De klop op de deur

door lievendebrouwere

  

  

Het lijstje met redenen waarom mijn bijdragen geweigerd worden door Antroposofie Vandaag is weer een stuk langer geworden. Na lang aandringen kreeg ik eindelijk tekst en uitleg bij het niet-verschijnen van mijn reactie op de column van Werner Govaerts. Er waren drie redenen, schreef hij, waarom de redactie (unaniem) besloten had mijn kritiek niet op te nemen. Eén: ze gold een column en geen artikel. Twee: ze gold een detail en niet het thema. En drie: ze vertolkte een anti-standpunt. Ik begreep meteen waarom hij zolang gezwegen had en pas reageerde toen ik contact opnam met zijn collega-redactielid Christine Gruwez. In zijn plaats zou ik me diep geschaamd hebben voor zo’n antwoord. Want één is natuurlijk geen reden, twee is een leugen, en drie is … lachwekkend. Uiteráárd vertolkt kritiek een anti-standpunt, anders zou het geen kritiek zijn. Wat Werner hier eigenlijk zegt, is dat hij geen kritiek duldt. 

Dat komt natuurlijk niet als een verrassing van iemand die fan is van Hedendaagse kunst. In die wereld spreekt het namelijk vanzelf dat je niet bekritiseerd wordt. Maar het verbaast me toch wel dat hij het zo ostentatief in naam van de antroposofie doet. Want tenslotte is Antroposofie Vandaag een (of zelfs de) spreekbuis van de Antroposofische Vereniging in Vlaanderen. En die spreekbuis bestaat vandaag uit twee mensen: Werner Govaerts en Christine Gruwez, allebei grote fans van Hedendaagse kunst. Ik kan moeilijk geloven dat zij met hun enthousiasme voor Jan Fabre en consoorten representatief zijn voor de antroposofische beweging, maar feit is wel dat zij geen weerwerk krijgen, behalve dan van mezelf. Ze weren mijn periodieke oprispingen echter zorgvuldig uit ‘hun’ blad. 

Het zou lachwekkend zijn als het niet zo pijnlijk was. Want de Antroposofische Vereniging verkeert in een deplorabele toestand. Er wordt binnen de beweging hard gewerkt: in de scholen, de therapeutica, de zorginstellingen, de boerderijen. Er wordt ook hard nagedacht: er verschijnen voortdurend antroposofische boeken. Maar tussen die twee polen is nauwelijks contact. En juist dat contact – het middengebied dus, het gebied van het hart – wordt vertegenwoordigd door de Vereniging. Of zou erdoor vertegenwoordigd moeten worden. 

Ik heb vroeger wel eens deelgenomen aan werkgroepen van die Vereniging, maar die vertoonden allemaal hetzelfde stramien: het begon goed, met een gesprek tussen mensen (zoals het hoort), maar dan gleed de zaak weg in het uitgesleten spoor van het lezen en bestuderen van voordrachten van Steiner. Ik heb niks tegen het lezen en bestuderen van die voordrachten, wel integendeel, maar ik stond versteld van de dwangmatigheid waarmee dat gebeurde. Ik herinner me nog een werkgroep over de actualiteit van het wereldgebeuren. Dat vond ik een nieuw en verfrissend idee waaraan ik graag wilde meewerken. Maar algauw kwam er een eind aan het vrije gesprek en waren we weer voordrachten van Steiner aan het lezen. Ik dacht: laat ik maar niet moeilijk doen, en ik volgde braaf. Op een avond bracht ik verslag uit over een voordracht die ik had moeten samenvatten. Het was ‘toevallig’ de voordracht waarin Rudolf Steiner zegt dat de Heilige Geest niemand anders is dan de bevrijde Lucifer. Er ontstond consternatie toen ik het vertelde: dat kon Steiner nooit gezegd hebben! Ik moest mij vergist hebben! Ik verzekerde hen dat ik mij niet vergiste, dat ze het zelf maar eens moesten nalezen. En ik dacht: nu wordt het interessant! Maar het werd niet interessant, men gleed gewoon over de zaak heen. Men wilde niet verontrust worden, het moest gezellig blijven.

Ik zag ook hoe er machtsspelletjes gespeeld werden, hoe mensen de werkgroep begonnen te dirigeren in een richting die dwars tegen de afspraken in ging. Toen ik mij daartegen verzette, kreeg ik geen enkele steun. Men vond het blijkbaar comfortabel om zich te laten leiden, om moeilijke – en daarom boeiende – gesprekken te vermijden, om terug te vallen in oude, vertrouwde mechanismen. Daar had ik helemaal geen zin in. Ik had de katholieke kerk niet verlaten om van de regen in de drop terecht te komen en in de Antroposofische Vereniging wekelijks een verplicht nummertje te gaan opvoeren. Toch kon ik het niet over m’n hart krijgen om er helemaal mee te breken, want wat bleef er dan nog over? Toen ik echter op een keer enthousiast verslag uitbracht over de hedendaagse esoterische kunst die ik net ontdekt had – in mijn ogen was dat groot nieuws – kreeg ik als reactie: leuk voor jou, maar wat hebben wij daarmee te maken?  

