Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: oktober, 2015

1001

  

In mijn vorige blogbericht – het duizendste – kwam ik tot de verrassende conclusie dat … iedereen de wereld als een kunstwerk ziet. En ik maar denken dat ik de enige was! Hoe heb ik daar zolang naast kunnen kijken? Natúúrlijk ziet de moderne mens de wereld als een kunstwerk! Waarom zou hij het anders normaal vinden dat je in musea naast tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken nu ook pispotten, bananenschillen en gebruikte condooms aantreft? En waarom zou hij anders zo fel reageren als iemand beweert dat iets géén kunst is? Dat doet hij alleen omdat hij de hele wereld als een kunstwerk ziet, met alles erop en eraan. Het is heus niet enkel een handvol avant-gardisten dat gelooft in de kunstzinnigheid van de wereld, iederéén gelooft daar vandaag in. Wie dat geloof niet deelt, is niet meer van deze tijd, hij leeft in het verleden, hij heeft de boot gemist. Hij is passé, een dinosaurus, een oude draak, een barbaar. 

Dit moderne geloof is sterker dan een geloof ooit geweest is. Het heerst van Noord tot Zuid, van Oost tot West, over alle politieke, geografische, etnische, raciale, sexuele, ideologische en religieuze grenzen heen. De hele mensheid gelooft dat de wereld een kunstwerk is. Hoe fanatiek de Hedendaagse kunst dit geloof ook in de praktijk brengt, nergens stuit ze op protest. Overal ter wereld worden voor haar luxueuze tempels opgericht. Overal zijn schriftgeleerden in de weer om de nieuwe kunst te verdedigen, te becommentariëren en te verspreiden. Gigantische geldsommen worden ervoor vrijgemaakt, zowel door regeringen, bedrijven als privé-personen. Westerse kapitalisten en Oosterse oliesjeiks, allemaal willen ze er hun naam mee verbinden. Vijftig jaar, meer had deze nieuwe kunst niet nodig om de wereld te veroveren. Nooit verspreidde een geloof zich zo snel, nooit was het zo machtig, nooit was het zo universeel. 

Maar dit nieuwe geloof is niet alleen universeel, het is ook – en vooral – onbewust. Iedereen ziet de wereld als een kunstwerk, maar niemand weet het. Het is het allerlaatste waar een modern mens aan denkt als hem gevraagd wordt wat zijn diepste overtuiging is. En toch kan zijn houding tegenover kunst – die model staat voor zijn houding tegenover de wereld – niet anders verklaard worden dan door het onbewuste geloof dat de wereld een kunstwerk is. Dit geloof is volkomen instinctief en dringt totaal niet door tot het bewustzijn van de ‘gelovige’. Het is een geloof waarmee hij als het ware samenvalt en waar hij derhalve niks van weet. Dat is zowat het omgekeerde van wat we vandaag onder geloof verstaan: een stelsel van regels, dogma’s en idealen die we heel bewust en met veel moeite proberen toe te passen in ons leven. Zo’n onbewust en instinctmatig geloof zouden we dan ook een ‘omgekeerd’ geloof kunnen noemen.

Dit universele, omgekeerde geloof is zonder twijfel het meest tragische verschijnsel van onze tijd. Want uitgerekend op het moment dat de mensheid wereldwijd hetzelfde geloof deelt, wordt ze verscheurd door oorlogen, geweld en godsdiensttwisten. Nooit was de mensheid zo eensgezind, nooit was ze zo verdeeld. Nooit heerste er zoveel vrede, nooit was er zoveel oorlog. Nooit waren mensen het zo roerend met elkaar eens, nooit maakten ze zoveel ruzie. En het wordt steeds erger. Overal stapelen de problemen zich op, overal neemt het geweld toe. De angst voor de toekomst maakt iedereen gespannen en agressief. De moderne wereld wordt langzaam maar zeker meegesleurd in een vicieuze cirkel van haat en geweld. En dat alles gebeurt zonder enig besef van de keerzijde, zonder dat iemand weet dat uitgerekend in onze tijd Alle Menschen Brüder zijn geworden. 

Gebrek aan bewustzijn, dat is de grote tragedie van onze tijd. Het ontbreekt de moderne mens niet aan goede wil, want hij wordt bezield door een groots, gemeenschappelijk project. Hij ziet de wereld als een kunstwerk en daardoor wordt ook de kunstenaar in hem wakker. Kunst zien doet kunst maken. Jeder Mensch ist ein Künstler geworden die mee wil bouwen aan de nieuwe wereld. Niets kan hem daarvan weerhouden, want een kunstenaar heeft alles over voor zijn kunst. De artistieke roeping appelleert aan het diepste wezen van de mens, aan zijn scheppende geest. Ze gaat ook uit van een scheppende geest: de scheppende wereldgeest. En dat is niemand anders dan Christus. Hij is het die zich vandaag op een geheel nieuwe manier manifesteert. Hij is het die onbewust door iedereen waargenomen wordt en waardoor we allemaal de wereld als een kunstwerk gaan zien. Het is zijn ‘wederkomst’ die iedereen tot kunstenaar maakt. 

Het was Rudolf Steiner die als een moderne Johannes de Doper de wederkomst van Christus aankondigde. Als een roepende in de woestijn van het materialisme wees hij de mensheid op de belangrijkste gebeurtenis van onze tijd. Hij waarschuwde de mensheid ook deze gebeurtenis niet verslapen want dan zou het grootst mogelijke onheil over haar komen. Zijn hele leven lang heeft hij onvermoeibaar gewerkt om daar bewustzijn voor te wekken. Hij heeft er zelfs zijn leven voor gegeven, net als zijn illustere voorganger. Honderd jaar later verkeert de moderne mensheid echter nog altijd in volslagen onwetendheid over de wederkomst van Christus. Iedereen reageert wel op die wederkomst, maar niemand is zich ervan bewust. Niemand herkent Christus, niemand ziet hem, niemand begrijpt hem …

… behalve de antroposofen, zou ik nu moeten zeggen. Antroposofen spreken inderdaad veel over Christus, ze schrijven dikke boeken over zijn wederkomst. Ze weten zelfs waar die plaatsvindt: in de etherische wereld, ‘op de wolken’ zoals de bijbel zegt. Er kan geen twijfel over bestaan: Christus vormt het middelpunt van de antroposofie. Alles draait rond hem. Maar Christus is een naam, een begrip dat deel uitmaakt van het christelijke geloof, en de antroposofie wil helemaal geen geloof zijn. Ze wil een wetenschap zijn, ze wil haar inzichten baseren op waarneming en denken. Het is haar niet te doen om de naam Christus maar om de geestelijke realiteit die zich daarachter verbergt. Die realiteit wil ze leren kennen, die wil ze waarnemen. En dat schept natuurlijk een probleem, want de moderne mens kan geen geesten meer waarnemen. Hij ziet geen engelen of demonen meer, geen kabouters of elfen. Hij ziet alleen nog materie. Als hij zich dus bewust wil worden van de wedergekomen Christus, als hij hem wil waarnemen in plaats van alleen maar in hem te geloven, dan moet hij weer helderziend worden. 

Toch is helderziend worden niet waar het in de antroposofie om gaat. De reden is simpel: de moderne mens wordt sowieso weer helderziend, daar heeft hij de antroposofie niet voor nodig. Het is gewoon een gevolg van het einde van het Kali Yuga, het ‘duistere tijdperk’ waarin de mens langzaam maar zeker zijn oude helderziendheid – en daarmee ook het contact met de geestelijke wereld – verloor. Nu dat tijdperk afgelopen is, wordt die natuurlijke, aangeboren helderziendheid weer wakker en maakt de moderne mens opnieuw contact met de wereld van de geest. Maar bevangen als hij is door het materialisme, merkt hij daar helemaal niks van. En dat heeft zware gevolgen. Want de geestelijke wereld is veel levendiger en beweeglijker dan de dode materie waarop zijn huidige bewustzijn gebaseerd is. Ze is wat vuur is voor droog hout: een vernietigende kracht. Daarom is het van cruciaal belang dat de moderne mens zijn oplevende helderziende vermogens doordringt met rationeel denken, anders dreigen ze zijn dorre, ‘houterige’ bewustzijn in brand te steken en hem te beroven van de vrijheid en zelfstandigheid waar hij zo hard voor gewerkt heeft. 

De vernietigende werking van de (onbewust waargenomen) geestelijke wereld wordt steeds zichtbaarder. De moderne mens is langzaam maar zeker zijn verstand aan het verliezen. Zijn denken wordt steeds verwarder, onsamenhangender en tegenstrijdiger. Hij slaagt er niet meer in om orde scheppen in de chaos van zijn gedachten. We herkennen dat verschijnsel in de zogenaamde ‘politieke correctheid’: de mens wordt overspoeld door (christelijke) idealen en omdat hij dat niet beseft, raakt zijn (materialistische) denken verstrikt in tegenstrijdigheden. Voorbeelden genoeg: in naam van de godsdienstvrijheid wordt de vrijheid van meningsuiting aan banden gelegd, in naam van de vrede wordt oorlog gevoerd, in naam van de verdraagzaamheid worden mensen beschuldigd en gedemoniseerd, in naam van de vrouwenemancipatie wordt de hoofddoek verdedigd, in naam van de democratie moeten landen en volkeren zich onderwerpen, in naam van de liefde wordt er intens gehaat, enzovoort, enzovoort. Het is een beschamend schouwspel.

Maar één schouwspel is nog beschamender: de zogenaamde ‘hedendaagse’ kunst. Hier zien we de moderne mens niet alleen volslagen onzin uitkramen, we zien hem ook in bewondering staan voor pispotten, bananenschillen, uitwerpselen en ander afval. Hier is geen verward maar een omgekeerd bewustzijn aan het werk. Het allerlaagste wordt hier als het allerhoogste beschouwd. Wat een normaal mens bewondert, wordt hier verafschuwd, en wat hij verafschuwt wordt bewonderd. Het is een wereld die compleet op zijn kop staat en waar het gezond verstand helemaal uitgeschakeld is. Hier kunnen we zien wat er gebeurt als de moderne mens er niet in slaagt zijn helderziendheid met helder denken te doordringen: hij komt in de onderwereld terecht. Het is niet meer dan logisch dat deze onderwereld juist in de kunst zichtbaar wordt. Meer dan wie ook is de kunstenaar degene die de wereld als een kunstwerk ziet, anders zou hij geen kunstenaar zijn geworden. Meer dan wie ook voelt hij zich geroepen door Christus. En meer dan wie ook wordt hij slachtoffer van het gebrek aan Christusbewustzijn. 

Nergens wordt de tragedie van onze tijd – die een bewustzijnstragedie is – zo duidelijk zichtbaar als in de kunst. Nergens ook wordt ze zo weinig waargenomen. Op geen enkel gebied wordt het heldere, rationele bewustzijn méér ontbeerd dan in de kunst van onze tijd. Die kunst schrééuwt als het ware om bewustzijn, om begrip, om inzicht. Op de meest aanschouwelijke wijze toont ze ons wat er gebeurt als de moderne mens zich zonder bewustzijn overgeeft aan de scheppende krachten die de ontwakende helderziendheid in hem wekt. Hij begint dan pispotten tentoon te stellen, hij gaat vleugelpiano’s met een drilboor te lijf, hij boetseert zijn zelfportret met zijn eigen uitwerpselen, hij neemt deel aan weerzinwekkende rituelen, hij verliest kortom zijn verstand. En net als een Alzheimerpatiënt merkt hij dat niet. Integendeel, hij reageert bijzonder agressief als iemand hem op zijn beschamende gedrag wijst. Hij begint dan te schelden en de betrokken persoon (op zeer overtuigende wijze) verdacht te maken. Hij verzet zich met andere woorden heftig tegen datgene wat hij het meest nodig heeft: bewustzijn. 

