The Exorcist (4)

door lievendebrouwere

  

Another one! Zo reageert William Kinderman wanneer father Dyer, net zoals father Karras voordien, zijn uitnodiging afslaat om samen naar de film te gaan. Weer een die vindt dat je een film maar één keer hoeft te zien! Zelf denkt hij er duidelijk anders over. Een film is voor hem iets om te bespreken, te bekritiseren, te becommentariëren. Eigenlijk is een film zoals een moordzaak: je moet de feiten verschillende keren opnieuw bekijken voor je achter de ware toedracht komt. Op die manier heeft Kinderman ook ontdekt wat er gebeurd is met Burke Dennings. Toch kunnen we uit de film niet opmaken of hij werkelijk gelooft dat Regan bezeten was van de duivel. Als hij aan het eind van de film de half vernielde kamer van het meisje binnenstapt, is hij stomverbaasd. Door zorgvuldig na te denken was hij tot de conclusie gekomen dat de sleutel tot het raadsel in die kamer moest gezocht worden, maar nu hij ze echt betreedt, kan hij zijn ogen nauwelijks geloven. Hij zal Regan uiteindelijk niet in verdenking stellen. Maar doet hij dat omdat hij begrijpt dat de demon de echte moordenaar was, of omdat hij voelt dat hij hier aan een grens gekomen is waar hij niet overheen kan of wil? Misschien vertelt hij dat wel tegen father Dyer, want beiden besluiten alsnog om samen iets te gaan eten …

Zoals de wegen van Merrin en Karras elkaar voor het eerst kruisten bij de overgang naar het tweede luik van de film, zo kruisen die van Kinderman en Dyer elkaar bij de overgang naar het derde luik: het nog onbestaande luik van de kijker. Want zonder diens bijdrage is deze film niet voltooid. Als klassiek kunstwerk is hij volkomen af, daarvan getuigt zijn wereldwijde succes. Maar als esoterisch of antroposofisch kunstwerk blijft The Exorcist onbekend en onbemind. Als antroposofie-in-beelden weerspiegelt de film de antroposofie-in-woorden en het is pas wanneer deze twee samen worden gezien en in het bewustzijn van de kijker met elkaar verbonden, dat hun ware aard zichtbaar wordt. Dat gebeurt wanneer we als kijker het gesprek gaan voeren waartoe Kinderman en Dyer aan het eind van de film besluiten: het gesprek tussen ons rationeel-wetenschappelijke bewustzijn en ons religieus-kunstzinnige bewustzijn, tussen de rechercheur-in-ons en de priester-in-ons.

Dat gesprek heeft in de afgelopen 42 jaar niet plaatsgevonden. Nergens is sprake geweest van de esoterische inhoud van The Exorcist of andere soortgelijke kunstwerken. De moderne mens blijft volkomen blind voor hun michaëlische dimensie en de antroposoof maakt daar geen uitzondering op. Hoe komt dat? Wat belet hem om de kunstzinnige antroposofie-in-beelden te verbinden met de wetenschappelijke antroposofie-in-woorden? Wat verhindert dat gesprek? Het antwoord ligt voor de hand: de draak van het materialisme. Het is voor de moderne mens nagenoeg onmogelijk geworden om nog te geloven in de levende geest. Zelfs wanneer hij, zoals inspecteur Kinderman, tot de conclusie komt dat er iets in het spel is dat zijn verstand te boven gaat, slaagt hij er niet in om te geloven in een geestelijke wereld die even levend en reëel is als de materiële. Er is méér nodig om het materialistische ongeloof te overwinnen.

Het heeft niet veel zin om esoterische kunstwerken te bespreken als niet tegelijk geprobeerd wordt de draak van het materialisme te doorzien. De ervaring heeft mij geleerd dat het grote struikelblok telkens weer is dat men niet kan geloven dat de ideeën die ik in kunstwerken ontdek daar werkelijk in aanwezig zijn. Het kan niet anders, reageert men, dan dat ik die ideeën daar zelf in leg. Het beste bewijs: de kunstenaars – in dit geval de makers van The Exorcist – reppen met geen woord over de diepere betekenis van hun werk. In tijden van inquisitie zou dat nog te begrijpen zijn, maar vandaag is er geen enkele reden meer om esoterische inhouden verborgen te willen houden. En dus geldt het zwijgen van de filmmakers als een doorslaand bewijs voor het feit dat een film als The Exorcist helemaal geen verborgen inhouden heeft: ze worden door mij gewoon op de film geprojecteerd. 

Dit ongeloof is als een onzichtbare muur waar ik telkens weer tegenaan bots als ik spreek over antroposofie-in-beelden. De hardheid van die muur heeft mij geleerd dat het materialisme heel diep is doorgedrongen in de ziel van de moderne mens. De overtuiging dat geest en materie twee gescheiden werelden vormen, is tot een tweede natuur geworden. Zij vormt het (stenen) hart van het materialisme. Het is een misvatting te denken dat het materialisme de geest ontkent. Het ontkent alleen dat geest en materie iets met elkaar te maken hebben. Wat wij geest noemen, zegt de materialist, is een uitvinding van de mens die hij op de materie projecteert. Die scheiding, dat opdelen van de werkelijkheid in een geestelijk en een materieel deel is de (luciferische) oerbeweging van het materialisme. Pas later komt daar nog een tweede (ahrimanische) beweging bij: de geest wordt herleid tot een product van de materie, waardoor de scheiding weer wordt opgeheven.

