleen om hun eigen hachje gaat. Diezelfde schijnheiligheid kenmerkt ook Elke Wambacq. Ze beweert in naam van de kunst en de kunstenaars te spreken, maar eigenlijk maakt ze zich alleen zorgen om haar Powerpoints, om haar eigen carrière. 

Het is deze schijnheiligheid die steeds meer mensen tegen de borst stoot en die hen doet denken: wat kunnen mij die kunstenaars schelen! Ik ben zelf kunstenaar, maar als ik de foto hierboven zie, denk ik bij mezelf: nog even volhouden jongens en meisjes, straks is het vloed en dan zijn alle problemen opgelost! Ik voel niet de minste solidariteit met die gesubsidieerde en officieel erkende kunstenaars die zelf geen ene moer geven om (letterlijk en figuurlijk) andere kunstenaars. En dat is in wezen tragisch, want in feite zitten ze allemaal in hetzelfde bootje: ze vechten om te overleven. Maar die zo nodige solidariteit (waarin kunstenaars trouwens nooit uitgeblonken hebben, om het zacht uit te drukken) kan er nooit komen zolang de overtuiging heerst dat kunst een louter subjectieve aangelegenheid is die alleen door middel van consensus kan beoordeeld worden. Dat is de wortel van het kwaad dat de kunstwereld momenteel met zoveel geweld treft. En zolang die wortel niet wordt uitgetrokken, zullen kunstenaars zoveel mogen protesteren als ze willen, ze hebben geen poot om op te staan. 

Het enige wat een eind kan maken aan dit beschamende bedelen om subsidies is het gewaarborgd basisinkomen, niet alleen voor kunstenaars, maar voor iederéén. Want tenslotte is ieder mens vandaag geroepen om een kunstenaar te worden en dat kan hij niet zolang hij de slaaf is van overheid en/of bedrijfsleven. Een kunstenaar moet vrij zijn, en dat is hij alleen wanneer hij zich geen zorgen hoeft te maken over zijn materiële bestaan. Het recht op dat bestaan moet even objectief zijn als het wezen van de kunst. Het mag evenmin afhankelijk zijn van een consensus van mensen die onder elkaar beslissen of iemand kunstenaar mag zijn, of iemand recht van bestaan heeft. Want wie gaat in de jury zitten? Wie gaat bepalen of andere mensen mogen leven en werken? Een bedrijfsleider? Een minister? Elke Wambacq? 
  

(Elke Wambacq)

Advertenties