The Exorcist (5)

door lievendebrouwere

  

Onze moderne wereld lijkt in toenemende mate het toneel te worden van een gigantische strijd met de draak, waarbij men de draak wel in de ander herkent, maar niet in zichzelf. Het gevolg is een strijd van iedereen tegen iedereen, behalve tegen de draak. Die blijft, dankzij zijn goocheltruc, onzichtbaar. Het is immers niet zo dat de moderne mens de draak niet in zichzelf herkent. Dat doet hij wel. Daarom voelt hij zich ook zo vreselijk schuldig en buigt hij de knie voor iedereen die hem met de vinger wijst. Wat hij echter uit het oog verliest, is dat de beschuldigers zich net zo schuldig voelen als de beschuldigden, en net als iedereen proberen de schuld op anderen af te wentelen. Beschuldigers en beschuldigden weerspiegelen elkaar als de twee helften van een zelfde medaille, en dit onbewuste spiegelen sleurt hen mee in een vicieuze cirkel van wederzijdse verwijten. Het wordt alsmaar moeilijker om uit die vicieuze cirkel te stappen en de van haat vervulde mens met liefde te benaderen. Daarom is het een godsgeschenk dat er kunstwerken zijn die deze ‘bezeten’ mens zodanig in beeld brengen dat we hem kunnen begrijpen en zelfs liefhebben. Maar dan moeten we wel de strijd met de draak aangaan die ons blind maakt voor dergelijke beelden.

Kunst en werkelijkheid groeien steeds dichter naar elkaar toe. Het zal niet lang meer duren voor de kunst is ingehaald door de realiteit en films als The Exorcist onmogelijk worden. Dat is eigenlijk nu reeds het geval, want bij mijn weten zijn er sinds het begin van de 21ste eeuw geen esoterische films meer in de bioscoop verschenen. De laatste was Titanic en veelzeggend genoeg was dat de verfilming van een historische gebeurtenis. Tegelijk was het ook een moderne versie van de zoektocht naar de graal, een esoterisch thema dat de moderne mens, verrassend genoeg, sterk aanspreekt. Niet minder veelzeggend is de manier waarop Titanic eindigt: Rose werpt de felbegeerde steen weer in zee omdat geen van de zoekers de verlossende vraag stelde. Als we dat vergelijken met de hoopvolle manier waarop The Exorcist eindigt – het gesprek dat father Dyer en inspecteur Kinderman gaan voeren – dan lijkt Titanic 25 jaar later te zeggen: het is niet gelukt! De graal verdwijnt weer in de diepten omdat de moderne mens niet in staat is gebleken de druk van de emoties te weerstaan en genoeg tegenwoordigheid van geest te bewaren om de juiste vragen te stellen.
 
Ik herinner me nog altijd dat bij het zien van de indrukwekkende beelden van de zinkende Titanic de gedachte door mijn hoofd flitste: dit is geen fictie, dit is werkelijkheid! Ik keek naar een Hollywoodfilm maar tegelijk wierp ik ook een blik achter de schermen van onze tijd. Was dat trouwens niet de reden waarom deze weergaloze film – die door ‘kenners’ neerbuigend bestempeld werd als een sentimentele lovestory – uitgroeide tot de meest succesvolle film aller tijden? Het publiek keek met zijn hart en dat hart zag méér dan het hoofd van de experten. De grote esoterische films van het laatste kwart van de 20ste eeuw waren godsgeschenken, handreikingen van de goden in de grote geestelijke strijd die gestreden diende te worden. Ik voelde dat deze uitgestoken handen in gebalde vuisten zouden veranderen als ze niet werden gegrepen. Zoals Rudolf Steiner ooit zei: de goden laten zich niet ongestraft negeren! En dat laatste was precies wat er gebeurde: men had geen oog voor deze kostbare geschenken, men haalde er hooghartig de schouders voor op. Toch had ik nooit durven denken dat de wraak zo snel zou volgen en dat ze zo’n apocalyptische afmetingen zou aannemen.
 
