Als in een donkere spiegel …

door lievendebrouwere

  

‘Het zal vreemd klinken, maar het verwijt dat Rik Torfs ons maandag toewierp, voelde goed aan. De rector van Leuven las de vaderlandse pers over de vluchtelingencrisis, stelde vast dat de kranten eensgezind genereus zijn tegenover de oorlogsvluchtelingen en concludeerde dat de journalisten eigenlijk moralisten zijn. Ze weten dat een groot deel van hun lezers veel kritischer staat tegenover migratie, vond hij, dat die kritiek niet zomaar te reduceren valt tot xenofobie, en toch prediken ze als missionarissen goedheid en openheid tegenover mensen die oorlog en geweld ontvluchten. Ze zijn er zich niet van bewust, maar eigenlijk zijn journalisten verdoken katholieken. Enfin, ik parafraseer Rik Torfs nogal vrij, een echte katholiek als hij formuleert het allemaal wat genuanceerder.’

De recente kritiek van Rik Torfs – een halve bladzijde onder de titel ‘De kloof tussen de pers en de burger’ – is blijkbaar aangekomen. Hoofdredacteur Karel Verhoeven dient hem vandaag van repliek over twee volle bladzijden. Verbluffende bladzijden. Zijn parafrase van Torfs’ kritiek is namelijk zeer ad rem, ze geeft de kern van de zaak treffend weer. Verhoeven heeft Torfs dus heel goed begrepen. Maar wat heeft hij erop te zeggen? Hij schrijft: ‘Echt opmerkelijk is het niet dat de pers moralisme verweten wordt, wel dat ze voor de voeten geworpen krijgt dat ze over zo’n vitale kwestie haar lezers niet naar het hart praat.’ En vervolgens wijdt hij het grootste deel van zijn repliek aan de relatie tussen politici en pers. De politici, beweert hij, polariseren, maken ruzie, stichten verwarring, denken alleen aan zichzelf, proberen munt te slaan uit de vluchtelingenkwestie. Maar de pers gaat daartegen in, ze probeert te nuanceren, te duiden, te controleren en te confronteren. Ze is menselijk, inzichtelijk, gebalanceerd en interessant. Haar belangrijkste drijfveer is waarheidsvinding. Uitzoeken hoe het echt in elkaar zit. Inzicht verwerven. Bovenal nauwkeurig en integer. De berichtgeving moet zo betrouwbaar mogelijk zijn. De feiten moeten kloppen. Woord krijgt wederwoord. Onze fouten zetten we recht. Enzovoort, enzovoort, enzovoort. Er komt maar geen eind aan deze zelfbewieroking. 

Zoals ik al zei: verbluffend. Na het lezen van deze laudatio pro domo kun je niet anders dan denken: wat is hier in godsnaam aan de hand? Hoe is het mogelijk dat een zéér terechte kritiek, die ook zéér goed werd begrepen, beantwoord wordt met de meest schaamteloze zelfverheerlijking die je je maar kunt voorstellen? Het eerste wat in me opkomt, is dat die schaamteloosheid een uiting van … schaamte is. Karel Verhoeven weet heel goed dat Rik Torfs gelijk heeft, overschot van gelijk. Maar hij wil het niet weten, en hij gebruikt alle middelen om dat besef eronder te houden. Die middelen tekenen hem (en zijn krant) echter ten voeten uit.

Hoe onderdrukt hij het besef dat zich iedere dag meer opdringt, niet alleen bij de krantenlezers maar blijkbaar ook bij de krantenmakers zelf? Hoe probeert hij het voor de hand liggende toch te uit de weg te gaan? Hij begint met een schijnbeweging. Eerst schrijft hij: ‘Echt opmerkelijk is het niet dat de pers moralisme wordt verweten.’ En onmiddellijk daarna zegt hij: ‘Echt opmerkelijk is dat de pers verweten wordt dat ze haar lezers niet naar de mond praat.’ Ik parafraseer het nu even om duidelijk te maken dat zijn eerste reactie een contradictio in terminis is. Lezers niet naar de mond praten en moralisme zijn in deze context precies hetzelfde. Een moralist is iemand die anderen niet naar de mond praat maar hen juist zegt dat ze verkeerd zijn, dat ze anders zouden moeten handelen. Toch stelt Verhoeven het voor als zouden het twee verschillende zaken zijn, de ene opmerkelijk, de andere niet. 

