De duivel met Beëlzebub uitdrijven

door lievendebrouwere

  

Toen ik jong was, was Godfried Bomans een begrip. Mateloos populair in Vlaanderen en Nederland. Vandaag: nagenoeg vergeten. Zou de jongere generatie ooit van hem gehoord hebben? Ik vraag het me af. Wat de man zo aantrekkelijk maakte, was natuurlijk zijn onnavolgbare gevoel voor humor. Het wemelt vandaag van de stand up comedians maar ik ken niemand die zelfs maar in de buurt van Bomans komt. Dat heeft natuurlijk ook wel te maken met zijn wezen: hij was enerzijds een onschuldig speels kind en anderzijds een zeer wijze en ernstige oude man. Kom daar vandaag nog maar eens om! 

Ik trok onlangs op goed geluk het boekje ‘Beminde Gelovigen’ uit m’n kast. Het is een verzameling stukjes of columns die Godfried Bomans schreef over het katholieke leven, want hij was zelf een gelovig katholiek, zij het niet zonder (naar verluidt diepe) twijfels. Toen ik het boekje, dat dateert uit 1970, opensloeg viel m’n blik op de titel ‘Over fanatisme’. Het gaat over het Pater Roothaan Genootschap ‘dat zich ten doel stelt de devotie tot pater Roothaan te bevorderen en tevens ijvert voor zijn zaligverklaring te Rome.’ Met zo’n begin verwacht je natuurlijk een zeer ironische beschouwing over dit anachronisme, geheel in de stijl van Godfried Bomans, maar die komt er niet. Integendeel, Bomans is zeer ernstig. Hij neemt de verdediging van dit Genootschap op zich tegenover iemand die zich opwindt over het periodiekje dat hij toegestuurd kreeg met een kleine bloemlezing van gebedsverhoringen: ‘Als u nog één keer zo’n infantiel blaadje over pater Roothaan durft uit te geven, dan stuur ik het regelrecht naar Godfried Bomans en kunt u een vernietigend artikel van zijn hand verwachten! U heeft er geen idee van hoe er door ontwikkelde katholieken de spot met dit soort fanatisme gedreven wordt. En wat pater Roothaan betreft, zulke pamfletten doen hem alleen maar de das om.’

In plaats van een vernietigend artikel te schrijven, wijdt Godfried Bomans eerst een beschouwing aan de heiligenverering. Een ‘grootse conceptie’ noemt hij dat. En dan vervolgt hij: ‘Intussen is het niet mijn bedoeling dit idee hier te verklaren of toe te lichten. Waar het mij nu om gaat is het signaleren van een gevaar. Dit gevaar is de intolerantie.’ Duizenden mensen geloven in de voorspraak van pater Roothaan. Ze geloven dat hij nog altijd werkzaam is. ‘Is iemand daarom belachelijk? Ik begrijp dit niet. Men kan natuurlijk van mening zijn dat een gestorvene geen enkele activiteit meer ontplooien kan. Het is echter verkeerd om hieraan de overtuiging te koppelen dat deze mening superieur zou zijn, want dát doet men toch als men het woord ‘infantiel’ in de mond neemt. De denkfout die hier gemaakt wordt is dat men twee opvattingen, die geen van beide bewijsbaar zijn, in een wetenschappelijke rangorde zet. Is die vergissing eenmaal gemaakt, dan begaat men een tweede, ditmaal een fout in goede manieren. Men meent het recht te hebben zich over die ‘mindere’ overtuiging geringschattend uit te laten. Ten slotte begaat men dan nog de onbehoorlijkheid om het stopzetten van publicatie te eisen met als stok achter de deur dat een bepaalde schrijver (die gemakshalve maar geannexeerd wordt) de zweep er eens over zal halen. Wat de man bestrijden wil is een bepaalde mening die hij uitdrukkelijk als fanatiek veroordeelt. Op zijn beurt valt hij dan in een verschrikkelijk fanatisme waarbij hij zelfs voor chantage niet terugdeinst. 

Ik vind het geval daarom zo verontrustend omdat ik het overal om me heen gebeuren zie. Wie stenen door ramen gooit en andersdenkenden molesteert, kan wel ménen dat hij het fascisme bestrijdt, in feite echter gebruikt hij de methode van zijn tegenstander. Wie voor een bepaalde vrijheid is en degene die daar wat genuanceerder over denkt uitjouwt en het spreken onmogelijk maakt, kan wel menen dat hij aan deze zijde van de barricade staat, in feite staat hij aan de overkant. Zo is het ook met de debatten over het geloof. Men wil een bepaalde bewustzijnsvernauwing of althans iets wat men daar voor aanziet eens krachtig openbreken. Het resultaat is een nieuwe vernauwing waarin bijna geen adem meer te krijgen is. Wat zulke mensen niet zien is dat ze bezig zijn de duivel met Beëlzebub uit te drijven. Je ziet allerwegen dit soort exorcisten druk bezig om met de karwats allerlei demonen te lijf te gaan en wat je ten slotte overhoudt zijn nieuwe bezetenen, zeven maal erger dan de eerste.’

To zover Godfried Bomans.

Wat mij treft in deze tekst, naast het heldere denken en de voortreffelijke verwoording, is de actualiteit ervan. Bomans beschrijft zaken die 45 jaar geleden blijkbaar al gangbaar waren. Ik was toen 15 jaar, las Tsjechow en had geen flauw benul van wat er in de buitenwereld gaande was. Het interesseerde me ook totaal niet. In de krant las ik alleen Suske en Wiske en de Rode Ridder. Maar blijkbaar was de ‘bezetenheid’ – en dat woord is goed gekozen – die dezer dagen zo’n schrikbarende vormen aanneemt, toen reeds volop aan de gang. Een mens vraagt zich af of ze, sinds de Grote Oorlog, ooit wel weg is geweest. Het siert Godfried Bomans alleszins dat hij er – zonder een spoor van ironie – tegen in het gelid treedt. We missen mensen zoals hij. 

Advertenties