Dat is de tragedie van de kunst van onze tijd: ze toont ons de onderwereld en … we zien het niet. We maken geen onderscheid tussen een pispot en een schilderij van Rafaël. Een kakmachine of het Lam Gods van Van Eyck: het is allemaal kunst in onze ogen. Of een kunstwerk nu geïnspireerd wordt door de bovenwereld van Christus of de onderwereld van de Antichrist, we reageren altijd op dezelfde manier: door te applaudisseren, door te bewonderen, door ons over te geven, door lief te hebben. Dat is wat de ‘hedendaagse’ kunst bewerkstelligt: we leren de Antichrist liefhebben en Christus haten – met geheel ons hart, met geheel onze ziel en met al onze krachten. En we beseffen het niet, integendeel, we zijn ervan overtuigd dat het net omgekeerd is. Wee dan ook degene die het waagt om iets negatiefs te zeggen over onze liefde voor de ‘hedendaagse’ kunst! We beschouwen hem als de Antichrist zelve …

Dat is het ‘grootst mogelijke onheil’ waarvoor Rudolf Steiner ons waarschuwde: als de mensheid zich niet bewust wordt van de wederkomst van Christus, dan zal ze hopeloos verliefd worden op de Antichrist. Niets zal haar daarvan kunnen weerhouden, want de liefde overwint alles. De aarde zal dan inderdaad herschapen worden in een ‘planeet van liefde’ zoals Steiner voorspelde, maar het zal niet de liefde voor Christus zijn die de substantie vormt van deze nieuwe wereld, het zal de ‘omgekeerde’ liefde zijn, de liefde voor de Antichrist. De aarde zal ‘de planeet van de haat’ worden. Bij dat vooruitzicht verzinken alle rampen in het niets en daarom werd Rudolf Steiner gezonden om de mensheid te waarschuwen. Daarom heeft hij de antroposofie in het leven geroepen: niet om onze helderziende krachten te ontwikkelen, maar om ons bewustzijn te ontwikkelen, om ons te leren onderscheid te maken op geestelijk gebied, zodat we ons – verblind door liefde – niet in de armen van de Antichrist werpen. 

Daarom wordt de antroposofie ook geïnspireerd door Michaël, wiens naam betekent: wie is als God? Deze vurige geest zegt ons niet wie als God is, want dat zou onze vrijheid in het gedrang brengen. Hij stelt alleen de vraag, ja hij is die vraag. De menselijke vrijheid is de inzet van het hele mensheidsdrama, van de hele schepping, en juist daarom worden we op het keerpunt der tijden voor de keuze geplaatst tussen Christus en de Antichrist. Het spreekt vanzelf dat die keuze niet gemakkelijk kan zijn. Integendeel, het is de moeilijkste keuze waarvoor we kunnen komen te staan. Alles wat we vandaag in de wereld zien gebeuren, vertelt ons hoe ontzettend moeilijk het is om voor Christus te kiezen. Het vergt het uiterste van ons om niet meegesleurd te worden in de vicieuze cirkel van haat en geweld die de Antichrist creëert. De zuigkracht die van hem uitgaat is werkelijk ontzettend en wie denkt hem te kunnen weerstaan, vergist zich schromelijk. Het enige wat we bij deze ‘neerdaling ter helle’ kunnen doen, is wakker blijven. Dat is ook wat Rudolf Steiner zijn leerlingen steeds weer op het hart drukte: blijf wakker, laat je bewustzijn niet in slaap wiegen. Dat is waar het in de antroposofie om gaat: blijf onderscheid maken, blijf zoals Michaël de vraag stellen: wie is als God? Wéés die vraag, met geheel je hart, met geheel je ziel en met al je krachten. 

1000

  

Negenhonderdnegenennegentig berichten heb ik tot nog toe op deze blog geplaatst. Dit is het duizendste. Een bezig baasje dus, want de meeste berichten waren niet kort. Sommigen zouden zelfs zeggen: lang. Om niet te zeggen: veel te lang. Ik ben de laatste om dat tegen te spreken. Ik moet dringend eens wieden. Als ‘biologisch schrijver’ laat ik alles opkomen wat op mijn gedachtenakker wil groeien, en pas als de scheuten groot genoeg zijn om herkend te worden, begin ik te wieden. Met chemische bestrijdingsmiddelen die een ‘correct’ denken garanderen laat ik mij niet in. Ik heb de waarheid niet in pacht, ik weet niet wat er in mijn hof ‘moet’ groeien. Dus laat ik de natuur zijn gang gaan vóór ik ingrijp. Wieden is echter lastig en mijn rug doet al zo’n pijn. Ik weet dus niet wanneer het er zal van komen, zelfs niet óf het er nog zal van komen. 

Als ik nu kijk naar wat er de afgelopen 28 maanden allemaal opgeschoten is in mijn blogtuin, dan stel ik vast dat ik geprobeerd heb de wereld als een kunstwerk te zien. Dat was van meet af aan het motto en dat is het nog altijd. Ik bekijk de wereld niet alleen alsof hij een kunstwerk is, ik bekijk hem ook op dezelfde manier waarop ik een kunstwerk bekijk. Met mijn hart dus. Waarmee anders? Waarmee bekijk je een kinderportret van Rubens? Waarmee luister je naar een aria van Bach? Waarmee lees je een gedicht van Rilke? Toch niet met je verstand! Dat is de beste manier om een kunstwerk om zeep te helpen. Het is trouwens ook de beste manier om de wereld om zeep te helpen. En dat vertik ik. Ik weiger zowel de kunst als de wereld om zeep te helpen door ze niet met mijn hart te benaderen. 

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ik mijn verstand niet gebruik. Maar ik laat het niet de baas spelen. Ik laat het mijn hart niet vertellen welke (nieuwe) gevoelens het moet voelen. Ik doe net het omgekeerde: mijn hart vertelt mijn verstand wat het moet denken. Met andere woorden: ik stel mijn verstand ten dienste van mijn hart. Je zou dat michaëlisch kunnen noemen, want Michaël, de behoeder van de intelligentie, is één en al dienstbaarheid aan Christus, die in het hart van de mens leeft. De gedachte dat hij Christus zou vertellen wat hij moet voelen, is een blasfemische drakengedachte waar ik mij met hand en tand tegen verzet. M’n hele leven al voer ik strijd tegen de draak die met fysiek en intellectueel geweld de mens wil dwingen zijn hart ‘om te keren’ en lief te hebben wat hij verafschuwt en te verafschuwen wat hij liefheeft. 

Ik herinner me niet meer wanneer ik die ‘omkeringsdraak’ voor het eerst tegenkwam. Ik herinner me wel nog een voorval uit mijn studententijd. We zaten samen op mijn kot en het gesprek kwam op kunst. Iemand wees op mijn bureaulamp en zei: voor mij is dit kunst! Ik antwoordde: dat is geen kunst, dat is een bureaulamp! Hij hield bij hoog en bij laag vol dat het wél kunst was. Je bent gek, zei ik, als dit kunst is dan ben ikzelf een kunstwerk! Het ‘gesprek’ eindigde ermee dat hij woedend de kamer uitliep en de deur achter zich dichtsloeg. Ik begreep er niks van. Waarom wilde die kerel mijn bureaulamp per se kunst noemen? En waarom werd hij zo kwaad als ik zei dat het gewoon een lamp was?  

Het was het eerste van een hele reeks incidenten die me leerden dat het onderwerp kunst bijzonder gevoelig lag. God mocht weten waarom, want er werd in die dagen nooit over kunst gesproken, zelfs niet op de academie. Als het dan per ongeluk toch eens gebeurde, raakten de gemoederen zo snel verhit dat er ruzie van kwam. Ik maakte daar dankbaar gebruik van om de verveling te verdrijven tijdens familiefeestjes en andere saaie gelegenheden. Ik stuurde het gesprek dan stiekem richting kunst door te vragen: iemand laatst nog een goeie film gezien? Het duurde dan nooit lang of het spel zat op de wagen. Ik hoefde alleen maar te zeggen: nee, dat is geen kunst! Meer was er niet nodig om de verontwaardiging te doen oplaaien.

Op die manier heb ik tal van mensen tegen me in het harnas gejaagd. Het verbaasde me telkens weer hoe zwaar ze tilden aan een onderwerp waarvoor ze anders nooit enige belangstelling toonden. Voor mij was het de meest vanzelfsprekende zaak van de wereld dat sommige dingen kunst zijn en andere niet, maar voor hen was het heiligschennis. Ik begreep er niks van. Hoe kun je nu van kunst spreken als er geen norm bestaat, als om het even wat kunst kan genoemd worden! Dat is wat ze doen in de Hedendaagse kunst, maar wie interesseert zich nu voor pispotten en kakmachines! Dat is iets voor in het zwart geklede culturo’s die zich beter voelen dan de rest. Ik ging om met normale mensen, en juist daarom trof het mij dat ze – als het erop aankwam – net zo hartstochtelijk de normloosheid in de kunst verdedigden als de avant-gardisten. 

Als ik daar nu aan terugdenk, valt de gedachte me in dat al die mensen … de wereld als een kunstwerk zagen. Wanneer ik beweerde dat een onderdeel van die wereld – een lamp of een paal of een pispot – géén kunstwerk was, reageerden ze als door een wesp gestoken. Ik kreeg met andere woorden telkens ruzie met mensen die … precies hetzelfde dachten als ikzelf. Daar sta ik nu toch wel van te kijken. Die gedachte had ik niet zien komen. Ze is wel de allerlaatste die ik verwacht had tijdens het schrijven mijn 1000ste blogbericht. Maar hoe onverwacht ook, ik voel dat ze waar is. Ze verklaart tal van zaken, met name al die botsingen. Zijn de zwaarste ruzies immers geen broedertwisten? Gaan ze niet altijd tussen mensen die het roerend met elkaar eens zijn, maar over één ding van mening verschillen?   

Ik herinner mij nog altijd het moment waarop ik mijn levensmotto vond. Ik had mezelf de vraag gesteld: wat wil ik? Bij ieder antwoord vroeg ik mezelf af: is er niet nog iets wat ik méér wil? Op die manier kwam ik uit bij: de wereld als een kunstwerk zien. Daar hield het vragen op, daar zat alles in, meer wilde ik niet. Zelfs het maken van kunst zat erin vervat, want kunst zien doet kunst maken. Ik was opgetogen met mijn motto. Het gaf richting aan m’n leven. Nog opgetogener was ik toen ik begreep dat ‘de wereld als een kunstwerk zien’ de meest kernachtige samenvatting van de antroposofie is. Het vraagt natuurlijk een beetje denkwerk om dat in te zien, maar het klopt, daar twijfel ik niet aan. 

