Michaël 2015  (2)

door lievendebrouwere

  

Tema con variazioni. Dat is wat in me opkomt als ik aan Michaël denk. Vorig jaar werden mijn plannen drie keer na elkaar gedwarsboomd. Dit jaar: precies hetzelfde. Opnieuw werd mij drie keer na elkaar de pas afgesneden. Toeval? Of the story of my life? Mijn leven lijkt inderdaad uit louter gedwarsboomde plannen te bestaan. Misschien overdrijf ik, maar ik kan me niet herinneren ooit één plan te hebben weten slagen. Alles wat ik onderneem mislukt, en als er eens iets wél lukt, dan heb ik het niet gepland, dan valt het me gewoon toe, zonder dat ik er enige verdienste aan heb. 

Laat ik enkele voorbeelden geven. Het eerste grote plan van mijn leven was om na m’n m’n humaniora in Leuven te gaan studeren. Daarna zou ik in het onderwijs stappen, want dan had ik veel vrije tijd en kon ik veel tekenen. Het was niet eens mijn eigen plan, maar ik had er zelf geen beter. In ieder geval, het mislukte grandioos. Ik bleek namelijk volkomen ongeschikt om voor een klas te staan. Dat had zware gevolgen. Ik ging in de administratie werken, trouwde en kreeg kinderen. Tijd om te tekenen had ik niet meer en het leven verloor langzaam alle zin voor me. Na 15 jaar besloot ik het roer helemaal om te gooien: ik zou mijn leven aan de kunst wijden, zoals dat heet. Niet uit idealisme, maar uit zelfbehoud. Ik had echter een vrouw en drie kinderen, en dat kost geld. Dus vatte ik het plan op om te leren etsen. Van een ets kun je namelijk veel afdrukken maken die je voor een redelijke prijs kunt verkopen. Maar ook dat tweede plan mislukte. Ik bleek geen aanleg te hebben om etsen te maken, laat staan om ze te verkopen. Intussen was ik bijna 40 geworden en ik begon te schrijven. Alweer uit noodzaak. Maar de druk om geld te verdienen bleef. Dus begon ik aan een boek over de esoterische kunst van onze tijd. Daar zou wel belangstelling voor bestaan. Jarenlang werkte ik als gek, maar het liep opnieuw op een mislukking uit. Mijn arm was te kort, zoals ze in Antwerpen zeggen. Dus keerde ik onverrichterzake terug naar de kunst. Dit keer wilde ik schilderen: ik had lang genoeg in zwart-wit gewerkt. Maar schilderen is veel duurder dan tekenen en ik moest ik op de markt gaan staan om dat financieel mogelijk te maken. Ook dat plan mislukte en ik besloot toch weer gaan tekenen. Het wordt eentonig: mijn vijfde plan op rij mislukte, alsof de duivel ermee gemoeid was. Met grote moeite probeerde ik die aaneenschakeling van mislukte plannen te verteren en een jaar later had ik genoeg moed verzameld om afscheid te nemen van Brugge. Tenslotte nam ik afscheid van een heel leven vergeefs proberen, want tekenen en schilderen zou er nu wel niet meer van komen. Maar zelfs dát plan, hoe klein ook, mislukte. En alsof het nog niet genoeg was, kreeg ik vlak daarop ook nog eens de mislukking van mijn schrijverschap ingepeperd. 

De culminatie van een leven vol mislukkingen: dat was Michaël dit jaar. Die mislukkingen begonnen trouwens al heel vroeg. Als kind leefde ik reeds met het onbestemde maar sterke gevoel dat er iets verkeerd was gegaan, iets dat niet meer hersteld kon worden. Ik zat als het ware gevangen in een sneeuwbal die de helling afrolde en steeds ‘verkeerder’ werd. Toen ik 50 jaar later ontdekte dat ik autistisch was, begreep ik dat ik het als kind bij het rechte eind had gehad: er was inderdaad iets verkeerd gegaan. En het was reeds vóór mijn geboorte gebeurd. Als kind had ik steeds weer dezelfde droom: ik bevond me in een eindeloze duisternis waaruit enorme rotsblokken opdoken die me dreigden te verpletteren. Maar ik ging er dwars doorheen en voelde hun hardheid, proefde hun smaak. Ik had geen idee waar ik was of wat er gebeurde, ik voelde alleen een totale vervreemding. Het was geen nachtmerrie, maar ook geen gewone droom. Het was, begreep ik later, een herinnering aan mijn ontwaken op weg naar de aarde. 