Wie het eerste hoofdstuk van The Exorcist, dat zich afspeelt in het Iraakse Mosul, bekijkt met de hedendaagse actualiteit in zijn achterhoofd, kan zich niet onttrekken aan het visionaire karakter van deze beelden. Het is alsof de film wist wat er 40 jaar later zou gebeuren, net zoals Titanic wist dat de verlossende vraag niet zou worden gesteld. Daarom wil ik deze merkwaardige ‘wetende’ beelden nog eens van dichterbij bekijken, te beginnen met de allereerste beelden die voorafgaan aan de begingeneriek. We krijgen eerst het huis te zien waarin het drama zich zal afspelen. Het licht in de slaapkamer van Regan gaat uit en de camera zwenkt langzaam naar de nachtelijke straat waar een jong koppel arm in arm voorbijloopt. Vervolgens verschijnt een close up van het witte Mariabeeld dat later in de film onteerd zal worden. Het zijn vreemde, onsamenhangende beelden en wie ze voor het eerst ziet, kan er geen touw aan vastknopen. Ook na het bekijken van de film blijven ze een raadsel. Wat over het hoofdstuk in Irak werd gezegd, geldt hier nog meer: deze beelden hadden net zo goed weggelaten kunnen worden. 

Hun overbodigheid verwijst naar het eveneens overbodige einde van de film: het gesprek tussen father Dyer en inspecteur Kinderman. De film had net zo goed kunnen eindigen met de wegrijdende auto en Regan die achter het venster zwaait. Maar de laatste scène nodigt de kijker uit om zelf het gesprek aan te gaan dat Dyer en Kinderman gaan voeren. Misschien hebben de beelden waarmee The Exorcist begint een zelfde functie. Misschien willen ook zij de kijker uitnodigen om een brug te slaan tussen fictie en werkelijkheid. De beelden zijn trouwens niet alleen overbodig, ze zijn ook onsamenhangend. Het huis en de straat horen, fysiek gezien, natuurlijk samen. Maar het is een raadsel wat die lege, nachtelijke straat te betekenen kan hebben. En nog veel minder duidelijk is het verband met het witte Mariabeeld. Maar juist die onsamenhangendheid krijgt een diepe betekenis wanneer we huis, straat en Mariabeeld zien als metaforen van lichaam, ziel en geest.

We weten uit de antroposofie dat deze drie gebieden inderdaad hun samenhang aan het verliezen zijn. De moderne mens gaat – weliswaar zonder het te beseffen – over de drempel van de geestelijke wereld en valt daarbij innerlijk als het ware uit elkaar. Met name het contact met de wereld van de geest (het Mariabeeld) is nagenoeg verdwenen. Dat komt ook tot uitdrukking in het feit dat het moderne denken zijn greep op de werkelijkheid verloren heeft en als een motor zonder auto ligt te ronken. Als gevolg van deze geestloosheid – die tegelijk ‘werkelijkheidsloosheid’ is – wordt het donker in de ziel (de nachtelijke straat) en dreigt de mens in de greep te raken van demonen die in zijn fysieke lichaam hevige driften en begeerten doen oplaaien (het licht dat uitgaat in het huis). The Exorcist schetst met deze drie beelden dus heel bondig de huidige situatie van de mens. Zijn zieleleven is verduisterd en raakt in de greep van puur fysieke krachten, terwijl zijn geest volkomen abstract en levenloos is geworden: het kille, witte Mariabeeld. De film eindigt dan weer met een beeld dat aangeeft hoe we de verloren samenhang weer kunnen herstellen: door het rationeel-wetenschappelijke denken (lichaam) en het kunstzinnig-religieuze voelen (ziel) met elkaar in gesprek te brengen. De religieuze beleving (geest) volgt dan vanzelf.

