Pluizig

door lievendebrouwere

  

Vanochtend zag ik in de seringenstruik van de buren een vogeltje rondhuppelen. Het was een winterkoninkje, denk ik, en het huppelde vrolijk van de ene tak naar de andere. Wat me opviel aan het kleine ding was dat het er zo pluizig uitzag. Ik dacht: pluizigheid is het hoofdkenmerk van de vogels. Het drukt hun verwantschap met de lucht uit. Ook vlinders hebben die pluizigheid, vooral nachtvlinders dan. Hoe dichter dieren daarentegen bij de grond leven, des te minder pluizig worden ze. Niks pluizigs meer aan een slang of een kikker. Die zijn zo glad als wat. En als je nog dieper gaat, bij de vissen in het water, dan tref je daar niks dan gladheid aan. Pluizigheid hoort bij lucht, zoals gladheid hoort bij water. 

Natuurlijk zijn er ook uitzonderingen. Wespen bijvoorbeeld zijn glad, niet pluizig zoals hommels. En een mol is ook pluizig, ofschoon hij onder de grond leeft. Maar hij heeft dan weer (bijna) geen ogen, terwijl het pluizige gevogelte wel scherpe ogen heeft. Toch bevestigen deze uitzonderingen de regel dat lucht pluizig maakt en water glad. Water is van zichzelf trouwens ook glad. Als er geen wind is, dat wil zeggen als de lucht niet beweegt, dan wordt het wateroppervlak glad als olie of als gepolijst metaal. Als de lucht daarentegen hevig tekeer gaat, dan wordt zelfs het water pluizig en ontstaat er schuim. Het allergladst zijn natuurlijk de keien. Daar tovert zelfs de stormwind geen pluis of schuim op. En het allerpluizigst zijn zaadpluimpjes allerhande die door de lucht vliegen en die je bijna niet kunt zien of voelen. 

Een merkwaardige combinatie van beide zag ik onlangs op de reeënwei hier in de buurt. De sierlijke dieren leven daar namelijk in ongewone symbiose met een … haan. Vooral als ze komen aanrennen is het een potsierlijk zicht: de sierlijk trippelende reeën en daartussen de lompe haan die zich wijdbeens rept om te kunnen volgen. Gladde vormen en vloeiende bewegingen tegenover pluizigheid en hoekige bewegingen. Maar onlangs lagen de reeën allemaal rustig bijeen in het midden van de wei. De haan paradeerde ertussen met een air alsof hij zich tussen zijn onderdanen begaf. Maar één van die onderdanen stak zijn snuit onder het pluizige achterste van de haan, die verschrikt opstoof als een maagd die onder de rokken wordt getast. Er schoot op slag niks meer over van zijn koninklijke waardigheid, en hij zag er pluiziger uit dan ooit.

Advertenties