Vervolgens beweert hij dat de politici mensen naar de mond praten in de hoop hun stem te krijgen. De Standaard, zegt hij, gaat daar dwars tegenin. Ze praat haar lezers niet naar de mond en gedraagt zich dus wel moralistisch. Let even goed op wat Verhoeven hier doet. Politici, zegt hij, praten mensen naar de mond in de hoop hun stem te krijgen, en dat vind hij duidelijk afkeurenswaardig. Politici zouden volgens hem … moralisten moeten zijn, mensen die de bevolking zeggen wat ze moeten doen, ook al vindt die bevolking dat niet prettig. Aangezien de politici die moraliserende rol niet spelen, neemt de pers die rol dan maar op zich. En ze doet dat met grote overtuiging. Karel Verhoeven spijkert ‘De waarden van De Standaard’ op zijn krant, als was hij de Luther van de Vlaamse pers. Hier sta ik, zegt hij, ik kan niet anders. Dit zijn mijn morele richtlijnen en ik zal er alles aan doen om ze erin te hameren. 

Op de kritiek van Rik Torfs dat journalisten moralisten zijn geworden, antwoordt hij dus: ja natuurlijk zijn wij moralisten, vurige moralisten zelfs, en zo hoort het ook! Iémand moet het volk leiden in deze woelige tijden, en als de politici falen dan nemen wij het roer over! Zonder enige schaamte presenteert hij zichzelf en zijn collega’s als de echte leiders van het volk, die licht brengen in de duisternis, die de rechte weg tonen en een voorbeeld zijn voor iedereen. Hij profileert zich niet slechts als een christen, dat wil zeggen als iemand die probeert het voorbeeld van Christus te volgen, nee hij identificeert zich zonder meer met Christus. Het scheelt niet veel of hij zegt (weliswaar in naam van De Standaard): ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Dat is een behoorlijke stap verder dan het oude AVV-VVK: Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Kristus. 

Karel Verhoeven weerlegt de kritiek van Rik Torfs dus niet, hij beschouwt ze als een compliment. Dat blijkt al uit zijn allereerste woorden: ‘het verwijt van Rik Torfs voelde goed aan’. In feite verwijt hij Torfs dat diens verwijt niet nog veel scherper was, want dan zou het nog veel beter aangevoeld hebben. En dus neemt hij het over en blaast het op tot proporties die hem een moreel orgasme bezorgen waar je als lezer verbluft zit naar te kijken. Heb ik dat nu goed gezien? vraag je je af. Maar het punt is nu juist dat je dit schaamteloze spektakel – de hoofdredacteur van De Standaard die zichzelf (over twee volle bladzijden) bevredigt – niet opmerkt als je niet heel aandachtig en nauwkeurig leest. Als je nog de hele weekendkrant, DS-weekblad en DS-magazine inbegrepen, voor de boeg hebt, dan lees je over alle contradicties heen en blijft als conclusie de indruk hangen: daar heeft die Torfs niet van terug, nu zal hij wel een toontje lager zingen! 

Karel Verhoeven schrijft over de politici: ‘Of de feiten correct zijn, doet er niet toe. Ze moeten redelijk lijken en een indruk versterken. De indruk dat de politicus ergens voor staat.’ Hij beschrijft dus heel precies wat … hijzelf doet. Wat hij in zijn verweerschrift zegt lijkt echt, de feiten die hij aanvoert lijken correct, maar het enige wat hij echt doet, is een indruk versterken, de indruk dat hij ergens voor staat. En waar hij voor staat, met de grootste overtuiging, zijn de … christelijke waarden. Precies zoals Rik Torfs beweerde. En daar voelt hij zich heel goed bij, buitengewoon goed zelfs. Hij zegt dat niet alleen meteen bij het begin, het spreekt uit zijn hele stuk en culmineert in de trotse en zelfbewuste affichering van ‘De waarden van De Standaard’: Karel Verhoeven voelt zich heel goed, letterlijk én figuurlijk. Wat hij eigenlijk zegt is: ‘Ik ben de standaard, ik ben de norm, ik ben het lichtende voorbeeld voor het volk.’ Hij zegt nog nét niet: ‘Ik ben Christus’. Maar het is wél de indruk die hij achterlaat, de indruk van iemand die heel rustig, heel redelijk, heel zelfverzekerd zegt: ‘Ik ben het licht der wereld.’