Deze drie beginbeelden werpen ook een nieuw licht op de structuur van de film. Die blijkt niet alleen tweeledig maar ook drieledig te zijn. We kunnen in The Exorcist drie hoofdstukken onderscheiden, die zich achtereenvolgens in Irak, in Georgetown, en in de slaapkamer van Regan afspelen. Ze staan voor lichaam, ziel en geest. De scènes in het Midden-Oosten worden beheerst door de dode materie: het zand, de stenen, de ruïnes van het verleden. In Georgetown gaat het om het zieleleven van de mens, de sociale omgang met elkaar. En in de kamer van Regan ten slotte vindt de confrontatie plaats met de levende realiteit van de geest. Maar het eerste en het laatste hoofdstuk kunnen ook omgekeerd geïnterpreteerd worden. Het Midden-Oosten kunnen we zien als de plek waar nog een levendig contact is met de geest: niet alleen de moslims knielen er in het zand en aanroepen voortdurend Allah, maar ook father Merrin heeft er visoenen en krijgt innerlijke boodschappen (bijvoorbeeld om naar het Westen terug te keren). Dat Westen krijgt dan weer gestalte in de slaapkamer van Regan, waar de menselijke ziel zo diep ‘ingeslapen’ is dat ze ten prooi is gevallen aan de aardse en zelfs onderwereldse krachten van het materialisme. Met andere woorden: zowel het religieuze Midden-Oosten als het materialistische Westen zijn in de greep van dezelfde demonische geest, een draak met twee koppen zeg maar. En die draak wordt overwonnen in het midden, en wel door de samenwerking van een oude en een jonge ziel, een samenwerking die reeds voorafgespiegeld wordt door het koppel dat aan het begin van de film door de donkere straat loopt. 

Na deze drie openingsbeelden volgt een – eveneens zeer bondige en drieledige – begingeneriek. Daarna verdwijnt het beeld en horen we in het donker het lang uitgesponnen ‘Allahu Akbar’ (God is groter) waarmee het dualisme zijn intrede doet. Deze bekende aanroeping kan op twee manieren geïnterpreteerd worden: in letterlijke zin als de Oosterse wijsheid die zegt dat de geest groter is dan de materie, in figuurlijke zin als de materialistische versie die de islam ervan geeft. Dat wordt geïllustreerd door de witte-zon-in-een-witte-hemel die verandert in een gele-zon-in-een-rode-hemel: de oorspronkelijke wijsheid wordt verduisterd, het geestelijke inzicht wordt materieel. Het rood worden van de hemel suggereert ook het bloedvergieten dat we met de islam associëren. Het volgende beeld lijkt in dezelfde richting te wijzen: schapen die door de ruïnes (naar de slachtbank?) worden geleid. Dezelfde schapen verwijzen ook nog naar een andere dualiteit: die van het christendom tegenover de oude demonen. Father Merrin graaft twee voorwerpen op: een christelijk scapulier en een afgodsbeeldje. En even later staat hij oog in oog met de levensgrote versie van de afgod. Het hele eerste hoofdstuk van The Exorcist ademt de luciferische tweeledigheid van het oude Oosten uit die ten slotte uitmondt in de tegenstelling tussen het christendom en de islam.  

In een interview vertelde William Friedkin onlangs hoe verbaasd hij destijds was dat de Amerikaanse review-commissie groen licht had gegeven voor The Exorcist. Vandaag, zei hij, zou ze niet genoeg X-en hebben om de film te brandmerken. De kans is inderdaad groot dat de film grote verontwaardiging zou wekken wegens het verband dat hij legt tussen de islam en de kwaadaardige geest waarvan Regan bezeten is. Dat verband is nochtans reëel: de islam zaait momenteel overal terreur. Wie echter wijst op het gewelddadige karakter van de islam wordt … zelf geterroriseerd. Dat kan niet zomaar het gevolg zijn van angst en emoties. Het wijst op geestelijke verwantschap. De geest die terreur zaait vanuit het Oosten is dezelfde die de islam in het Westen de hand boven het hoofd houdt. Het is met andere woorden dezelfde demon die in Oost en West werkzaam is – precies zoals The Exorcist aangeeft. Alleen manifesteert hij zich in de islam op een luciferische, openlijke manier, terwijl hij in de politieke correctheid een ahrimanische, intellectuele gedaante aanneemt. Collectieve hysterie in het Oosten, individuele bezetenheid in het Westen, maar dezelfde materialistische draak, de draak met twee koppen. 