En vandaag kom ik dan tot de conclusie dat het nog verder gaat: niet alleen antroposofen willen de wereld als een kunstwerk zien, iederéén wil dat. Ieder modern mens wil vandaag de wereld als een kunstwerk zien. Anders zou hij niet zo heetgebakerd reageren als iemand daartegen ingaat. Anders zou hij het niet pikken dat pispotten, kakmachines en getatoeëerde varkens in musea als kunst worden tentoongesteld. Maar dat doet hij wél. Hij is bereid de meest degoutante en weerzinwekkende zaken als kunst te accepteren. En wee degene die daartegen protesteert! Die wordt beschouwd als een cultuurbarbaar, een reactionair, een bedreiging voor de toekomst. Daar kan geen andere verklaring voor bestaan dan dat de moderne mens de wereld als een kunstwerk wil zien. Niet omdat het een leuke gedachte is, maar omdat hij er hartstochtelijk, zelfs fanatiek in gelooft. 

Eindelijk heb ik de verklaring gevonden voor wat in mijn ogen het meest verbijsterende en meest verontrustende fenomeen van onze tijd is: de Hedendaagse kunst. Er zijn nochtans veel verontrustende en verbijsterende zaken in onze wereld. Er is het moslimterrorisme, de klimaatverandering, de kloof tussen rijk en arm, de vluchtelingenkwestie, het speculeren met geld, de vernietigingswapens, de overbevolking, enzovoort. Maar het meest verontrustende en verbijsterende is dat mensen niet meer reageren op … verontrustende en verbijsterende verschijnselen. Zoals: de intelligentsia die overal ter wereld vol bewondering staat te kijken naar … pispotten, blikjes stront, bananenschillen en ander afval. De meest intelligente en gecultiveerde mensen gedragen zich alsof ze compleet stoned zijn en … niemand zegt daar iets van, niemand maakt zich daar zorgen over. Kijk, dát is pas verontrustend! 

Ik voel me vaak als de man uit het verhaal van de vergiftigde bron. Een man komt te weten dat de bron van het dorp vergiftigd zal worden en dat iedereen die ervan drinkt gek zal worden. De man verwittigt zijn dorpsgenoten, maar niemand gelooft hem. Ze drinken allemaal van de bron en worden gek. Behalve die ene man, die wist dat het water vergiftigd was. Maar hij beleeft niet veel plezier aan zijn geestelijke gezondheid. Hij wordt namelijk opgesloten, want iedereen in het dorp denkt dat hij … gek is geworden. Zo voel ik mij in de wereld van de kunst: omringd door gekken die denken dat ik gek ben geworden. Ze maken kakmachines, pissen op elkaar bij wijze van performance, gaan vleugelpiano’s te lijf met een drilboor, zagen koeien doormidden, kruipen over de grond met een konijn tussen de tanden, enzovoort enzovoort. Je kunt het zo gek niet bedenken of ze doen het. Maar als je zegt: ‘dit is geen kunst’, kijken ze je stomverbaasd aan en zeggen: ben je gek geworden of wat?

Onwaarschijnlijk, verbijsterend, hallucinant: andere woorden heb ik niet om aan te duiden wat er in de wereld van de kunst gaande is. Ik hoef maar een krant open te slaan, een tijdschrift in te kijken of Das Goetheanum te doorbladeren: telkens weer opnieuw staan er lange artikels in die één grote lofzang zijn op de meest beschamende dingen. En telkens weer opnieuw stel ik mij de vraag: zijn zij gek geworden of ben ik het? Het antwoord lijkt voor de hand te liggen, maar de ‘krankzinnigen’ zijn overal, hun getal is legioen. En er is niemand die het tegen hen opneemt. Nergens lees of hoor je ook maar één kritische opmerking over hun wereldwijde verering van afval en vuiligheid. Ook niet in antroposofische kringen. Heel, heel uitzonderlijk gebeurt het wel eens dat iemand opstaat en zegt: nu is het welletjes geweest met al die onzin! Maar hij wordt in alle stilte afgevoerd en niemand verneemt ooit nog iets van hem. Je zou voor minder aan jezelf gaan twijfelen …

Nu kan men zeggen: ach, het is maar kunst! Ze doen maar, al die artiesten en intellectuelen, wat hebben wij daarmee te maken? Maar dat is het nu net: als het erop aankomt, doet iedereen net als zij. Jeder Mensch ein Künstler. Zelf kom ik nooit in artistieke kringen. Ik verafschuw ze, iedereen heeft daar van de ‘vergiftigde bron’ gedronken, anders kom je er trouwens niet in. Ik ga alleen om met ‘normale’ mensen die zich van kunst niks aantrekken. Niet dat het voetbalsupporters of wielertoeristen zijn, dat ook weer niet. Maar ze maken zeker geen deel uit van het artistieke ‘wereldje’. Daarom voelde ik mij ook thuis op de markt in Brugge: allemaal gewone mensen, allemaal mensen die werkten om een centje bij te verdienen. De onzin vond aan de overkant van de straat plaats, in de drie kunstgalerijen. Maar ik weet dat die grens een illusie was. Als ik met die ‘gewone mensen’ over kunst had gesproken, zouden ze zich net zo zijn gaan gedragen als aan de overkant.  

Ik heb het al vaker gezegd: de grens tussen kunst en werkelijkheid is zeer smal geworden. De krankzinnige geest die in de kunstwereld heerst – en er heerst zoals nog nooit een geest heeft geheerst – heeft iederéén aangetast. Iedereen reageert als door een wesp gestoken als deze ‘hedendaagse’ geest wordt tegengesproken. Hij is tot een tweede natuur geworden, een instinct, een onbewuste reflex. Om hem uit zijn kot te lokken moet je natuurlijk wel weten waar hij zit, want hij verbergt zich en hij verbergt zich goed. In de kunstwereld laat hij onbeschaamd zijn gezicht zien, maar niemand durft daar nog te kijken. Ook daarbuiten is hij druk bezig een regime te installeren dat ieder verzet brutaal de mond snoert en tegenstanders het gevoel geeft dat ze krankzinnig zijn geworden. Want deze geest werkt niet alleen op het verstand, hij werkt ook op het gevoel en de wil. Hij werkt op de hele mens, want het is op diens Ik dat hij het gemunt heeft. Deze even brutale als geraffineerde geest is niet Lucifer of Ahriman, het is Sorat, het is de Antichrist, de geest die de mens helemaal wil ‘omkeren’ en zijn hart veroveren, de geest die de plaats van Christus wil innemen. 

Dat is natuurlijk geen goed nieuws, want deze omkeringsgeest is reeds heel diep in de ziel van de moderne mens doorgedrongen. Hij vreet zich ongestoord een weg naar diens kern. Maar het is als in Jurassic Parc, de film over de monsters die de moderne mens ‘gebaard’ heeft. Het beklemmendste deel van de film is het eerste deel, het deel waarin de monsters niet te zien zijn. In het tweede deel breekt de hel los, maar dan zién we de tegenstanders tenminste en dat is ondanks alles een opluchting. Ook voor mezelf is het een opluchting om eindelijk te begrijpen welke geest me al m’n hele leven terroriseert, om eindelijk de missing link te vinden die me in staat stelt een beeld te vormen van de situatie waarin ik me bevind. Ik begrijp nu ook dat ik deze strijd nooit had kunnen voeren zonder de – niet altijd even zachtzinnige – leiding van Michaël. Zonder hem zou ik geen schijn van kans maken tegen dit omkeringsmonster. En hij is dan weer goed nieuws. 
  

Michaël 2015  (6)

  

De wereld staat op zijn kop. Wie wil weten hoe de zaken er echt voorstaan, moet luisteren naar wat iedereen denkt en dat vervolgens … omkeren. Bijvoorbeeld: iedereen is het erover eens dat de moslims op 9/11 het Westen hebben aangevallen, maar in werkelijkheid was het omgekeerd. Iedereen is ervan overtuigd dat Fort Europa zich barricadeert, maar in werkelijkheid zet het zijn deuren wagenwijd open. Iedereen is ervan overtuigd dat de Hedendaagse kunst de kunst van onze tijd is, maar in werkelijkheid is ze precies het omgekeerde. Enzovoort. Het principe kan overal op toegepast worden. Toen Rudolf Steiner het verwijt kreeg dat hij de wereld op zijn kop zette, antwoordde hij: de wereld stáát reeds op zijn kop, ik doe niks anders dan hem weer recht zetten. Een bekende journalist drukte het weer anders uit: wil je weten waar de lamp brandt, kijk dan in dezelfde richting als iedereen en … draai je om. 

Dat omkeringsprincipe wil ik toepassen op mijn recente Michaëlervaringen. In mijn beleving waren onverdiende slagen van het noodlot, maar in werkelijkheid zouden het dus helpende handen geweest zijn. Laat ik dat eens onderzoeken, te beginnen met de ‘slagen’ van dit jaar. Eerst was er Helena die haar afspraak niet nakwam waardoor mijn plan om afscheid te nemen van Brugge in het water viel. Ook plan B – een dagje aan zee – mislukte, dit keer door toedoen van duizenden hondenliefhebbers die het strand van De Haan inpalmden. Een week later voerde ik alsnog plan A uit, maar ook dat werd geen succes. Om te beginnen was het weer lang niet zo stralend als de zondag ervoor. Ik kreeg al meteen bezoek van Johan Lootens die me vertelde dat zijn schilderijen als zoete broodjes van de hand gingen. Zelf zou ik die dag – alweer – niks verkopen. ’s Avonds muisde ik er dan ook stilletjes van onder. 

Maar de laatste klap was – net als vorig jaar – de zwaarste. Toen bleek dat mijn bijdrage voor Antroposofie Vandaag geweigerd was, kwam dat niet echt als een verrassing. Als je de vinger op een wonde legt kun je niet verwachten dat mensen in lachen uitbarsten. Maar het trof me pijnlijk dat ze het gesprek weigerden. Het trof me nóg pijnlijker dat ze dat deden in naam van de antroposofie. En helemaal moeilijk kreeg ik het toen ze tegelijk een pleidooi hielden voor openheid en betoogden dat er in de Antroposofische Vereniging geen gedachtenpolitie was. Toen voelde ik weer die oude, diepe teleurstelling: dat de Antroposofische Vereniging geen thuis voor me is, wel integendeel. 

Een niet nagekomen afspraak, een hondenwandeling aan zee, een vergeefse marktdag en een antroposofische deur die in m’n gezicht wordt dichtgeslagen: het leek wel mijn leven in het klein. Hoe kon deze opeenvolging van mislukkingen een succes zijn? Hoe kun je in deze vloeken een zegen zien? Hoe moet je daarin de hand van Michaël herkennen? 

Ik begin met Helena die haar afspraak niet nakomt. Ze weet dat ik daar een hekel aan heb, en toch doet ze het. Ze doet het niet alleen op een dag die heel speciaal voor me is, ze doet het ook nog eens ostentatief door niet minder dan drie uur te laat te komen. Genoeg om de hele zaak te moeten afblazen en er zwaar de pest in te hebben. Maar ik ruik onraad. Zouden ze hierboven misschien … niet willen dat ik naar Brugge ga? Ik besluit me niet kwaad te maken en van de nood een deugd te maken: een dagje aan zee is een mooi alternatief. An is ‘toevallig’ vrij – dat gebeurt ook niet vaak – dus dat komt goed uit. Maar de duivel is ermee gemoeid: het strand loopt vol mensen-met-honden. Voor de tweede keer in twee dagen wordt m’n plan zo ostentatief doorkruist dat ik vergeet me te ergeren. Blijkbaar wilden ‘ze’ me dit schouwspel laten zien en daarom hebben ze me verhinderd om naar Brugge te gaan. Maar waarom? Wat willen ze me vertellen met die hondenwandeling? Wat heeft dat beeld te betekenen?