De meeste mensen hebben geen herinneringen vóór hun 3de levensjaar. Ik heb die wel, zeer heldere zelfs. Ze hebben allemaal te maken met een brutaal ontwaken, gevolgd door een intens gevoel van verbijstering en vervreemding: wat gebeurt er, waar ben ik, wat doe ik hier? Dat gevoel is de grondtoon van mijn leven. De wereld is voor mij nog altijd een duistere plek vol ‘rotsblokken’ die me dreigen te verpletteren. Ik leef als een vluchteling die niet weet welk land hij verlaten heeft en voortdurend bang is dat men zal ontdekken dat hij hier illegaal is, dat hij hier niet thuishoort, dat hij hier niet mag zijn. Slechts één lichtpunt in die duisternis: de kunst. Zonder haar zou het leven voor mij volstrekt ondraaglijk zijn. Ik vermoed dat zij een afspiegeling is van het land dat ik heb moeten verlaten, want alleen in haar voel ik mij thuis. Alle pogingen die ik in mijn leven ondernomen heb, waren pogingen om toegang te krijgen tot ‘het huis van de kunst’, en via haar tot het bestaan op aarde. Het waren evenzovele pogingen om te ‘aarden’ en het dichtst bij dat doel kwam ik in Brugge, op de markt.

In feite is mijn leven één grote mislukte poging om op aarde te komen. Dat de mislukkingen reeds vóór m’n geboorte begonnen, geeft de zaak een kosmisch (en zelfs komisch) karakter. Dat karakter hebben ook mijn ‘michaëlische’ mislukkingen. De boete die ik verleden jaar kreeg, bedroeg precies het bedrag dat ik dat jaar verdiend had, een bedrag dat de RVA onmogelijk kon kennen. Tot de laatste euro moest ik alles teruggeven wat ik met zoveel moeite verdiend had en écht verdiend had. Niet minder symbolisch was de hondenwandeling aan zee. Die hadden ze zeker niet voor mij georganiseerd en toch was het een gigantische metafoor die me nog altijd vol ongeloof het hoofd doet schudden. Ik moet toegeven dat mijn kunstzinnige plannen op een … kunstzinnige manier gedwarsboomd werden. Alsof er op een ondeugende manier de draak met me werd gestoken. De RVA die me beboet omdat ik wil … werken? Michaël die gevierd wordt met … honden? Daaruit spreekt een humor die me eerst even doet slikken, maar die ik daarna best kan waarderen, als ik er tenminste in slaag afstand te nemen. 

Alles wat ik onderneem mislukt, en hoe harder ik mij inspan, des te groter is de mislukking. Maar – en dat is de keerzijde van de medaille – het omgekeerde is óók waar. Hoe minder ik mij inspan, des te groter het resultaat. Alles wat lukt in mijn leven, daar doe ik helemaal niks voor. Ik krijg het gewoon cadeau, en wel op zo’n manier dat je opnieuw niet anders kunt dan erom lachen. Het mooiste voorbeeld daarvan zijn mijn ervaringen in het onderwijs: het kunstonderwijs en het gewone onderwijs. Naar de academie ging ik uit vrije wil. Ik werkte hard en niemand hoefde me aan te sporen. Ik was altijd de beste van de klas, ik haalde de hoogste cijfers, ik was ‘die fameuze goeie leerling’. Maar de prijzen, onderscheidingen en medailles waar ik op grond van die cijfers recht op had, heb ik nooit gekregen. Zelfs mijn diploma kreeg ik niet! Het kon me niks schelen. Ik tekende voor mijn plezier en nergens anders voor.
 
Naar school ging ik alleen omdat ik moest. Ik voerde er geen klap uit want het interesseerde me allemaal geen bal. Aanvankelijk was dat geen probleem. Ik was zonder moeite altijd de eerste van de klas en haalde zo’n hoge cijfers dat mijn ouders hun zoon al (minstens) dokter of ingenieur waanden. Maar van zodra ik mij moest inspannen, liep het mis. Mijn weerzin voor de leerstof was zo groot dat ik er niet in slaagde ze door te slikken. Mijn cijfers gingen in vrije val en ik werd ‘die fameuze slechte leerling’. Het eindigde ermee dat ik tijdens de examens geen mond meer opendeed. Ik vertikte het om nog langer mee te doen aan wat ik als een sadistische kwelling beleefde. Het dreef niet alleen mezelf maar ook mijn ouders en leerkrachten tot wanhoop. De oplossing lag nochtans voor de hand: laat die jongen toch gaan tekenen, want iets anders interesseert hem niet! Maar ze kozen de tegenoverliggende oplossing: ze lieten er mij ieder jaar door. Herexamens waren zelfs niet nodig. Ik begreep er niks van. Voor mij was de school één grote pijnlijke grap.