Op fysiek vlak is deze draak niet te verslaan: sla hem één kop af en er verschijnen twee nieuwe. Je zou alle moslims ter wereld moeten doden om deze geest uit te roeien, en dan nog zou het niet lukken. De enige manier om deze apocalyptische dreiging af te wenden, is door de confrontatie op zielegebied aan te gaan. Het heeft dus geen zin dat het Westen de Islamitische Staat in het Oosten gaat aanvallen, het is hier in het Westen dat de strijd moet gestreden worden. De moderne ziel moet ‘geheeld’ worden, haar gespletenheid overwonnen. Dat vergt zowel een innerlijke samenwerking tussen ons helder-wetenschappelijke en ons dromerig-kunstzinnige bewustzijn, als een uiterlijke samenwerking tussen oude en jonge zielen. Dat komt reeds tot uitdrukking in het feit dat we The Exorcist zowel kunstzinnig moeten beleven als wetenschappelijk bestuderen. Anders bekijken we hem maar met één oog en blijft hij van top tot teen gesluierd. We moeten met andere woorden de moslim-in-onszelf overwinnen: onze gespleten ziel die enerzijds heftig emotioneel en zinnelijk is, en anderzijds kil afstandelijk en intellectualistisch, zonder dat er enig verband is tussen beide. 

Rudolf Steiner zei het 100 jaar geleden reeds: we beseffen niet in welke mate we reeds moslims zijn. De voor de Arabische woestijnziel zo typische dualiteit kenmerkt ook de westerse materialistische mens: enerzijds zeer emotioneel, anderzijds zeer berekenend, en daartussen: niets. Het diep doorleefde christelijke midden – de wereld van het hart – schittert door zijn afwezigheid. Er gaapt een diepe kloof tussen geest en materie. In de islam wordt die kloof alleen overbrugd door het woord van God, de koran, die door de profeet Mohammed aan de mensheid is gebracht en waaraan de moslim zich helemaal dient te onderwerpen. Een eigen wil heeft de moslim dan ook niet, en op iedere andere wil – de vrije wil van de westerse mens bijvoorbeeld – reageert hij als door een wesp gestoken. Allah heeft in de Koran namelijk duidelijk te kennen gegeven dat hij geen andere wil naast zich duldt. De moslim treedt dan ook hard op tegen ‘ongelovigen’. Hij heeft zich de koran zodanig eigen gemaakt dat het ‘woord van God’ in hem tot een tweede natuur is geworden, een reflexmatig, instinctief handelen. 

Hetzelfde automatische, collectieve gedrag herkennen we ook bij de politiek correcte Westerse mens. Als door een wesp gestoken reageert hij op iedere ‘ongelovige’ die het woord van de seculiere God niet respecteert, zoals het is neergelegd in de Westerse ‘koran’ van de mensenrechten en de ‘hadith’ van het antiracisme. Aangezien de Westerse koran al even tegenstrijdig is als de Oosterse, zijn er geïnspireerde leiders en politici nodig om knopen door te hakken. Deze ‘profeten’ zitten niet altijd op dezelfde lijn en dus moeten de ‘gelovigen’ een zesde zintuig te ontwikkelen voor de wisselende machtsverhoudingen. Deze onbewuste helderziendheid vervangt de eigen wil door een sluw dierlijk instinct, dat gekenmerkt wordt door hevige uitbarstingen van verontwaardiging enerzijds en kil intellectualisme anderzijds. Zelf denken, voelen en willen is taboe. De politiek correcte mens onderwerpt zich helemaal aan de Westerse Allah, een moreel superieure geest in wiens naam hij de moreel inferieure ‘ongelovigen’ ongeremd beschuldigt, vernedert en (karakterieel) vermoordt.