Die onverschillige en zelfs vijandige reactie trof me bijzonder pijnlijk. Ik had in de buitenwereld, de moderne, hedendaagse wereld zoals we die allemaal kennen, een kunst ontdekt die door en door antroposofisch was, die miljoenen mensen over de hele wereld enthousiast maakte (mezelf niet in de laatste plaats), maar … de leden van de Antroposofische Vereniging zagen niet in wat ze daarmee te maken hadden. Ik was verbijsterd. Hoe konden mensen zo blind en bekrompen zijn! Ik was ook woedend omdat ze me behandelden als een lastpost, als iemand die de antroposofie probeerde te bezoedelen met ‘modern vuilnis’. Maar ik was vooral verontwaardigd over wat in mijn ogen heiligschennis was. Ik beleefde de kunst die ik ontdekt had werkelijk als ‘heilig’ en in de Vereniging veegden ze er hun voeten aan.

Dat kon ik niet verdragen en ik besloot te zwijgen. Dat ze mij schoffeerden, tot daaraan toe, maar ik wilde ze niet de kans geven om te bevuilen wat me zo nauw aan het hart lag: de antroposofie-in-beelden. De ontdekking van die hedendaagse antroposofie was voor mij een enorme opluchting. Niet alleen bracht ze de antroposofie voor mij tot leven – ik had nog altijd de grootste moeite met haar ‘wetenschappelijke’ vorm – maar ze bevestigde ook mijn opvattingen over de Hedendaagse kunst. Ik had nooit ook maar één moment geloofd dat deze ‘kunst’ werkelijk de kunst van onze tijd was, maar het ontbreken van een alternatief bleef een kwelling. Als de pispotten van Duchamp en de conservenblikken van Beuys niet de kunst van onze tijd waren, waar was die kunst dan wél? Ik leefde in de overtuiging dat ze dood was en de vreugde over de ontdekking van haar ‘verrijzenis’ kon niet groter zijn. 

Maar niet minder groot was de pijn over haar miskenning door (uitgerekend) de antroposofische wereld. Ik kon niets anders doen dan zwijgen, want het was ondraaglijk om de kunst die mij zo lief was door het slijk te zien sleuren. Waar ik echter niet over zweeg was de nep-kunst die haar plaats had ingenomen en niet méér van haar kon verschillen. Met lede ogen zag ik aan hoe de ster van Joseph Beuys rees en hoe de Hedendaagse kunst de antroposofische wereld steeds dieper binnendrong. Uiteindelijk werd ze zelfs officieel ingehaald in Dornach, dat zichzelf daarmee onsterfelijk belachelijk maakte. Althans in mijn ogen. Want in de ogen van de Antroposofische Vereniging was het net omgekeerd. Door zich nadrukkelijk te associëren met de Hedendaagse kunst meende ze haar geloofwaardigheid en actualiteit in de verf te zetten. Toen ik vernam dat dat ‘toevallig’ gepaard ging met het verwijderen van alle afbeeldingen van Rudolf Steiner uit het Goetheanum, dacht ik: goed bezig, jongens!

Het botste dus tussen mij en de ‘verhedendaagste’ Vereniging. Aanvankelijk was er nog een gesprek mogelijk, ook al was dat in hoge mate een dovemansgesprek. Zo nam ik ooit deel aan een Beuys-symposium in Antwerpen. Ik voelde mij daar moreel toe verplicht want ik had zelf de kat de bel aangebonden. Zoals verwacht bevond ik me daar tussen louter Beuys-fans, in het hol van de leeuw dus. Het lot stak me een handje toe want er stond eerst een video-verslag van de beroemde Coyote-performance op het programma, maar de video werkte niet zodat het weekend begonnen werd met een gesprek. Toen ik de volgende dag die performance zag, kreeg ik het koud tot in mijn botten, mijn haren gingen recht overeind staan en ik had pijn in al mijn gewrichten. Slechts met de grootste moeite kon ik de kwellende vertoning uitzitten, waarna ik naar de cafetaria holde en smeekte om zwarte koffie. Die was er niet en dus haastte ik mij naar buiten waar ik met een enorm welbehagen de benzinedampen van de stad inhaleerde. Ik snakte naar de gewone, dagelijkse werkelijkheid zoals ik er nog nooit had naar gesnakt. 

Hadden ze die video eerst afgespeeld, dan was ik weggelopen om nooit meer terug te keren. Nu zat ik daar als enige criticus tussen allemaal fans. Ze begrepen er niks van: hoe kon iemand nu zo negatief staan tegenover Joseph Beuys! Ze verheelden het niet: er moest iets met me schelen! Ik bleef rustig en zei: ik begrijp ook niet hoe jullie zo positief kunnen staan tegenover Joseph Beuys! Christine Gruwez, die vlak naast mij zat, antwoordde: zijn beelden spreken me aan, en ik hoef niet te weten waarom ze me aanspreken! Ik repliceerde: daarmee houdt het gesprek wel op, want als je niet wil weten waarom beelden je aanspreken, dan wil je ook niet weten waarom diezelfde beelden andere mensen doodziek maken. Iedereen zweeg. Het gesprek was afgelopen. Zij vonden de beelden van Beuys geweldig, ik vond ze afschuwelijk, en dat was het dan. 