Samen vormen die twee bewegingen de grote materialistische goocheltruc waarmee de draak ons in zijn ban houdt. Hoe buitengewoon sterk die ban is, zien we in de kunstwereld. Met zijn eerste oerbeweging heeft de draak twee tegengestelde visies op kunst doen postvatten: kunst als nabootsing van de zintuiglijke werkelijkheid en kunst als zintuiglijke uitdrukking van de idee. Of nog: kunst als kopie van de materie en kunst als kopie van de geest. Rudolf Steiner noemt dat de twee erfzonden van de esthetica. In hun eenzijdigheid zijn het allebei misvattingen. De eerste hebben we inmiddels grotendeels overwonnen, wat niemand gelooft nog in kunst als louter nabootsing van de zichtbare werkelijkheid. De tweede daarentegen is sterker dan ooit. De overtuiging dat kunst ideeën tot uitdrukking brengt, beheerst vandaag de hele kunstwereld. 

De moderne film bootst de werkelijkheid na zoals geen andere kunst dat ooit gedaan heeft, en dat is reeds voldoende reden om hem te beschouwen als louter entertainment. Daar komt nog eens bij dat een film in de eerste plaats een verhaal vertelt, een spannend verhaal waarin de kijker meegezogen wordt. Ideeën komen daar niet aan te pas, wel integendeel, alles is erop gericht de filmkijker juist niet te doen nadenken. In scherp contrast daarmee staat de ‘hedendaagse’ kunst die de zintuiglijke beleving tot een minimum beperkt (en zelfs tot een kwelling maakt) om de kijker aldus tot nadenken aan te zetten. Deze kunst staat helemaal in het teken van de idee. Terwijl de filmliefhebber zich gedachtenloos laat wegzakken in een warm bad van zintuiglijke prikkels, rukt de hedendaagse kunstliefhebber zich los van de zintuiglijkheid om op te gaan in een ideeënwereld. 

De kunstwereld wordt dus in twee gedeeld, met aan de ene kant de film, met zijn reputatie van grove zinnelijkheid en geestelijke armoede, en aan de andere kant de ‘hedendaagse’ kunst met haar aureool van spiritualiteit en ideeënrijkdom. Vervolgens wordt die grens weer uitgewist door de ‘hedendaagse’ kunst voor te stellen als de enige echte kunst van onze tijd en de film af te doen als oppervlakkige ontspanning. Die goocheltruc wordt ook nog eens herhaald in de ‘hedendaagse’ kunst zelf. Eerst wordt een scherpe grens getrokken tussen de (materiële) kunstwerken en de (spirituele) ideeën – die geen enkel verband houden met elkaar – en vervolgens wordt die grens weer uitgewist doordat men kunstwerken en ideeën voorstelt als een vanzelfsprekende eenheid. 

Al goochelend stelt de draak de ‘hedendaagse’ kunst dus voor als een uitdrukking van de geestelijke wereld en de moderne film als een product van de onderwereld. Op die manier slaagt hij erin het intense, maar onbewuste verlangen van de moderne mens naar de geestelijke wereld op … zichzelf te richten. Dat zo’n omwisseling van boven- en onderwereld überhaupt mogelijk is, toont aan hoe sterk de magische krachten van de draak zijn. Als je zelfs antroposofen kunt doen geloven dat pispotten, kakmachines, conservenblikken en bananenschillen een beeld zijn van de geestelijke wereld dan ben je een geniale goochelaar. Toch is het kwalijkste gevolg niet dat zoveel ontwikkelde en zelfs spirituele mensen met open mond naar zijn goochelkunsten staan te kijken. Veel kwalijker is dat ze geen oog meer hebben voor wat er intussen achter hun rug gebeurt. Niemand kan hen er nog toe bewegen aandacht te schenken aan het nieuwe licht dat in de duisternis begint te schijnen en dat zijn uitdrukking vindt in films zoals The Exorcist.

Op die manier bewerkstelligt de draak wat Rudolf Steiner het ergste noemt wat de moderne mensheid kan overkomen: dat ze de wederkomst van Christus verslaapt. Want die wederkomst vindt plaats in de etherische wereld en dat is een (kunstzinnige) wereld die ontoegankelijk blijft voor ons gespleten bewustzijn. Zolang we er niet in slagen de twee (door de draak gescheiden) polen van ons bewustzijn weer met elkaar te verbinden zoals de kunst, en met name The Exorcist, dat van ons vraagt, zullen we nooit een zintuig ontwikkelen voor de etherische wereld en de zich daarin manifesterende Christus. Zolang we de goocheltruc van de draak niet doorzien, zullen we niet de minste inspanning doen om de etherische dimensie van de werkelijkheid te leren waarnemen. Integendeel, we zullen in de waan verkeren dat we dat reeds doen wanneer we allerlei spirituele – en zelfs antroposofische – ideeën op de materiële werkelijkheid plakken zoals we dat gewoon zijn geraakt in de kunst. Want de draak heeft ons ervan overtuigd dat kunst niets anders is het plakken van dure etiketten op goedkope dingen. 