Dit ‘moslimgedrag’ kenmerkt ook onze moderne houding tegenover kunst. De idee dat kunst een waarde en betekenis heeft die we op eigen kracht kunnen ontdekken en beleven, komt niet meer in ons op. Ons oordeel over kunst beweegt zich angstvallig binnen de (enge) grenzen die worden opgelegd door de kunstkerk en haar kunstpausen. Buiten die kerk is geen heil en als we tot die kerk willen behoren, moeten we ons bekennen tot de enige, echte kunst: de ‘hedendaagse’, die alles omvat en overtreft wat aan haar voorafging. Onder geen beding mogen we een tweede, laat staan een derde kunst erkennen. We moeten ons onderwerpen aan de ongeschreven wetten van de ene, ware kunst, ook al betekent dat dat we in onszelf gevoelens van bewondering moeten genereren voor pispotten en ander afval. Wie niet tot dit blinde geloof in staat is, kan geen deel uitmaken van de uitverkorenen en wordt gerekend tot de cultuurbarbaren, een verachtelijk en inferieur ras dat in een vroeger stadium van ontwikkeling is blijven steken.
 
Er kan nog heel veel gezegd worden over het islamitische karakter van zowel de politiek-correcten als de hedendaagse kunstliefhebbers – twee categorieën die elkaar grotendeels bedekken – maar het meest opvallende kenmerk van zowel de oosterse als de westerse ‘moslim’ is het verregaande gebrek aan bewustzijn van zijn eigen gespleten ziel. Dag in dag uit gaan moslims zich te buiten aan moorden, verkrachtingen, rooftochten en pesterijen allerhande, maar ze blijven zichzelf vol overtuiging aanhangers van ‘de religie der vrede’ noemen. Op dezelfde manier gaan politiek-correcten zich voortdurend te buiten aan karaktermoorden, beschuldigingen, vernederingen en hatelijkheden allerhande, maar ze blijven zichzelf onverminderd zien als moreel superieure, zuivere zielen. Hetzelfde superioriteitsbesef treffen we aan onder ‘hedendaagse’ kunstenaars en kunstliefhebbers, hoewel ze zich bezighouden met afval, uitwerpselen en andere weerzinwekkende zaken. Geen van allen hebben ze enig idee van de zwei Seelen in hun Brust: de vurige luciferische ziel die zichzelf een god waant, en de kille ahrimanische ziel die zich gedraagt als een roofdier. 

Deze hedendaagse ‘moslim’ – zowel in zijn oosters-luciferische als zijn westers-ahrimanische gedaante – is misschien wel het meest verbijsterende fenomeen van onze tijd. Wat we in de 21ste eeuw meemaken, is het verschijnen van een nieuw mensentype: de ‘bezeten’ mens. Het zal antroposofen niet verbazen dat Rudolf Steiner dit nieuwe type mens voorspeld had. Hij spreekt in dat verband zelfs van het ontstaan van een nieuw ‘ras’, waarmee hij aangeeft hoe diep de draak is doorgedrongen in de mens. Het verklaart alvast de enorme impact die het begrip ‘racisme’ in onze tijd heeft gekregen. Alsof we diep van binnen wel weten wat er gaande is en er instinctief op reageren. Maar we kunnen er ons geen helder beeld van vormen en daar maakt de draak gretig gebruik van om verwarring te zaaien ons tegen elkaar op te zetten. Wat we dus méér dan wat ook nodig hebben, is een helder beeld van de situatie waarin we ons bevinden, een helder beeld van de ‘bezeten’ mens. En hier duikt een ander verbijsterend fenomeen van onze tijd op: de michaëlische kunst. In zeer concrete en aangrijpende imaginaties toont zij ons wat er achter de schermen van onze tijd gaande is. Op die manier slaat zij een brug met de michaëlische wetenschap die de antroposofie is en plaatst haar midden in de moderne actualiteit. Die nieuwe esoterische kunst is een kostbaar geschenk, maar Michaël zou Michaël niet zijn als hij het ons gemakkelijk zou maken. Het aanvaarden van zijn geschenken impliceert een strijd met de draak. Zo is het ook met The Exorcist. Deze film is geen lachertje, maar er zijn minder aangename manieren om de confrontatie met de draak aan te gaan …

Advertenties