Voor hen was dat geen probleem, want ze waren in de meerderheid en ik peinsde er niet over om het nog eens in mijn eentje tegen hen op te nemen en bestempeld te worden als iemand die niet helemaal normaal is. Toch kon ik niet werkeloos toezien hoe deze Beuys-verering zich uitbreidde en hoe vooral jonge mensen zich daardoor lieten verleiden. Daarom sprak ik Werner Govaerts aan, die ik destijds als een jonge en veelbelovende antroposoof beschouwde, een strijdlustig iemand ook, die er niet voor terugschrok om af en toe eens tegen heilig antroposofisch huisje te schoppen. Ik nodigde hem uit om in mijn Vijgeblad in discussie te gaan over Joseph Beuys. Hij ging daarop in en we begonnen een geschreven gesprek dat wel een half jaar duurde en dat me nogal wat lezers kostte, want, zeiden ze, wanneer is dat nu eens afgelopen met dat gezeur over Joseph Beuys! Ik kon het hen niet kwalijk nemen, je moet echt wel in kunst geïnteresseerd zijn om er zolang over door te bomen.

De strijd eindigde onbeslist. Ik slaagde er niet in hem te overtuigen, en hij slaagde er niet in om mij van gedacht te doen veranderen. Hij gaf wel ridderlijk toe dat hij niet wist wat er nu van aan was en dat hij beide opties openhield. Maar dat was toen. Vandaag ziet het ernaar uit dat Werner gekozen heeft. Hij heeft zich aangesloten bij het Beuys-kamp. Op zich heb ik daar geen moeite mee. Ik kan het zelfs begrijpen. Ik weet uit ervaring hoe het voelt om niet tot dat kamp te behoren. Waar ik echter wel moeite mee heb, is dat zijn ridderlijkheid verdwenen is, dat hij niet meer met me wil spreken, dat hij me behandelt als a pain in the ass. En waar ik nog meer moeite mee heb, is dat hij dat doet in naam van de Antroposofische Vereniging. Het betekent namelijk dat de bruggen tussen mij en de Vereniging nu wel helemaal opgebroken zijn. 

Het is eigenlijk een herhaling van wat ik vroeger al meemaakte: mensen die de macht naar zich toetrekken en anderen die dat laten gebeuren. Want ik kan niet geloven dat alle leden van de Antroposofische Vereniging het eens zijn met Werner Govaerts en Christine Gruwez. Zouden ze werkelijk allemaal vinden dat Jan Fabre een lichtend voorbeeld is voor antroposofen? En zouden ze werkelijk allemaal goedkeuren dat wie het daar niet mee eens is de mond wordt gesnoerd? Dat zou in feite het einde betekenen van de Antroposofische Vereniging als een vrije en open vereniging zoals Rudolf Steiner ze bedoeld had. Ik ben wel geen verenigingsmens, maar dat zou ik toch wel heel, heel erg vinden. Het zou immers ook het einde van de antroposofie zelf betekenen, want wat is een antroposofie zonder middengebied, zonder hart? Juist op dat hart heeft Rudolf Steiner aan het eind van zijn leven zoveel nadruk gelegd. Na de Weihnachtstagung moest de stap van hoofd naar hart gezet worden. Om die stap mogelijk te maken, heeft hij zelfs zijn leven geofferd.

Het kan mij niks schelen dat ik niet mag publiceren in Antroposofie Vandaag. Het kan mij niks schelen dat Werner Govaerts en Christine Gruwez niet met mij willen spreken. Het raakt mijn kouwe kleren niet wat er in de Antroposofische Vereniging gebeurt en niet gebeurt. Maar het raakt mij wel waar die hele situatie een beeld van is, en dat is van een harteloze antroposofie, een antroposofie die zich afsluit voor de buitenwereld en niks wil weten van haar eigen wezen dat van buitenaf op haar toekomt en vraagt om binnengelaten te worden. Het is zo’n prachtig, heilig wezen dat het mij recht door het hart gaat als ik zie hoe ‘honds’ het wordt afgewezen. Maar tegelijk maant het mij ook tot nederigheid, want is het niet al het tweede jaar op rij dat ik zelf drie flinke klappen voor m’n kop moet krijgen om te beseffen wie er voor mijn eigen deur staat? Er is dus reden tot enige bescheidenheid, want het is voor iederéén aartsmoeilijk, en het ziet ernaar uit dat het nog veel moeilijker zal worden. De hedendaagse wereld zal nog harde klappen moeten krijgen voor ze haar hart opent. 
  

Advertenties