Hoe begin je eraan om iets als een metafoor te zien, een zinnebeeld, een kunstwerk zeg maar? Want zo spreken goden tot mensen: door middel van betekenisvolle beelden, kunstzinnige beelden. Uiteraard was niet de hondenwandeling op zich het ‘kunstwerk’ – het idee alleen al! – maar het feit dat ze zich precies op deze dag aan mij voordeed. Al die elementen samen, de hele context, vormden het kunstwerk. En de kunst (sic) bestaat erin om erachter te komen wat je precies raakt in dat beeld. Waardoor word je getroffen, wat spreekt je aan? Soms is dat iets heel kleins en is het moeilijk om er de vinger op te leggen. Het beeld fluistert dan als het ware. Soms spreekt het veel luider. Maar het woelt dan zoveel in je ziel op dat moeilijk uit te maken valt wat nu precies de gevoelsreactie veroorzaakte. Om daarachter te komen moeten zowel het beeld als de reactie erop zorgvuldig onderzocht worden. 

Wat trof me in die hondenwandeling? Het beeld dat me voor de geest komt als ik eraan terugdenk, is dat van een lange zwarte slang die langs de kustlijn kruipt. Dat was de eerste indruk, nog vóór ik doorhad dat het om hondenliefhebbers ging. Door de lichtinval zagen ze er heel donker uit, vrijwel zwart. Geen kleuren, geen individuele kenmerken, alleen maar silhouetten die samen een slang vormden. Ze liepen langs het water, precies op de grens tussen land en zee, de plek die het kloppende hart van het strand is. Hier wordt gewandeld, hier spelen de kinderen, hier ruist de branding, hier komt en gaat de zee. Het is het middengebied bij uitstek, het betoverende ritmische systeem dat bemiddelt tussen water en land. Uitgerekend dit hart-gebied was bezet door de slang. Wie op het strand zat had geen vrij zicht meer op de zee, eventuele zwemmers zagen zich afgesloten van het strand, en wie zich tussen de wandelaars mengde, voelde zich aan alle kanten ingesloten. 

Het is een veelzeggend beeld: de kust was in het hart getroffen. Fysiek had je niet zoveel last van die slang, afgezien dan van de honden die er zich uit losmaakten om je te komen lastigvallen. Maar de vreugde die je voelt bij het zien en horen van de zee was grondig vergald. Er kroop een zwarte, lawaaierige slang dwars door het beeld. Ze deelde het hele uitzicht in twee, terwijl je juist naar zee gaat om de eenheid te beleven. In de zomer – als het vuur van de zon de andere elementen verwarmt – is de kust een paradijselijk oord waar eeuwigheid heerst, waar alles altijd hetzelfde blijft zonder dat het ooit verveelt. Om dat te kunnen beleven hebben tienduizenden mensen ieder weekend uren in de file over. Het was dan ook een schok om die ‘heelheid’ gebroken te zien, om door het paradijs een enorme slang te zien kronkelen. 

Toch was het niet de eerste ‘schok’ die ik die dag kreeg. Als je naar de kust gaat, is er altijd dat langverwachte, magische moment waarop de zee verschijnt, als een adembenemend beeld van een andere wereld. De zee is dan ook een klassieke metafoor van de geestelijke wereld, de etherische wereld om precies te zijn. Eén van de dingen die me altijd weer treffen is hoeveel verschillende gezichten de zee wel heeft. Ze blijft altijd gelijk en toch is ze nooit hetzelfde. Dit keer was ze echter héél anders. Om te beginnen leek ze gekrompen, gestold als het ware. Ze had een eigenaardige bruine kleur, die ik nog nooit had gezien. Die vormde zo’n scherp contrast met de hemel dat de zee er een ogenblik lang uitzag als een enorme muur. In plaats van de blik te openen op de oneindigheid sloot ze de wereld helemaal af. Gelukkig ben ik nuchter genoeg om te weten dat de zee altijd plat ligt en nooit rechtop staat, anders zou het een schokkende ervaring zijn geweest. Je verwacht een eindeloze ruimte en in plaats daarvan bots je op een muur. Je verwacht bevrijd te worden en in plaats daarvan zit je gevangen. Je verwacht geest en in plaats daarvan krijg je materie. 

Was dat niet precies wat me verleden jaar overkwam toen ik in Brugge besloot om weer mensen te gaan tekenen? Ik was als iemand die opgewekt naar zee vertrekt, in de file terechtkomt en ten slotte niet meer vooruitraakt. Vol goede moed was ik aan m’n marktavontuur begonnen, maar na een veelbelovend begin begon het te slabakken en uiteindelijk liep het voor geen meter meer. Omdat ik helemaal niks meer verkocht, besloot ik weer portretten te gaan tekenen. Dat had vroeger altijd gewerkt, dat zou de file wel doen oplossen. Ik zou de ‘zee’ dan toch nog zien! En inderdaad, opeens ging het weer vooruit. Maar toen botste ik volkomen onverwachts op een dubbele muur. Eerst was er de totale desinteresse van de toeristen die als een … eindeloze slang voorbij kropen (niet zelden met een hond aan de lijn), daarna was er de boete van de RVA als een frontale botsing met een muur van bureaucratie, even hard als de muur van appartementsblokken die (als een stenen slang) de kust afsluit. 

Was dat ook niet wat me dit jaar overkwam? Eerst werd me de weg naar Brugge versperd, als om te zeggen: daar hoor je niet thuis! Die boodschap werd de week daarop alleen maar bevestigd: ik had daar niks meer te zoeken, de toeristen zagen me niet eens staan. Enkele dagen later werd me ook de weg naar Antroposofie Vandaag versperd, eveneens als om te zeggen: daar hoor je niet thuis, daar heb je niks meer te zoeken! Ik heb nog even met de gedachte gespeeld om het toch nog eens te proberen, maar hoogstwaarschijnlijk zou me hetzelfde overkomen als in Brugge: de afwijzing zou bevestigd worden, ze zouden me niet eens zien staan. Met andere woorden: ik botste dit jaar opnieuw op een dubbele muur, eerst een beweeglijk luciferische, dan een keihard ahrimanische

Dat beeld van de zee-als-een-muur is dus een samenvatting van de hele situatie waarin ik me momenteel bevind. Misschien is het zelfs een samenvatting van m’n hele leven. Het bevestigt alleszins de verborgen kunstzinnigheid van het bestaan: het deel weerspiegelt het geheel, in het detail herken je de grote lijnen. Maar daarmee heb ik nog altijd geen verklaring. Het is me nog altijd niet duidelijk waarom dat botsen-tegen-een-muur een zegen zou zijn. Het beeld is echter nog niet volledig. De zee zag er niet alleen uit als een muur, boven op die muur voeren er schepen. Er stond ook een woud van windmolens. Meestal zie je ze niet, maar nu was het windmolenpark heel duidelijk zichtbaar: het leken wel witte kruisen in de zon. Ik zou kunnen zeggen dat de zee ingeklemd zat tussen twee vormen van lelijkheid: de (beweeglijke) windmolens en de (onbeweeglijke) appartementsblokken. Maar zo zag het er niet uit. Het was een ‘etherisch’ beeld: het lag in één verticaal vlak, zonder enige diepte, zoals op kindertekeningen of schilderijen uit de tijd toen het perspectief nog niet was ontdekt. Niet alleen de inhoud van dit beeld (de zee) was dus etherisch, ook de vorm (tweedimensionaal) was het. 

Als ik nu beide beelden samenvoeg ontstaat een complex dubbel beeld. Onderaan is er het horizontale vlak dat in twee wordt gesneden door de slang, precies op de plaats waar zee en land elkaar raken. Dat is tevens de plaats waar het verticale vlak van de zee-muur oprijst. Het horizontale vlak is uiteraard een beeld van de door de draak gepolariseerde materiële wereld zoals we die kennen. Het verticale vlak is een beeld van de geestelijke, etherische wereld zoals we die leren kennen wanneer we de wereld als een kunstwerk zien. Ik zou dat vlak ook nog naar beneden kunnen doortrekken zodat twee grote vlakken elkaar snijden: een verticaal vlak dat verdeeld is in een bovenwereld en een onderwereld, en een horizontaal vlak dat verdeeld is in zee en vasteland. De snijlijn van beide vlakken wordt gevormd door de slang. Dat is dus min of meer het beeld dat Michaël me op zijn feestdag wilde laten zien. Het doet me denken aan het ‘droompje’ dat ik verleden jaar kreeg ter verklaring van wat me overkomen was. Dat leek eerst ook heel simpel, maar hoe meer ik erover nadacht des te ingewikkelder werd het. Dat is ook nu weer het geval. Het enige wat ik kan doen, is blijven proberen. Misschien gaat het wel om de inspanning en niet om de oplossing van het raadsel. Laat ons hopen.

Een verschil tussen beide raadsels is dat het eerste als het ware uit twee delen bestond: een materieel deel (de concrete gebeurtenissen rond Michaël) en een geestelijk-etherisch deel (de droom die ik ter verklaring kreeg). Het doet me onwillekeurig denken aan moderne kunst: ook daar krijg je het kunstwerk en de verklaring afzonderlijk. Het verband tussen beide moet je gewoon voor waar aannemen, want zelf kun je het niet vinden. Dat was ook in mijn geval zo: ik kon het raadsel niet oplossen en bleef gefrustreerd achter. Het tweede raadsel was een soort metamorfose van het eerste. Opnieuw twee delen: een materieel deel (de hondenwandeling op het strand) en een geestelijk-etherisch deel (de zee die de indruk van een verticale muur maakte). Maar dit keer traden beide samen overdag op. De indruk die ik  van de zee kreeg had weliswaar een dromerig karakter, maar ik was wel degelijk wakker. Het was, zou je kunnen zeggen, een kunstzinnige impressie, maar ze was heel reëel, want toen ik er An op wees, zag ze het ook. Ze is echter veel te nuchter om daar veel belang aan te hechten. 

Ik ben echter niet zo nuchter. Ik geloof in kunst, ook wanneer ze zich in de werkelijkheid voordoet. En dat deed ze. Ik zag voor mij een heel complex esoterisch beeld. De geestelijke wereld manifesteerde zich dus in de materiële wereld, niet ervan gescheiden door de grens tussen dag en nacht. De dag kreeg met andere woorden een nacht-karakter, en zoals Nietzsche al wist is de nacht veel dieper dan de dag. Wat ik op die zondagmiddag zag, was eigenlijk een beeld van de werkelijkheid waarin wij vandaag leven, een werkelijkheid waarin de geest steeds dieper doordringt en die daardoor steeds kunstzinniger en ‘esoterischer’ wordt. Maar dat zien we niet. We denken dat het omgekeerd is en dat de werkelijkheid steeds materiëler, steeds toevalliger, steeds zinlozer wordt. Zolang we alleen maar het ‘horizontale vlak bekijken, is dat natuurlijk ook zo. Maar dat horizontale vlak wordt vandaag in toenemende mate gesneden door een ‘verticaal vlak’ dat een uiterst complexe kunstzinnige structuur tot stand brengt die het geheel een diepe betekenis verleent.