En die grap bleef duren, want daarna ging ik naar de universiteit. Ik slaagde er nog altijd niet in om mijn weerzin te overwinnen, maar ik werd steeds beter in het belazeren van de academische kluit. Toch was ik ieder jaar weer stomverbaasd als bleek dat ik geslaagd was. Ik kon vaak letterlijk m’n oren niet geloven. Op een keer had ik 53 procent gehaald zonder één herexamen. Dat betekende dat ik voor ieder examen precies met de hakken over de sloot was geraakt. Bij het horen van die uitslag schoot ik in de lach, en ik kon niet meer ophouden. Toen ik ’s avonds in m’n bed kroop was ik nog altijd aan het lachen. Wat een ongelooflijke grap! Ik besloot terstond helemaal niks meer te doen: ze lieten me er toch door! Mijn medestudenten dachten dat ik gestopt was, want ze zagen me niet meer in de les. Ze waren stomverbaasd toen ik mijn diploma kreeg en konden er niet om lachen. Ik wel. Ik had allang door dat ik het voorwerp was van een kosmische grap. Niemand verdiende dat diploma minder dan ik, maar ik zou het zelfs gekregen hebben als ik de hele universiteit had platgebrand, zo diep stond het in de sterren geschreven. 

Wat ik verdiende kreeg ik niet, wat ik kreeg had ik niet verdiend. Dat was in een paar woorden the story of my life, want ook buiten het onderwijs was deze merkwaardige wet van kracht. Ze is dat trouwens nog altijd. Het is allemaal zo onwaarschijnlijk dat het in aardse termen niet te verklaren valt. Het moet een bovenaardse reden hebben, dat kan niet anders. Zo uitzonderlijk is dat natuurlijk niet. Karma speelt altijd en overal. Ieder mensenleven is een kunstwerk dat door de mens zelf wordt gemaakt. Het mijne is een karikatuur, dat lijdt geen twijfel. De wetmatigheden die erin spelen heb ik zelf vastgelegd, vóór ik geboren werd, en onder leiding van ervaren ‘kunstenaars’. Je kunt het vergelijken met een schilder die een schilderij maakt in de beslotenheid van zijn atelier en het vervolgens tentoonstelt voor het publiek. Dat tentoonstellen is de ‘geboorte’. De meeste mensen denken dat hun leven pas dan begint en dat ze het zelf sturen, maar in feite zijn ze alleen maar toeschouwers bij een kunstwerk waaraan ze reeds de laatste hand hebben gelegd. 

Dat klinkt een modern mens natuurlijk ongeloofwaardig in de oren, maar dat is enkel een gevolg van zijn verregaande onbegrip voor het wezen van de kunst. Neem nu The Exorcist, de film die ik onlangs besproken heb. Ik heb part noch deel gehad aan het maken van die film, ik ben louter toeschouwer zoals iedereen. Maar alleen al het feit dat ik de film ettelijke keren gezien heb, impliceert een vrije beslissing, want de meeste mensen zien een film maar één keer. Het was een nog veel vrijere beslissing om over die film te gaan nadenken, want dat is iets wat vrijwel niemand doet. En het heeft me nog veel meer moeite gekost om de ‘verborgen betekenis’ van The Exorcist begrijpelijk te maken voor anderen. Al die inspanningen lever je niet zomaar. Heel wat mensen denken dat ik die betekenis gewoon op de film projecteer en dat het dus een vrijblijvend intellectueel spelletje is, maar het gaat wel degelijk om levende ideeën en daar kun je niet buiten blijven staan. De zaak heeft me dus behoorlijk aangegrepen. En dan gaat het nog maar alleen om een film waar ik rechtstreeks niks mee te maken (sic) had. Wat moet het dus niet zijn als je te maken krijgt met een film die je zelf gemaakt hebt, de film van je eigen leven! 