Door geest en materie te scheiden en vervolgens weer samen te voegen, doet de draak ons geloven dat er niets gebeurd is en dat we nog altijd in dezelfde wereld leven als voordien. Maar er is wel degelijk iets gebeurd: geest en materie zijn abstracties geworden, het leven is eruit verdwenen, het leven dat hen samenhield. Het is vervangen door het schijnleven van de draak, die deze schijn voorstelt als de enige, echte werkelijkheid. Die goocheltruc heeft hij ook in de kunst toegepast. In de oude kunst vormden geest en materie een levende eenheid die we (gevoelsmatig) konden waarnemen. In de ‘nieuwe kunst vormen ze een dode schijneenheid die we niet meer kunnen waarnemen maar waarin we wel verondersteld worden te geloven. En dat doen we. We geloven blindelings alles wat de ‘hedendaagse’ kunst ons vertelt. Als zij ons een pispot als kunst voorschotelt, spannen we ons tot het uiterste in om gevoelens van bewondering te genereren. Maar hoe beschamend dit ook is, de keerzijde is nog kwalijker. Want ten aanzien van levende kunst werkt dit blinde geloof als een blind ongeloof. We kunnen eenvoudig niet meer geloven dat kunst ideeën bevat, ideeën die er niet van buitenaf zijn in gelegd maar er een organische, levende eenheid mee vormen. 

Dit ongeloof is zo sterk dat het bijna een fysieke eigenschap is geworden. Zelfs als ons verstand het inziet en ons gevoel het bevestigt, dan nog kunnen we het niet geloven. Ons ongeloof is even blind en onwrikbaar als ons geloof. Al bijna 100 jaar leven we met een kunst die ons de meest weerzinwekkende dingen voorschotelt, die ons dwingt te bewonderen wat we verafschuwen, die de hele wereld in zijn macht heeft, die alle deuren doet opengaan, die enorme geldstromen op gang brengt, die over de hele wereld megalomane tempels bouwt, die door machthebbers en intellectuelen op handen wordt gedragen, die overal bejubeld wordt zonder dat er ook maar één woord van protest of kritiek klinkt. En toch geloven we deze kunst op haar woord. We herkennen de afschuwelijke geest niet die hier aan het werk is. Hij staat als het ware in levende lijve voor ons, maar we zien hem niet. Zo sterk zijn we in zijn ban. De draak is erin geslaagd de plaats van Christus in te nemen, zonder dat we het merken, zonder dat we er vragen bij stellen… 

Een film als The Exorcist confronteert ons – zoals ieder echt kunstwerk trouwens – met dit blinde geloof in de materialistische draak. Maar meestal merken we daar niet veel van, want diep in ons bewustzijn haalt de draak zijn goocheltruc uit: hij scheidt geest en materie. Hij herleidt de film tot commercieel entertainment en de gedachten die hij opwekt tot subjectieve constructies. Vervolgens plakt hij deze lege abstracties weer aan elkaar en er is geen vuiltje meer aan de (materialistische) lucht. Het idee dat The Exorcist levende antroposofie zou zijn, is naar het rijk der fabelen verwezen: het bestaat alleen in onze verbeelding. Heel anders wordt het wanneer we ons verzetten tegen dit drakenautomatisme en zelf gaan waarnemen en denken. Dan pas ondervinden we de enorme macht van de draak over ons bewustzijn, een macht die nergens groter is dan in de kunstwereld. We beseffen dan ook wat de strijd met die draak inhoudt: het is een lange en moeizame herovering van ons eigen bewustzijn op een schijnbaar almachtige bezetter die tot in de verste uithoeken ervan is doorgedrongen. 

We bevechten de draak met zijn eigen wapens: scheiding en verbinding. We beginnen met onderscheid te maken tussen onze gevoelsmatige beleving van de film en wat er werkelijk te zien is op het scherm. Dat lukt niet in één keer, zeker niet als de beleving heel sterk is zoals in het geval van The Exorcist: we moeten de film meerdere keren bekijken. Wanneer we op die manier onze emoties ‘overwonnen’ hebben, begint de ‘re-ligie’, de herverbinding: er ontstaat langzaam een nieuw beeld, dit keer niet zintuiglijk of emotioneel, maar ideëel. Natuurlijk moeten we erop letten dit beeld niet aan de film opdringen, maar het uit de film zelf laten ontstaan. Want daarin ligt het verschil met de draak. Deze gebruikt dezelfde wapens – scheiden en verbinden – maar laat zich leiden door zijn haat tegen mens en wereld. Hij wil zichzelf met geweld opdringen. Wie de draak daarentegen bevecht, laat zich leiden door zijn liefde, en hij laat het  kunstwerk voor zichzelf spreken. 
(Wordt vervolgd)

Advertenties