(Wordt vervolgd) 

Michaël 2015 (5)

  

Na de middelbare school ging ik naar de universiteit, vandaar kwam ik in ’s lands administratie terecht en nóg was het dieptepunt niet bereikt. Was het dan al kommer en kwel in mijn leven? Ging het louter bergaf, ging er niets bergop? Toch wel. In Leuven leerde ik namelijk niet alleen de academische wetenschap kennen, ik leerde er ook de alternatieve wetenschap kennen. Naast mijn officiële studie begon ik ook aan een officieuze studie: die van de astrologie. 

Om dat laatste een beetje te kaderen moet ik terug in de tijd. Ik ben 14 en ik zit in de kerk tijdens de wekelijkse misviering. Opeens kijk ik op en denk: wat doe ik hier? Ik hoor hier niet thuis, ik luister niet naar wat er gezegd wordt, ik doe maar alsof. Die gedachte is voldoende om een punt te zetten achter mijn ‘geloof’. Het kost me geen greintje pijn. Het is alsof ik wakker word en denk: hé, dat gedoe met God was maar een droom! Ik hield best van wierook en orgelmuziek en glasramen. Ook kruisbeelden intrigeerden me, ik tekende ze graag. Maar daar bleef het ook bij: het waren beelden, geen realiteiten. Vanaf nu leef ik in de werkelijkheid en daarin bestaan geen goden, engelen of heiligen. Het is een stuk minder mooi, maar het is wel echt. Niet lang na dat ontwaken krijg ik op school een zwaar ongeluk. Het ziet er banaal uit – ik val over een bal – maar m’n linkerknie ligt aan flarden. Na drie operaties, maanden in bed en een pijnlijke revalidatie kan ik eindelijk weer stappen. De medische staf staat stomverbaasd. Ik ben op miraculeuze wijze aan levenslange invaliditeit ontsnapt. De werkelijkheid komt hard aan. 

Innerlijk raakt ze me nog harder. In mijn bewuste beleving speelt het geloofsverlies geen enkele rol. Maar op een dieper, onbewust niveau begint het leven zijn zin te verliezen. Als God niet bestaat, dan maakt het toch allemaal niet uit? Dan gebeuren de dingen zomaar, dan heerst de wet van de sterkste. Ik ben niet alleen atheïst geworden, ik word ook nihilist. Ik geloof nergens meer in, noch in de hemel noch in de aarde. Het wordt heel donker in mijn ziel. Gelukkig is er één lichtpunt: de academie. Daar vind ik alles wat ik elders niet meer vind: zinvolheid, helderheid, oprechtheid, schoonheid. De kunst is mijn nieuwe geloof. Toevallig (of niet) ligt de academie aan voet van de St. Romboutskathedraal. Ik kijk vol ontzag op naar de indrukwekkende toren en ik luister met plezier naar zijn beiaardklanken, maar de religieuze wereld waar hij voor staat is mijn wereld niet meer. Dat is nu de wereld van de kunst. Zij is mijn nieuwe geloof, in haar voel ik mij geborgen. Maar de draak loert. Aan de overkant van de straat ligt de school met haar dorre wetenschap. Ze dringt zich met geweld aan me op en maakt mijn leven tot een kwelling. 

In Leuven kwam ik terecht in het hol van de leeuw. Het was er heel donker, maar in die diepe duisternis ontdekte ik een wetenschap die tegelijk ook een kunst was: de astrologie. Die onverwachte ontdekking betekende een ommekeer in mijn leven: opeens verscheen er weer orde in de chaos, de zinloosheid kreeg zin. Hoewel de astrologie me tot dan toe volslagen onbekend was, kwamen haar beelden me vreemd vertrouwd voor, alsof ik ze kende van lang geleden. Wat me echter het meest intrigeerde was de gedachte dat die beeldtaal iets te zeggen had over … de werkelijkheid. Ik hield van de bijbelse beelden waarmee ik opgegroeid was, maar ik had ze nooit met de reële wereld in verband gebracht. Juist omdat ik ze als fictie zag kon ik ervan genieten, zoals ik ook van een film genoot. Met de astrologie was het omgekeerd: ze was zo spannend omdat ze géén fictie beweerde te zijn. De astronomie en de ruimte lieten me koud, maar de gedachte dat de sterren het leven op aarde stuurden en regelden vond ik … groots. 

Maar hoe aantrekkelijk deze gedachte ook was, het betekende nog niet dat ik ze geloofde. Ik was zodanig doordrongen van het materialisme dat de stap naar de tegenovergestelde visie veel te groot was. Zonder harde bewijzen zou ik die nooit kunnen zetten en dus leerde ik horoscopen trekken. Daarvoor moest ik naar Antwerpen, waar ik in de Wiegstraat een winkeltje gevonden had dat propvol boeken zat over de meest bizarre onderwerpen: occultisme, esoterie, Oosterse religies, handlijnkunde, parapsychologie, helderziendheid, Tarot, magie, noem maar op. Mijn mond viel open toen ik al die vreemde titels las, ik had nog nooit van die dingen gehoord. In die tijd waren ze nog volslagen nieuw. Ik kocht een boekje van iemand die Pannekoek heette en stap voor stap uitlegde hoe je een horoscoop moest maken. Ik had ook een boekje met efemeriden nodig: de planetenstanden van het jaar dat ik geboren was. Met die twee kon ik aan de slag. 

Ik begon uiteraard met mijn eigen horoscoop en het resultaat verraste me. Eén blik volstond om te weten: dat ben ik! Het was de spijker op de kop! Meteen begon ik geboorte-uren van medestudenten te verzamelen. Iedere avond zat ik te cijferen en te rekenen. Ik begreep niks van wat ik deed, maar ik vond het buitengewoon spannend. De ene na de andere horoscoop rolde van mijn tafel, en allemaal bleken ze te kloppen. Ik herkende er zonder moeite de eigenaars in. Wetenschappelijk verantwoord was het ongetwijfeld niet, maar ik zag heus wel het verschil tussen vage algemeenheden en rake typeringen. Ik spendeerde al m’n zakgeld aan boeken over astrologie en bekwaamde me in de kunst van het sterrenwichelen. Iedere nieuwe horoscoop bevestigde mijn groeiende vermoeden: astrologie was géén onzin, wat al die Nobelprijswinnaars ook mochten beweren. Op een dag trok ik de horoscoop van Joke. Mijn prille vertrouwen kreeg een schok: ze leek er niet eens op! Toch voelde ik me al zeker genoeg om tegen haar te zeggen: je geboorte-uur moet verkeerd zijn, dat kan niet anders. En inderdaad, haar ouders bleken het niet eens te zijn over het moment waarop hun dochter ter wereld was gekomen. Het geboorte-uur-volgens-haar-vader klopte wél en op dat moment wist ik: mijn doel is bereikt. Ik twijfelde niet langer: there wás a system in this madness

Het wiskundige aspect van de astrologie belette me om me verder te verdiepen in de moeder-aller-wetenschappen, anders was ik misschien wel astroloog geworden. Wat was er immers boeiender dan door te dringen in die onzichtbare maar zeer reële wereld! Ik had intussen ook andere aspekten leren kennen van wat vandaag New Age genoemd wordt. Er ging een geheel nieuwe wereld voor me open. Algauw raakte ik ervan overtuigd dat je hem niet kon negeren als je het bestaan wilde begrijpen. En dat laatste probeerde ik uit alle macht. Mijn leven was veel te problematisch dan dat ik het gewoon geleefd zou kunnen hebben. Minstens één keer per week stelde ik mij de vraag: wat doé ik hier in godsnaam? Ik ging naar de les, maar het was slechts een deel van me dat deed alsof ik student was. Het andere deel dwaalde rond in een heel andere wereld, die mijlenver verwijderd was van de gewone, dagelijkse werkelijkheid. Ik las zelfs boeken van Rudolf Steiner, maar raakte nooit verder dan de helft. Het was me allemaal te dor, te zakelijk, te moeilijk. Het stond te dicht bij de wereld van de wetenschap en daar wilde ik juist van weg. 

Toen gebeurde er opnieuw iets onverwachts. Ik werd verliefd, op het kleinste meisje van mijn jaar. Toevallig werd ook zij onverwachts verliefd: op de steinerpedagogie. Haar besluit stond meteen vast: ze zou in een steinerschool gaan werken. Na een jaar opleiding in Nederland ging ze aan de slag in het kersverse steinerschooltje van Gent. Ik volgde haar, maar ik woonde toen in Antwerpen en Gent was een donker krocht vergeleken bij de sinjorenstad. Het steinerschooltje vond ik echter wel leuk, tenminste voor kinderen. Ik luisterde met stijgende verbazing naar volwassenen die het over engelen, kabouters en geestelijke werelden hadden alsof het niks was. Hebben jullie wel eens zo’n kabouter gezien? vroeg ik hen. Nee, dat hadden ze niet. Maar hoe kunnen jullie dan zo zeker zijn dat ze bestaan? Het antwoord luidde natuurlijk: omdat Rudolf Steiner het gezegd heeft. Maar dat wilden ze niet toegeven en dat vond ik flauw. Ik had geen probleem met mensen die geloofden, maar mensen die hun geloof voorstellen als een wetenschap? Nee, daar kon ik geen respect voor opbrengen. 

Voor An – die intussen mijn vrouw was geworden – had ik echter wél respect. Ze was buitengewoon nuchter en intelligent, en het was me een raadsel hoe ze kon omgaan met een stelletje fantasten die geloofden in kabouters en elfjes. Er was ook nog een ander raadsel. Toen ik – in de schaduw van de St.Baafskathedraal – een tentoonstelling over steinerpedagogie bezocht, sprongen de tranen me in de ogen: dit was de school die ik als kind gemist had! Maar wat had deze kleurrijke school te maken met die kleurloze antroposofie? Ik zag het verband niet. Vijf jaar lang zou ik het vergeefs zoeken. Ik voerde talloze gesprekken met mijn vrouw, maar ze slaagde er niet in mij over de brug te trekken. Omgekeerd veranderden al mijn bezwaren ook niets aan haar rustige overtuiging. Dit was een veel grotere uitdaging dan de astrologie. Steiner was me absoluut niet vertrouwd en ik worstelde hevig met zijn antroposofie. Tot ik op een dag – het was mijn 30ste verjaardag – thuis een boek vond dat ik uit verveling begon te lezen. Toen ik het uit had, was ik antroposoof geworden. Het boek heette: De Filosofie der Vrijheid. 

Enkele dagen later trof ik in een Brusselse boekhandel een boek aan van Emil Bock over de twee Jezuskinderen. Ik twijfelde er niet meer aan dat antroposofie evenmin onzin was als de astrologie, maar een boek over Jezus, en dan nog wel over twéé Jezussen? Dat stelde mijn prille overtuiging danig op de proef. Na lang aarzelen besloot ik het boek toch te kopen. Van zodra ik begon te lezen was ik verrukt. Ik herkende de beeldtaal van de astrologie, maar nu in een veel zintuiglijker, veel concretere vorm. Even later kwamen ook de twee Jezuskinderen me volkomen vanzelfsprekend voor: zo moest het geweest zijn, dat kon niet anders! Zowel de vorm als de inhoud van het boek troffen me door hun grote kunstzinnigheid. Emil Bock was iemand die de wereld als een kunstwerk zag. Het was weliswaar de bijbelse wereld, maar die had hoe dan ook echt bestaan. Hij was werkelijkheid én oerbeeld tegelijk geweest. Dit boek toonde mij wat ik wilde: de zintuiglijke werkelijkheid én de onderliggende oerbeelden tegelijk zien. Ik besefte het nog niet echt, maar mijn gevoel sprak duidelijke taal: ik had het onderwerp gevonden dat mij van alle antroposofische thema’s het nauwst aan het hart zou liggen. 

