Ik wou dat ik was wat ik was toen ik wou dat ik was wat ik nu ben

door lievendebrouwere

  

  

De afgelopen weken heb ik hard gewerkt, dus toen de zon vandaag zo verleidelijk scheen, dacht ik: laat ik nog maar eens naar de antroposofische bib fietsen! Ik moest toch nog twee boeken terugbrengen, een dik en een dun, dus dat waren twee vliegen in één klap. Na een kwartier vergeefs gezocht te hebben naar het dunne boek, haalde ik m’n schouders op: dan maar alleen het dikke! Mieke zou me wel streng berispend toespreken, maar dat ben ik inmiddels gewoon. Ik hou wel van mensen die nooit veranderen, dat geeft zekerheid in ’t leven. En dus fietste ik opgewekt door Gods heerlijke natuur, dat wil zeggen: ik ging te voet – om beter te kunnen genieten. 

Bij de vijver bleef ik even staan kijken naar één van de mooiste dingen op aarde: de zon die op het water glinstert. Als duizenden sterren dansten de glinsteringen, de vijver was als een omgekeerde nachthemel die tot leven is gekomen. En ik dacht: die dansende sterren verschijnen alleen doordat het water in beroering is, doordat het golft. Het was een beeld dat me vertelde dat de geest alleen zichtbaar wordt in een bewogen hart. Niet heftig bewogen zoals in de kranten, niet vlak als een spiegel zoals bij de boekhouders, nee, rustig kabbelend en lieflijk als de maand september. 

Wat verder luisterde ik verrukt naar het ruisen van een rij hoge populieren. Zo stel ik mij de geestelijke wereld voor: als een eindeloos geruststellend ruisen van ontelbare zielen, allemaal bladeren aan één grote boom. Ik passeerde de ‘reeënwei’. Ze was leeg, maar vanuit de stal aan de overkant kwamen ze in een lange rij aangetrippeld, de reeën, uchend en kuchend. Want zo sierlijk als deze dieren zijn, zo amechtig is het geluid dat ze maken, alsof ze allemaal verkouden zijn. Kwispelstaartend bleven ze voor het hek staan, niet in het minst ontgoocheld omdat ik niks voor hen bijhad. Dat heb ik trouwens nooit. Misschien wilden ze alleen maar even goeiedag zeggen.

Het wandelen moe, sprong – dat wil zeggen kroop – ik op m’n fiets en vervolgde m’n weg met de zon op mijn huid. Hoe zalig ontspannen is de natuur in september! En hoe verbeten spant de mens zich in om daartegenin te gaan. Ik reed langs een uitgestrekt terrein vol puin waar reusachtige metalen insecten aan het schrapen, scheppen, boren en verpulveren waren. Ook dat hoort bij het maagdelijke september: het nijvere bezig zijn, het kleiner maken van wat groot is. Alleen had het hier wel zeer ahrimanische vormen aangenomen. Wat is Ahriman toch lelijk! Zo ongelooflijk intelligent en sterk als hij is, zo ongelooflijk lelijk en lawaaierig is hij! Moet het geen ongelooflijk grote kwelling zijn voor zo’n grote geest om zo lelijk te zijn en alleen maar te kunnen grommen, loeien, dreunen, ratelen en denderen? Wat een verschil met Lucifer, want dié is van een opwindende kat-achtige schoonheid! Waarschijnlijk is het daarom dat Ahriman, heel anders dan Lucifer, zichzelf verbergt. Hij is de geest die zegt dat hij niet bestaat. 

Maar ik kwam in de bewoonde wereld en moest uit m’n doppen kijken. Heelhuids bereikte ik de Lousbergskaai. Aan de overkant lag een sierlijke Hollandse boot aangemeerd, zo een met een grote mast in het midden en een surfplank tegen de zijkant. ÛS WILLE las ik op de boeg. Waarschijnlijk Fries. Het was Zeeuws zou ik later googelen. Waarschijnlijk betekende het zoiets als ‘Onze droom’, ‘Dit is wat we (altijd) gewild hebben’. In Brugge zie ik dergelijke oude boten wel eens liggen, maar in Gent? Zouden ze de afslag gemist hebben?

Ik stapte binnen en zag Walter Van Hove achter de tafel zitten. 

Dag Mieke, zei ik monter, je bent veranderd, ik had je bijna niet herkend!   

Walter moest hartelijk lachen. 

Ik legde mijn boek voor hem neer en meteen begon hij in Miekes Meesterlijke Kaartsysteem te zoeken. En raakte al vlug het spoor bijster.

Gaat het Walter, vroeg ik bezorgd, je weet toch dat ik een week te laat ben?

Jaja, antwoordde hij, dat had ik al gezien, dat gaat je een fortuin kosten! 

Daar moest ik hartelijk om lachen. 

Ik heb er nog eentje thuis, zei ik, maar dat kan ik niet vinden.

Je moest er maar één terugbrengen, antwoordde hij. 

Arme Walter, dacht ik, hij wordt oud, hij begrijpt niet meer wat er op Miekes kaartjes staat!

Maar daar wilde ik hem niet mee confronteren, Mieke zou het volgende week wel ontdekken.

Even later zag ik het boek zitten waar ik thuis een kwartier had naar gezocht.

Ach here, dacht ik, ik word oud!

Ik keek een beetje rond en nam drie boeken mee: twee nieuwe van en over Sergej Prokofieff en een oud van Rudolf Steiner over de Apocalyps. Ik had hard gewerkt de laatste tijd, dus ik had recht op een beetje ontspanning, vond ik. 

Walter rekende de twee bibliotheekboeken af, maar trok grote ogen toen hij het prijskaartje van het tweedehandsboek zag: 10 euro. Ja Walter, zei ik, nu ik toch al een fortuin kwijt ben, kan ik evengoed helemáál failliet gaan! 

Daar moest Walter hartelijk om lachen. 

Toen ik m’n boeken wilde meenemen, viel m’n oog op de stralend paarse zitting van de stoel naast de tafel. Hemeltje, zei ik, het is de eerste keer dat het me opvalt hoe bisschoppelijk paars die stoelen er wel uitzien! 

Je weet toch, zei Walter, dat paars ook een antroposofische kleur is?

Jaja, dat weet ik, antwoordde ik, maar het verschil is niet altijd even duidelijk.

Daar moesten we allebei hartelijk om lachen. 

Zo hoort antroposofie te zijn, dacht ik: zonnig en vrolijk, ontspannen en bewogen, als de zon die glinstert op het water, als de populieren die ruisen in de wind, als reetjes die kwispelen en uche, uche doen, als Hollandse boten die aanmeren in Gent, als een dag in september, als vandaag …

Advertenties