Ik overdrijf nu natuurlijk een beetje, maar dit zijn toch de beelden die Karel Verhoeven oproept, de indruk die hij achterlaat: die van een door en door christelijk mens (annex dagblad). Er ontbreekt maar één ding aan zijn betoog, er is maar één kritiek van Rik Torfs waar hij niet over spreekt, en dat is dat hij zich niet bewust is van zijn christelijkheid. Maar dát is nu juist de kern van Torfs kritiek, hoewel hij ze, als naar Egyptische gewoonte, omzwachtelt met zoveel woorden dat ze nagenoeg onherkenbaar wordt. Het hele probleem met de pers is niet haar gemoraliseer, het zijn niet haar pogingen om de bevolking op te voeden tot meer menselijkheid, het is niet haar zelfverzekerdheid, het is niet haar gedrevenheid, het zijn niet haar waarden en idealen, het is niet haar door en door christelijke karakter. Daar gaat het allemaal niet om, daar is op zich niks mee mee. Waar het om gaat, is dat ze zich daar niet van bewust is. De pers is onbewust christelijk, instinctief christelijk, automatisch christelijk. Daar ligt het probleem.

En het is niet het probleem van de pers alleen, het is het probleem van de hele intellectuele en culturele wereld, het is het probleem van de moderne mens tout court, het is ons probleem. We zijn allemaal door en door christelijke mensen geworden en … we weten het niet. De christelijke waarden en idealen zijn in ons tot een tweede natuur geworden: diep verbonden met ons wezen en daardoor onweerstaanbaar. Maar we weten het niet. Meer zelfs, we willen het niet weten. Rik Torfs heeft gelijk: de gedachte christelijk te zijn, is genoeg om journalisten (en niet alleen journalisten) een hartaanval te doen krijgen. Alles, maar niet (opnieuw) christelijk! Nog liever de islam dan terugkeren naar het christendom! Zo diep is de afkeer voor het (oude) christendom dat zowat alles van de islam verdragen wordt. Eigenlijk is die tolerantie voor de islam niets anders dan een camouflage voor de diepgewortelde afkeer voor het christendom. 

Zwei Seelen wonen in meiner Brust, laat Goethe zijn Faust zeggen. En inderdaad, er leven in de moderne mens twee ‘zielen’, twee instincten, twee naturen waar hij zeer diep mee verbonden is: een door en door christelijke natuur, en een door en door antichristelijke natuur. Waar die christelijke natuur vandaan komt, ligt voor de hand: na 2000 jaar christendom zijn de christelijke waarden zo diep in onze natuur doorgedrongen dat ze daar tot een instinct zijn geworden, een tweede natuur. Waar die antichristelijke natuur vandaan komt, is minder duidelijk. Maar feit is dat ze bestaat, dat kunnen we uit alles opmaken. Niet alleen rept Karel Verhoeven in zijn stuk niet over het christelijke, het komt ook niet in ‘De waarden van De Standaard’ voor. Het komt eigenlijk nergens in voor, het is een taboe. Er wordt nauwelijks gerept over de wereldwijde vervolging van christenen door moslims, een vervolging die doorgaat tot in de Europese asielcentra. Zelfs de paus zwijgt in alle talen over die herhaling van de geschiedenis. En zo zijn er talloze voorbeelden te geven van het antichristelijke instinct dat de hedendaagse mens beheerst.