Ik was blij de bijbelse beelden uit mijn jeugd weer te kunnen omarmen. Hun kunstzinnigheid had zich verbonden met de (geestes)wetenschap. Maar het was allemaal nog heel pril, het moest nog groeien. Later zou ik De Filosofie der Vrijheid nog verschillende keren opnieuw (proberen te) lezen maar ik begreep er niks meer van. Was dit het boek dat in één klap een antroposoof van me gemaakt had? Slechts één gedachte stond me nog helder voor ogen, de gedachte die me bevrijd had van de kluisters waarin ik gevangen zat: er is maar één werkelijkheid, er is géén wezenlijk verschil tussen binnen- en buitenwereld. Wat mij al die jaren gekweld had, was de overtuiging dat wat er in mezelf leefde niks te maken had met de wereld daarbuiten. Het had me niet alleen opgesloten in een verstikkende eenzaamheid, het had me ook een kwellend schuldgevoel bijgebracht. Wat er in mijn ziel leefde, kwam namelijk helemaal niet overeen met wat er in de buitenwereld leefde. Ik probeerde me aan te passen, maar dat lukte niet en dus kon er maar één conclusie zijn: ik was verkeerd. Ik dacht niet alleen verkeerd, ik voelde ook verkeerd en wat ik wilde was eveneens verkeerd. Ik had de dualistische leer van de twee werelden – de grondslag van het materialisme – aan den lijve ondervonden. Ik had de gespletenheid die ze in de ziel van een mens veroorzaakte helemaal doorleefd en Rudolf Steiner had me ervan bevrijd. Hij was mijn ‘verlosser’ en daarom geloofde ik in hem: niet om wat hij me verteld had, maar om wat hij voor me gedaan had. Hij had me teruggegeven aan mezelf, en een groter geschenk kun je niet krijgen. 

Dit geschenk was de keerzijde van de ellende die ik had doorgemaakt toen ik de kunst verliet en voor de wetenschap koos. Dat ik die tocht door de woestijn tot een goed einde wist te brengen, was niet mijn verdienste, wel integendeel. Nooit zou ik zelfs maar een deel van die woestijntocht op eigen kracht hebben kunnen afleggen. Ik werd er letterlijk doorheen gesleurd door een ‘hogere’ macht die een reeks onwaarschijnlijke toevalligheden creëerde die geen fictie-schrijver had durven bedenken. Die ‘hogere macht’ Michaël moet zijn geweest, tot die conclusie ben ik vandaag gekomen. Het doel waar hij me naartoe leidde was niet het (nutteloze) universitaire diploma, het was de antroposofie, de hereniging met mezelf. Dat doel zou ik nooit bereikt hebben als ik de wereld van de kunst niet had verlaten. Ik zou me daarin verschanst hebben voor de grauwe buitenwereld. En toen die buitenwereld de muren van de kunstwereld sloopte en haar onder de voet liep, zou me dat helemaal verscheurd hebben. Ik werd uit het ‘paradijs’ van de kunst verdreven opdat ik niet ten prooi zou vallen aan de draak die er vandaag zo vreselijk huishoudt en de bewoners dwingt tot een vernederende onderwerping die ik nooit zou overleefd hebben. 

Bij nader toezien was de weg die zo steil bergaf liep dus een weg bergop. Als de goden iemand willen straffen willigen ze zijn wensen in, als ze hem willen helpen sturen ze rampen op hem af. Maar dat wist ik toen nog niet. Integendeel, ik nam het mijn helpers kwalijk dat ze mij niet geholpen hadden. Mijn leraar had geen vinger uitgestoken toen ik naar Leuven ging. Eén woord was voldoende geweest om me te weerhouden, maar hij zweeg. Anderen spraken en ik wilde dat ze gezwegen hadden. Ik las bij Rudolf Steiner dat ieder mens een bewaarengel heeft en ik vroeg me af: waarom ik niet? Ik realiseerde me niet dat mijn engel zo groot was en zo dichtbij stond dat ik hem niet kon zien. Pas door telkens weer na te denken over hoe mijn leven gelopen was, op zoek naar wat er verkeerd was gegaan, begon ik in te zien dat uitgerekend het verkeerde het juiste was, dat niet mijn leven een mislukking was maar de manier waarop ik ernaar keek. Het herinnert me aan een voorval uit mijn academie-tijd: ik kwam de klas binnen en zag dat de leraar een tekening van me had ingelijst en aan de muur gehangen. Dat was iets heel uitzonderlijks en ik was dan ook danig verbaasd, temeer daar het een tekening was die ikzelf de week tevoren in de vuilnisbak had gegooid omdat ze in mijn ogen compleet mislukt was …

Michaël 2015  (4)

  

Het ging van kwaad naar erger. Leuven was al een lijdensweg geweest, maar nu werd mijn ergste nachtmerrie werkelijkheid: ik ging als ambtenaar in Brussel werken. In die tijd zond de Vlaamse televisie De Collega’s uit, een feuilleton dat het ambtenarenbestaan op karikaturale wijze in beeld bracht. Het werd over het algemeen heel geestig gevonden maar wél overdreven. De werkelijkheid overtrof zoals altijd de fictie. Niemand geloofde me als ik vertelde hoe het er op kantoor aan toe ging. Ik maakte er een karikatuur van, vonden ze. Maar het was omgekeerd: de werkelijkheid was veel karikaturaler dan wat ik of De Collega’s ervan maakten. De ambtenarij was zo’n krankzinnige grap dat ik hem nooit zelf had kunnen bedenken. School, universiteit, ministerie: mijn leven werd alsmaar zieker, alsmaar zinlozer, alsmaar kafkaësker. De sneeuwbal bleef maar rollen. 

Ik kon mijn ogen niet geloven. Was dit nu mijn leven? Het was precies het omgekeerde van wat ik gedroomd had. Of beter: van wat ik gekend had in de wereld van de kunst. Want de academie was heel reëel geweest. Ik had er niet zozeer schoonheid dan wel moraliteit aangetroffen. Goed en kwaad waren er heel duidelijk van elkaar onderscheiden. Een tekening moest niet mooi zijn, ze moest juist zijn. Fouten werden niet getolereerd. Wie de waarheid wilde omzeilen, werd onverbiddellijk gecorrigeerd. Mijn leraar schrok er niet voor terug om een tekening waar je urenlang intens aan gewerkt had met een paar onverschillige bewegingen helemaal uit te vegen. Dat je ego door die aanslag in shock raakte, daar trok hij zich niks van aan. Hij merkte het niet eens op. Je kreeg van hem alle vrijheid en hoe je die vrijheid gebruikte, was zijn zaak niet. Maar het resultaat moest kloppen. Hij zag niets door de vingers. Het was een harde leerschool, maar ik ondervond keer op keer dat er geen andere weg was. Als je de vreugde wilde smaken, moest je onverbiddellijk waar zijn.   
 
In de wereld van de wetenschap – de school en de universiteit – had ik net het omgekeerde aangetroffen: immoraliteit. Of ik mij nu inspande of niet, het maakte niks uit. Ik kreeg m’n diploma toch wel, een diploma dat ik helemaal niet verdiende. Er was altijd wel de zoon van een geldschieter of de dochter van een professor die bevoordeeld moesten worden, en door een gril van het lot profiteerde ik daar telkens mee van. Ik had vlug door hoe het spelletje gespeeld werd en speelde het vlijtig mee, ook al vond ik het kinderachtig. Maar het doel heiligde de middelen. Ik loog en bedroog dat het een aard had. Wat de Broeders van Liefde me op school vertelden, ging het ene oor in en het andere weer uit, maar wat ze deden, dat bootste ik na als een kameleon. Ze merkten het niet eens op. Ik maakte m’n huiswerk zelden zelf, ik kopieerde al m’n meetkundige tekeningen van mijn klasgenoten, ik pende mijn examens zorgvuldig van hen af. Als het een keer niet lukte dan haalde ik alles wel weer uit de boekentas van de leraar. Ik was trouwens niet de enige die dat deed. We deden het allemaal. We waren een intelligente klas en werkten solidair samen. 

Aan de universiteit verfijnde ik de kunst van het bedriegen. Hier moest ik geen eenvoudige Broeders van Liefde om de tuin leiden, maar professoren en hoogleraren, het kruim van ’s lands intelligentie. Maar er was geen wezenlijk verschil. Ze logen en bedrogen zoals iedereen, en ik deed vrolijk mee. Nu ja, vrolijk. Ik beleefde wel een grimmig genot aan het belazeren van al die gewichtige dames en heren. Maar vreugde was er niet bij. Ik voelde alleen maar minachting voor die idiots savants. Waren dát nu intellectuelen? Ik voelde die minachting trouwens ook voor mezelf. Ben je niet beschaamd, zei ik in de spiegel, om je tijd te verspillen met dergelijke kinderachtige spelletjes? Heb je echt niks beters te doen met je leven? Ik studeerde ijverig astrologie, leerde horoscopen trekken en besprak die met mijn medestudenten. Ik bekwaamde me in de makrobiotische keuken, ging brandnetels plukken en experimenteerde met tamari en tahin. Ik verdiepte me in de Oosterse filosofie, in alles wat esoterisch was of klonk, en las zelfs Rudolf Steiner in boeken die roder waren dan dat van Mao. Maar dat was allemaal ersatz, het was niet wat ik echt wilde doen. Ik wilde alleen maar tekenen. Ik zag m’n leven werkloos voorbijgaan.  

Na m’n master (toen nog licentie) aan de Universiteit van de Leugen doctoreerde ik in Brussel, op de Vaste Commissie voor Taaltoezicht, de ‘vuilbak’ van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Hier was liegen en bedriegen geen kunst meer, hier was het dagelijkse werkelijkheid geworden. Niemand keek er nog van op, integendeel. In de ogen van de wereld was ik nu een normaal mens geworden die keurig zijn plicht vervulde jegens vrouw, kinderen en maatschappij. Meteen op de eerste dag greep ik mijn kans en na een paar weken was ik er al in geslaagd om mijn 8-urige werkdag terug te brengen tot één uur. Ik stond er zelf van te kijken hoe gemakkelijk het ging. Maar ik was dan ook magna cum laude afgestudeerd in de ahrimanische Leerschool van de Leugen. Wat de Broeders van Liefde en de Alma Mater me geleerd hadden, wierp nu zijn vruchten af. Ik kwam doorgaans niet vóór tien uur op kantoor, haspelde m’n werk in sneltempo af, sloeg dan de krant open en at m’n broodje met tonijn op. Tegen de middag had ik het kantoor alweer verlaten en dwaalde uren rond in de stad die ik nog niet kende. Terug op kantoor doodde ik de tijd tot vier uur. Dan moest ik mijn trein halen. 