Nee, toeschouwer zijn bij je eigen leven is niet niks. Het is een aangrijpende, beklemmende, dramatische ervaring. En de vrijheid van de toeschouwer bestaat erin dat hij die ervaring zo aangrijpend, beklemmend en dramatisch kan maken als hij zelf wil. Hij kan bijvoorbeeld zeggen: dit leven lijkt nergens op, weg ermee! Een mens hééft die vrijheid: hij kan zijn eigen kunstwerk vernietigen, als een kind dat kwaad zijn tekening verfrommelt omdat het er niet tevreden over is. Maar hij kan de film van zijn leven ook helemaal uitzitten. Dat is vaak al een prestatie op zich, want sommige levens zijn niet bepaald aangenaam om naar te kijken. Maar toch kunnen ze – zoals The Exorcist – een buitengewoon rijke inhoud verbergen. Toeschouwer zijn bij een kunstwerk is allesbehalve een passieve aangelegenheid. Het is een actieve deelname, een vrije deelname ook, want je kunt er zover in gaan als je wil. Je kunt zelfs zover gaan dat je één wordt met het kunstwerk en met je ziel doordringt in de geest van de kunstenaar. 

Als het kunstwerk je eigen leven is, dan ben je die kunstenaar zelf, dan word je één met jezelf. Je lagere zelf (de toeschouwer) gaat op in je hogere zelf (de kunstenaar), en de gespleten mens die je bent, wordt geheeld. Je wordt weer verenigd met jezelf, en dat is uiteindelijk de bedoeling van het leven. Maar het is ontzettend belangrijk dat de mens eerst ‘gespleten’ wordt, dat hij een toeschouwer wordt die geen weet meer heeft van de kunstenaar. Want op die manier verovert hij zijn vrijheid. Als kunstenaar kan hij dat niet, want hij is dan deel van een groter geheel waaraan hij dient te gehoorzamen. Alleen als toeschouwer is hij vrij. Hij is dan zelfs niet verplicht om te kijken. De meeste mensen leven vandaag zonder te kijken, ze zijn blind voor hun eigen leven. Het komt niet in hen op dat dat leven een kunstwerk is, laat staan één dat ze zelf gemaakt hebben. Ze zijn louter passieve toeschouwers, en dat is een enorme prestatie, want dat toeschouwerschap heeft hen vrij gemaakt.

Die vrijheid vergt echter een zware tol. De moderne mens is zodanig vervreemd van zichzelf dat het bestaan hem in toenemende mate voorkomt als een … duistere ruimte vol enorme ‘rotsblokken’ die hem dreigen te verpletteren. Hij weet niet meer wie hij is, waar hij is, of wat hem overkomt. Alles is vreemd en zinloos, en de neiging om een eind te maken aan die misplaatste grap wordt steeds sterker. De wanhoop groeit en de mens wordt gewelddadig: hij wil het afschuwelijke kladwerk vernietigen dat hij zelf gemaakt heeft. Dat is natuurlijk bijzonder tragisch want dat zo zinloos lijkende moderne leven is juist buitengewoon zinvol geworden. Als nooit tevoren is de mens in staat om toeschouwer te zijn. Dat is een uniek en machtig vermogen dat hij in de loop van aeonen verworven heeft en dat hij niet genoeg naar waarde kan schatten. En dat is precies waar het vandaag om gaat: dat hij zich bewust wordt van dat onschatbare vermogen en dat hij het actief gaat gebruiken. Dat is wat van hem verwacht wordt op dit keerpunt der tijden. 

Dat is, vermoed ik, ook wat van mij verwacht wordt nu Michaël aan mijn deur klopt. Het is al de tweede keer dat hij dat doet. De vorige keer was ik zo erg geschrokken van het luide gebons dat ik de deur niet open kreeg. Dit jaar kan ik er al een beetje de humor van inzien – een zee-honden-wandeling, stel je voor! – al voel ik me nog altijd geschoffeerd door het ‘hondse’ gedrag van de Antroposofische Vereniging. Maar ik ben bereid om ook daar als een toeschouwer tegenover te gaan staan, in het besef dat het deel uitmaakt van het kunstwerk dat ik zelf gemaakt heb. Ik bons dus in zekere zin op mijn eigen deur. Kijken naar wat me met Michaël overkomt, is als kijken naar mezelf. Of het me dit jaar zal lukken weet ik niet – misschien moet Michaël volgend jaar nog een derde keer aankloppen – maar als ik de deur openkrijg, zal ik oog in oog staan met mezelf. De toeschouwer die ik ben, zal dan de kunstenaar die ik ben in het aangezicht kijken. En is dat niet waar het bij Michaël om gaat? 

(Wordt vervolgd)

Advertenties