Van die diepe tweespalt is de hedendaagse mens zich niet bewust. Er speelt zich tussen zijn ‘twee zielen’ een intense strijd af (die tussen haakjes de oorzaak is van the clash of civilisations) waar hij niks van afweet en ook niks vanaf wil weten. Deze onwil doordringt zijn hele bewustzijn en zijn hele handelen. Alles wat de mens herinnert aan die fundamentele tweespalt doet hem terugdeinzen. Alles wat deze innerlijke dualiteit weerspiegelt – of het nu the clash of civilisations is, de tegenstelling tussen links en rechts, of de relatie tussen oude en jonge zielen – vervult hem met een irrationele afkeer en doet hem zijn tegenwoordigheid van geest verliezen. Wat deze afkeer veroorzaakt, is waarschijnlijk angst voor de intense strijd die zich in zijn ziel afspeelt tussen zijn twee ‘naturen’, de christelijke en de antichristelijke. Maar ook schaamte, schaamte omdat hij geen partij kiest in deze strijd, omdat hij zijn christelijke natuur weerloos overlevert aan zijn grootste vijand.

Om in beelden te spreken: deze christelijke natuur is het kind-in-de-mens, en de antichristelijke natuur is de draak die, zoals de Apocalyps zegt, het kind wil verslinden. Onlangs maakte een Brusselse politica zich druk over enkele zogezegde racistische cartoons die in Vlaamse kranten waren verschenen. Ze vergeleek Vlaanderen met Engeland ‘waar zoiets niet mogelijk is’ en pleitte voor de (nog) veel strengere Britse politieke correctheid. Dat honderden misbruikte en mishandelde kinderen de prijs zijn die voor deze correctheid betaald wordt, daarover repte ze met geen woord. En niemand struikelde daarover, wel integendeel. Zo gaat het eigenlijk altijd: in alle heisa en drukte zijn het steeds weer de kinderen die vergeten worden. Zij zijn het kind (sic) van de rekening, en als zodanig zijn zij een beeld van degene die altijd weer de rekening betaalt: Christus, het kind in de mens. Dit kind laten we in de steek, we verloochenen het, we laten het kruisigen. En daarvoor schamen we ons zo diep dat we … schaamteloos worden. 

We vertalen die schaamte in de meest schaamteloze beschuldigingen annex zelfverheerlijkigen. Want hoe slechter we andere mensen afschilderen, des te beter komen we er zelf uit. Ja, het gaat zelfs zover dat we de hele mensheid afschilderen als slecht enkel en alleen om er zelf beter uit te zien. We spreken voortdurend in verwijtende termen over ‘we’, maar we bedoelen ‘ze minus onszelf’. Hoe meer we beschuldigen, hoe verontwaardigder we ons tonen, des te meer profileren we onszelf als uitzondering, des te meer gaat onze ster stralen in die duisternis, des te meer gaan we op … Christus lijken. En dat is de ultieme paradox: door Christus te verloochenen en aan het kruis te slaan, worden we zoals Christus. Het is de ultieme verwisseling: we beschouwen onze antichristelijke natuur als onze christelijke natuur. Uit schaamte over het feit dat we ‘het kind’ in de steek laten, identificeren we ons meer en meer met zijn grote vijand. 

Wat ons belet naar onself te kijken en deze omkering of verwisseling onder ogen te zien is een mengeling van angst, schaamte en schuld. Want de angst en de schaamte veroorzaken schuld. Karel Verhoeven durft niet in de spiegel kijken omdat hij zich als intellectueel te diep zou schamen over zijn falen, omdat hij als waarnemer te bang is voor the rough beast that slouches towards Bethlehem, omdat hij als mens de schuld niet kan dragen die hij als journalist op zich heeft geladen. En daarin verschilt hij niet wezenlijk van onszelf. Hij houdt ons zonder het te weten een spiegel voor waarin we, als we heel nauwkeurig kijken (en denken), onszelf ontwaren: een angstig, beschaamd en schuldig wezen. Tegenover die spiegel past maar één houding en dat is liefde. Het heeft geen zin om die spiegel in ontzetting stuk slaan, want daardoor verdwijnt het gespiegelde niet. Het verdwijnt alleen – nog meer – uit ons bewustzijn. En dat is juist de kwaal: gebrek aan bewustzijn van onszelf. We kijken vandaag overal in de spiegel, maar we vergeten de kijker – en dus ook de spiegel. Hoe vreemd het ook klinkt: we moeten eigenlijk dankbaar zijn voor het spiegelbeeld dat Karel Verhoeven ons in De Standaard biedt. Het helpt ons immers om bewust te worden van wie (ook) wij zijn. En op die manier voelt zijn schaamteloze stuk uiteindelijk nog goed aan …

Advertenties