Dat was een gewone dag. Er waren ook buitengewone dagen. Dan arriveerde ik tegen de middag, at m’n dagelijkse broodje en muisde er meteen vanonder. Of ik kwam na de middag niet meer terug. Of ik kwam helemaal niet opdagen. Vooral wanneer de treinen weer eens staakten, had ik geen zin om uren op een perron te staan wachten. Er waren grenzen aan de zinloosheid die ik kon verdragen. Ik herinner me nog altijd een gesprek dat een vrouw op de trein voerde. De man naast haar vroeg of ze een stuk van zijn krant wilde. Nee dank je, zei ze, ik ken die krant al uit m’n hoofd! Bleek dat de vrouw ergens in de Westhoek woonde. Iedere dag stond ze om vijf uur op, nam de bus naar de kust, de kusttram naar Oostende, de trein naar Brussel, de metro naar haar werk, en daar las ze dan de krant. ’s Avonds volgde ze de omgekeerde weg en was net op tijd thuis om de kinderen onder te stoppen. Daarna at ze iets en kroop zelf in bed. Acht uur per dag was ze onderweg om in Brussel acht uur lang de krant te lezen. Want iets anders had ze daar – om redenen die ik me heel goed kon voorstellen – niet te doen.

Ook ik trok iedere dag naar Brussel om er … niets te doen. Mijn ‘werk’ kwam erop neer dat ik een berg zand twintig meter verplaatste en hem vervolgens weer naar z’n oorspronkelijke plaats terugbracht. Dat gold eigenlijk voor de hele dienst – het was één grote schijnvertoning – maar nergens werd het zo karikaturaal als bij mij. Er circuleerde in die dagen een grap. Waarom liep er in het midden van de gangen op het ministerie een rode lijn? Dat was om degenen die te laat arriveerden te scheiden van degenen die te vroeg vertrokken. Iedereen lachte daar hartelijk om, maar niemand geloofde het natuurlijk. Ik wel. Ik bracht het zelf in de praktijk. De ene dag arriveerde ik op hetzelfde moment dat ik de andere dag vertrok. Ik kón eenvoudig niet anders, dat soort gedrag was de enige manier om nog een greintje zelfrespect te bewaren. Ik stelde het ook bij anderen vast. Ze saboteerden het werk om niet ten onder te gaan aan de zinloosheid ervan. Het enige verschil was dat ze het niet beseften. Het was een tweede natuur geworden.

Ik besefte het wel. Aan de academie had ik het goede, het ware en het schone in een zeldzaam zuivere vorm leren kennen, en nu leerde ik het kwaad, de leugen en de lelijkheid in al zijn grauwheid kennen. Het was alleen te verdragen als ik die grauwheid voortdurend uitdaagde. Ik maakte er een kunst van om in die gevangenis ruimte te scheppen voor mezelf. Ik was trouwens niet alleen. Het lot schonk me een goeie vriendin: Brigitte, een flamboyante, rasechte Waalse. We brachten zoveel tijd bij elkaar door dat iedereen ervan overtuigd was dat we een affaire hadden. Daar moesten we allebei hartelijk om lachen. Op een keer trof ik haar aan achter een bureau dat bedekt was met patroonpapier: ze was een jurk aan het maken. We schaakten ook veel, maar we voerden vooral urenlange gesprekken. Hoeveel troost ik daar ook in vond, het volstond niet voor me. Ik begon te schilderen. Ik had een aquareldoosje gekocht en ging elke middag schilderen in het stadspark of in de oude Leopoldswijk. Daar nam ik ruim de tijd voor, en terug op kantoor werkte ik m’n schilderijtjes af. Op die manier leerde ik mezelf aquarelleren, onder supervisie van Sint Michiel, de patroonheilige van Brussel. 

Ieder jaar ging ik met vrouw en kind (er was er nog maar één) voor een maand naar zee. In juni, want dan was het nog betaalbaar en was er ook veel minder volk. Daar werd ik langzaam weer mens. Maar ieder jaar ook werd ik ziek als ik weer naar kantoor moest. De overgang van zon, zee en zand naar het lawaai, de stank en de lelijkheid van de Wetstraat was te groot. Het wende nooit, integendeel. Ieder jaar werd het erger. Wat ik ook deed, hoe ik er ook de kantjes af liep of mijn kantoor veranderde in een schildersatelier, ik voelde hoe ik innerlijk langzaam maar zeker stierf. Wat er nog aan vuur in me restte, doofde uit. Niets was nog echt. Ik leefde m’n eigen leven niet, ik leefde andermans leven. Ik had eigenlijk géén leven meer. Maar wat moest ik doen? Ik was huisvader, ik was kostwinnaar, ik kon m’n werk niet zomaar laten staan. Ik mocht al blij zijn dat ik werk had, ook al had het met werken niks te maken. 

Ik had een contract als ‘tewerkgestelde werkloze’ en dat werd ieder jaar hernieuwd. Op een dag, na 7 lange jaren in ’s lands administratie, kreeg ik een brief: tot onze spijt, enzovoort. Mijn hart sprong op. Eindelijk verlost! Hoe het daarna verder moest was het laatste van mijn zorgen. Ik was veel te gelukkig. Het was mei, de vogeltjes zongen en ik zong mee. Ik maakte m’n bureau leeg, stak m’n schilderspullen in een kartonnen doos en verliet het gebouw op dezelfde manier waarop ik het zo vaak was binnengeslopen: langs de kleine wenteltrap, zonder iemand tegen te komen, zonder van iemand afscheid te nemen – als iemand die er nooit geweest was. Het was niet eens zover benevens de waarheid. Brigitte zou me naar huis brengen. De natuur langs de autostrade bloeide uitbundiger dan ik ooit had gezien. Ik voelde me als een vogel die bevrijd was uit zijn kooi. Thuis dronken we samen met An een glas wijn om deze grote dag te vieren. Het was precies drie jaar vóór ik een andere grote dag zou vieren. 

Een bang blank meisje

  

Dit is Sofie Peeters. Ze maakte drie jaar geleden Femme de la rue, een reportage waarbij ze zich stiekem liet filmen toen ze zich als vrouw alleen in de Marokkanenbuurt van Brussel waagde. Dat werd onlangs nog eens dunnetjes overgedaan door Karen & De Coster. Het resultaat was hetzelfde: weinig fraaie reacties. Zo formuleerde De Morgen het: ‘weinig fraaie reacties’. Dus geen ‘extreme reacties’ zoals in het geval van de Silke Raats met haar hoofddoek. Nee, gewoon ‘hoer’ en ‘vuile teef’ roepen, de vrouw in kwestie achtervolgen tot bij haar deur, haar bedreigen en schunnige praat in het oor fluisteren. Dat soort onschuldige moslimhumor dus. Absoluut niet te vergelijken met de schokkende dingen die Silke overkwamen. 

Sofie Peeters is intussen moeten verhuizen. Ze werd achtervolgd en bedreigd, beweert ze. Alweer een bang blank meisje dus, zonder enig gevoel voor humor. Iedereen weet toch dat moslims het niet menen als ze zeggen dat ze je zullen verkrachten en de keel oversnijden! In het Midden-Oosten lacht iedereen zich kreupel met stand-up comedian Al Baghdadi, maar hier in Europa denken al die bange wezels dat hij het méént! Ja zeg, als je dáár al niet meer kunt om lachen! Gelukkig zijn er ook nog moedige blanke meisjes zoals Silke Raats die écht gevaar durven trotseren. Een mens mag er niet aan denken wat deze heldin momenteel allemaal niet moet verduren als gevolg van haar schokkende reportage. Het is, vrees ik, bang afwachten tot haar naakte, verkrachte, verminkte en onthoofde lijk ergens in Flanders Fields wordt teruggevonden, een lot dat al zovele moslima’s hebben ondergaan. Enkel en alleen omdat ze een hoofddoek droegen …

Michaël 2015  (3)

  

Mijn grote passie is: mensen tekenen. Aanvankelijk waren dat hele mensen. Als kleine jongen was ik een fan van Michelangelo en tekende ijverig zijn geweldige lijven na. Later aan de academie leerde ik dat veel grondiger doen. Er werd mij getoond hoe ik de menselijke figuur moest herleiden tot haar meest elementaire (abstracte) bouwstenen en ze met behulp daarvan vervolgens weer opbouwen. Het was zwaar werk om – louter op grond van waarneming  en dus zonder enige anatomische kennis – begrijpend door te dringen in de uiterst complexe vormen van het menselijk lichaam, maar als het lukte: wat een genot! Ik herinner me nog hoe ik op een dag overvallen werd door een wilde vreugde tijdens het tekenen van een … knie. Het (naakte) model was nochtans jong en aantrekkelijk en je zou verwachten dat andere lichaamsdelen meer geschikt waren om (al tekenend) genot aan te beleven, maar nee, het was haar rechterknie die zo’n explosie van vreugde in me veroorzaakte. Het was dan ook geen zinnelijk genot, het was een bovenzinnelijk genot, een soort deelachtig worden aan de scheppende geest die zo’n geweldig kunststuk als de knie tot stand had gebracht. 

Op een dag kwam mijn leraar naast me zitten. Je tekent voortreffelijk, zei hij (in de 40 jaar dat ik hem gekend heb, heeft hij dat maar één keer tegen me gezegd), maar het is allemaal wat braaf, het mist leven en bezieling. Ook dat heeft hij maar één keer gezegd. Kijk, zei hij, en hij tekende een vierkant, een cirkel en een ellips op m’n blad. Je moet eens proberen om het karakteristieke van een mens naar voor te halen. In de drie abstracte vormen tekende hij twee ogen, een neus en een mond. Een beetje zoals in een karikatuur, voegde hij eraan toe. Meer hoefde hij niet zeggen, ik had het begrepen. Vanaf dat moment begon ik verwoed karikaturen te tekenen. Het was alsof er olie was aangeboord: het spoot eruit. Ik kon er maar niet genoeg krijgen. Vijfentwintig jaar lang zou ik gepassioneerd gezichten tekenen, duizenden en duizenden gezichten. 

Het loutere kopiëren van een menselijk gelaat interesseerde me niet zo erg. Nee, ik wilde de kern raken, datgene wat een gezicht uniek maakt. Het Ik dat zich in een gezicht uitdrukt, daar baande ik mij rücksichtlos een weg naartoe, zonder rekening te houden met welke gevoeligheden ook. Integendeel, ik schepte er een demonisch plezier in alles uit de weg te ruimen wat me tegenhield. Ik liet het beest in me los en genoot ervan een gezicht zoveel mogelijk geweld aan te doen. Ik trok eraan, vervormde het, blies het op – maar steeds in functie van het onderliggende Ik dat ik bloot wilde leggen. Ja, de draak tekende beslist mee. En hij bracht leven en bezieling in mijn tekeningen. Een beetje veel zelfs. Mijn leraar schudde het hoofd en zei, tongue in cheek: had ik dát geweten! Maar hij legde me geen strobreed in de weg. Hij zag dat m’n tekeningen beter werden en daar ging het om. Je kunt beter slecht zijn dan niets zijn, grijnsde hij. En hij meende het. 

Het tekenen van gezichten was voor mij een gevecht met de draak, zowel mijn eigen draak (die ik onder controle moest houden) als die van anderen (die ik moest overwinnen om tot hun Ik door te dringen). Dat vergde soms een harde strijd, maar ik gaf me nooit gewonnen. Ik werkte verbeten door tot ik het unieke van mijn model had ‘getroffen’. Vaak waren het nipte overwinningen, maar in de loop der jaren gaf de draak zich langzaam gewonnen. Ik hoefde steeds minder geweld te gebruiken, wat tot uitdrukking kwam in het feit dat ik steeds meer kinderen begon te tekenen. Ik wilde dat aanvankelijk niet, maar ze vroegen er zelf om. Op die manier veranderde mijn strijd met de draak gaandeweg in een gevecht met de engel. Want met kinderen bestaat de kunst er niet in om door te dringen tot hun Ik – dat is nog niet afgesloten – maar om er niet in opgezogen te worden. Een pasgeboren kind is zo onweerstaanbaar dat er geweld nodig is om afstand te houden – wat een voorwaarde is om te kunnen tekenen. Mijn zwaarste gevechten heb ik dan ook met kinderen geleverd, want engelen zijn sterker dan draken. 

Als ik terugdenk aan de hele ‘scholingsweg’ die ik op die manier doorlopen heb – te beginnen met het tekenen van oude mensen (mijn oudste model was 102) en eindigend met pasgeboren kinderen (mijn jongste model was 6 uur oud) – dan begin ik te vermoeden waarom Michaël mij verleden jaar zo hardhandig de weg versperd heeft. Misschien wil hij niet dat ik terugkeer naar de dingen die ik reeds kan, maar wil hij dat ik verder ga, dat ik ook het portret leer tekenen waar ik tot dusver altijd mijn tanden heb op stukgebeten: mijn eigen portret. Niet dat van mijn fysieke, lagere zelf uiteraard, maar dat van mijn geestelijke, hogere Ik, zoals het van buitenaf op me toekomt in de vorm van mijn eigen leven. Ja, that makes sense. Ik kon tot nog toe niet begrijpen waarom de terugkeer naar mijn grootste passie – het tekenen van mensen – zo bruusk werd afgebroken. Maar als het waar is dat ik nu, in de herfst van mijn leven, een veel moeilijker portret te tekenen heb, ja dan kan ik het accepteren, ook al blijft het afscheid pijn doen.

Hoe begin je eraan om zo’n ‘hoger’ zelfportret te tekenen? Om te beginnen: door toeschouwer te worden bij je eigen leven. Volgens Rudolf Steiner moeten we leren om onszelf als een vreemde te zien. Dat is ontzettend moeilijk want ieder mens is zichzelf het meest vertrouwd. Om het duidelijker te zeggen: ieder mens is verliefd op zichzelf en bijgevolg blind voor hoe hij er werkelijk uitziet. Die eigenliefde hebben we aan Lucifer te danken en zonder dat ego-isme zouden we nooit vrij kunnen worden. Kijken naar jezelf met de ogen van een ander (die uiteraard niet verliefd op je is, maar je nuchter en afstandelijk ziet zoals je werkelijk bent) is misschien wel het moeilijkste wat er bestaat. Want een mens kan niet leven zonder liefde, evenmin als de aarde kan bestaan zonder zon. Pasgeboren kinderen hebben nog geen eigenliefde en zijn aangewezen op de liefde van hun fysieke moeder. Wie zonder eigenliefde naar zichzelf wil kijken, heeft de liefde van zijn geestelijke moeder nodig, van Sofia. Zonder haar lukt het niet.

Laat ik dus eens proberen, met behulp van wat (Antropo)Sofia me geleerd heeft, te kijken naar mezelf, dat wil zeggen naar mijn leven, dat vreemde leven waar ik zo weinig van begrijp. Waarom doet dat leven al m’n plannen mislukken? Als de goden mensen willen straffen, beweerden de oude Grieken, dan willigen ze hun wensen in. Wel, dat hebben ze bij mij alvast nooit gedaan. Geen enkele wens hebben ze ooit ingewilligd. Ze leken er zelfs plezier in te scheppen dwars tegen m’n wensen in te gaan en al m’n plannen te doen mislukken. Ik heb dat altijd ervaren als een straf, een vernedering, een noodlot. Ik leefde als kind al in de overtuiging dat er iets fundamenteels verkeerd was gegaan en dat alles wat eruit voortkwam alleen maar nog verkeerder kon zijn. Moet ik nu, 50 jaar later, werkelijk gaan geloven dat het verkeerde het juiste was, dat het noodlot mijn geluk was, dat mijn bewaarengel, die in geen velden of wegen te bespeuren was, juist heel goed voor me zorgde? Dát zou nog eens de wereld op zijn kop zijn! Maar Rudolf Steiner zei: de wereld stáát reeds op zijn kop, ik doe niets anders dan hem weer recht zetten. Dat laatste wil ik ook eens proberen met mijn eigen kleine wereld. 

Waren mijn schooljaren al een kwelling geweest, wat daarna kwam was nog erger. Ik wilde helemaal niet naar de universiteit. Maar iedereen vond dat ik verder moest studeren, ondanks m’n legendarisch slechte cijfers. Ik had het eens uitgerekend: in m’n laatste jaar van de middelbare school moest ik ongeveer 20 procent van de punten behaald hebben. Het was een complete ramp, de hele school wist dat. En toch lieten ze me erdoor. Ze vonden zelfs dat ik verder moest studeren. Kan het krankzinniger? Zelf was ik zo murw geslagen door alle schoolellende, dat ik me als een schaap naar de slachtbank liet leiden. Ik bezat de kracht niet meer om me te verzetten. 

Ik zag dat mijn tekenleraar een droomjob had. Hij verdiende evenveel als een middelbare-schoolleraar, moest geen lessen voorbereiden, geen huiswerk verbeteren, geen examens afnemen. Hij moest niet eens lesgeven als hij daar geen zin in had. En om dat te bereiken had hij niets anders moeten doen dan tekenen. Precies wat ik wilde, precies wat ik kon. Maar de gedachte dat zoiets voor me weggelegd kon zijn, kwam niet eens in me op. Het leven, was dat geen kwelling? Was dat geen straf die je moest uitzitten? Was dat niet: moeten doen wat je niet wilde doen, en niet mogen doen wat je wilde doen? Ik herinner me nog dat de examens op mijn school voorbij waren. Maar we mochten niet naar huis, we moesten op school blijven en de tijd doden. Ik stond op de gang en keek verlangend door het grote raam naar de overkant van de straat waar ik de (dag)leerlingen van de academie zag arriveren voor de proclamatie. Ik was weliswaar een weekendleerling, maar die hoorden er ook bij en ik dacht aan de vorige keer, toen ik onder luid applaus van de hele zaal naar voor was gelopen om de felicitaties van de jury in ontvangst te nemen. Dát was nog eens een pleister op mijn gekwelde hart! En dus vroeg ik de surveillant of ik de straat niet mocht oversteken. Ik legde het hem uit en zei dat ik niet lang zou wegblijven. Zoals het een Broeder van Liefde past, was hij onverbiddellijk: ik moest blijven en de dag in ledigheid doorbrengen. Slechts een straatbreedte scheidden academie en school, maar de grens was een Berlijnse muur geworden. In de jaren die volgden zou ik er zo gewoon aan worden dat ik hem niet meer zag. Ik vergat dat er ‘aan de overkant’ nog een Beloofde Land bestond waar ik iemand was, waar ik deed wat ik wilde, en waar ik nog applaus kreeg ook.

Moeten en niet mogen: daaruit bestond mijn leven ‘aan deze zijde’. En het werd er niet beter op, wel integendeel. In Leuven moest ik dingen leren die ik helemaal niet wilde leren, en wat ik wel wilde doen mocht ik niet doen. Ik probeerde het nochtans. Ik ging ’s avonds naar de Leuvense academie om naar model te tekenen. Maar na een paar dagen werd ik al aan de deur gezet. Ik had het namelijk bestaan om een karikatuur te tekenen van de leraar. Hij sprak toen de legendarische woorden: in mijn klas mag alles, maar dát niet! Het was de meest kernachtige typering van mijn leven die ik ooit gehoord had: ik mocht alles doen, behalve datgene wat ik wilde. Zijn verontwaardiging herinnerde me aan een ander veelbetekenend voorval. Ik liep met mijn moeder door de stad (kleren kopen waarschijnlijk) en ze bracht het gesprek nog maar eens op mijn lamlendige houding. Is er dan werkelijk niets dat je interesseert? riep ze wanhopig uit. Tekenen, antwoordde ik zonder aarzelen. Waarop ze zowat ontplofte van verontwaardiging: kun je dan werkelijk nóóit eens ernstig zijn? Ik was nog nooit zo ernstig geweest, maar ze zag precies het omgekeerde. Ook meneer Van Beckbergen, de beledigde kunstenaar-met-de-stofjas, begreep niet dat karikaturen voor mij een zeer ernstige zaak waren. Als je dát wil doen, moet je maar op de markt gaan staan! sprak hij visionair. 

(Wordt vervolgd)

Faite en Belgique (2)

  

Mocht u het nog niet weten: Les Diables Rouges gaan volgend jaar – zeer in tegenstelling tot De Oranje Duivels uit het Noorden – naar het EK voetbal in Frankrijk. L’Equipe Belge staat zelfs op 1 in de ranking van de UEFA. Of de FIFA. Of whatever. Dat is natuurlijk une nouvelle fantastique voor alle oprechte compatriotes. De Belgische ploeg la meilleure du monde! Wie had dat ooit kunnen dromen! De voetbalbond vond meteen een nationale voetbalslogan uit – Tous en France – en Laurette Onkelinkx – u weet wel, la grande dame die de Vlamingen ooit en public ‘ongedierte’ noemde – vond dat zulks applaus verdiende op alle banken du parlement Belge. Uiteraard ging tout le monde politique daar graag op in en gaf les héros een daverend applaus. Behalve natuurlijk les boches du N-VA. Die weigerden mee te doen, les crapules! De Vlaamse eer werd echter gered door moustache Siegfried Bracke die enthousiast les mains op elkaar zette.  

Nergens, maar dan ook nergens heb ik één woord van kritiek gehoord op het feit dat de Belgische ploeg vertegenwoordigd wordt door een eentalig Franse slogan. Geen haan die ernaar kraaide (woeha). Was het omgekeerde het geval geweest, dan zou Laurette het schuim op de lippen hebben gestaan en zou het land onbestuurbaar zijn geworden. Ik kan daar maar één conclusie uit trekken: de Vlamingen verdienen niet beter! Als je op dergelijke grove beledigingen niet reageert, als je je laat uitzuigen door mensen die ook nog eens op je kop schijten, als je geen greintje eergevoel meer hebt, dan kun je jezelf beter afschaffen. Het erge is: wat voor Vlaanderen geldt, geldt vandaag voor heel Europa. Wat een beschamende, vernederende ondergang! Al onze ancêtres draaien zich van schaamte in hun graf om. 

Er is nog slechts één hoop: dat de Diables Rouges het volgend jaar nóg slechter doen dan onze noorderburen. O God, mogen zij al hun wedstrijden verliezen met 5 – 0! Daarvoor wil ik met plezier te voet naar Scherpenheuvel gaan en daar alle kaarsen aansteken die ze hebben. Wie gaat mee? 

Failers zijn geen losers

  

Zo hoort u het ook eens van een ander. 

Blinkend blauw

  

Kan iemand mij eens vertellen wat dat tegenwoordig toch is met die verschrikkelijke blauwe kostuums? Is dat allemaal omdat Onze Leider er ook altijd een draagt? Ik dacht dat de culturo’s juist heel erg anti-De Wever waren. Of zijn filmmensen geen culturo’s? Dat kan natuurlijk ook. Ach, ik kan gewoon niet meer volgen. Ik word te oud voor deze blauwe wereld. Maar ik weet één ding: al gaven ze mij 1000 euro, ze krijgen mij niet in zo’n blinkend kostuum! (Ik begin pas te twijfelen vanaf 5000 euro.)