Michaël 2015  (3)

door lievendebrouwere

  

Mijn grote passie is: mensen tekenen. Aanvankelijk waren dat hele mensen. Als kleine jongen was ik een fan van Michelangelo en tekende ijverig zijn geweldige lijven na. Later aan de academie leerde ik dat veel grondiger doen. Er werd mij getoond hoe ik de menselijke figuur moest herleiden tot haar meest elementaire (abstracte) bouwstenen en ze met behulp daarvan vervolgens weer opbouwen. Het was zwaar werk om – louter op grond van waarneming  en dus zonder enige anatomische kennis – begrijpend door te dringen in de uiterst complexe vormen van het menselijk lichaam, maar als het lukte: wat een genot! Ik herinner me nog hoe ik op een dag overvallen werd door een wilde vreugde tijdens het tekenen van een … knie. Het (naakte) model was nochtans jong en aantrekkelijk en je zou verwachten dat andere lichaamsdelen meer geschikt waren om (al tekenend) genot aan te beleven, maar nee, het was haar rechterknie die zo’n explosie van vreugde in me veroorzaakte. Het was dan ook geen zinnelijk genot, het was een bovenzinnelijk genot, een soort deelachtig worden aan de scheppende geest die zo’n geweldig kunststuk als de knie tot stand had gebracht. 

Op een dag kwam mijn leraar naast me zitten. Je tekent voortreffelijk, zei hij (in de 40 jaar dat ik hem gekend heb, heeft hij dat maar één keer tegen me gezegd), maar het is allemaal wat braaf, het mist leven en bezieling. Ook dat heeft hij maar één keer gezegd. Kijk, zei hij, en hij tekende een vierkant, een cirkel en een ellips op m’n blad. Je moet eens proberen om het karakteristieke van een mens naar voor te halen. In de drie abstracte vormen tekende hij twee ogen, een neus en een mond. Een beetje zoals in een karikatuur, voegde hij eraan toe. Meer hoefde hij niet zeggen, ik had het begrepen. Vanaf dat moment begon ik verwoed karikaturen te tekenen. Het was alsof er olie was aangeboord: het spoot eruit. Ik kon er maar niet genoeg krijgen. Vijfentwintig jaar lang zou ik gepassioneerd gezichten tekenen, duizenden en duizenden gezichten. 

Het loutere kopiëren van een menselijk gelaat interesseerde me niet zo erg. Nee, ik wilde de kern raken, datgene wat een gezicht uniek maakt. Het Ik dat zich in een gezicht uitdrukt, daar baande ik mij rücksichtlos een weg naartoe, zonder rekening te houden met welke gevoeligheden ook. Integendeel, ik schepte er een demonisch plezier in alles uit de weg te ruimen wat me tegenhield. Ik liet het beest in me los en genoot ervan een gezicht zoveel mogelijk geweld aan te doen. Ik trok eraan, vervormde het, blies het op – maar steeds in functie van het onderliggende Ik dat ik bloot wilde leggen. Ja, de draak tekende beslist mee. En hij bracht leven en bezieling in mijn tekeningen. Een beetje veel zelfs. Mijn leraar schudde het hoofd en zei, tongue in cheek: had ik dát geweten! Maar hij legde me geen strobreed in de weg. Hij zag dat m’n tekeningen beter werden en daar ging het om. Je kunt beter slecht zijn dan niets zijn, grijnsde hij. En hij meende het. 

Het tekenen van gezichten was voor mij een gevecht met de draak, zowel mijn eigen draak (die ik onder controle moest houden) als die van anderen (die ik moest overwinnen om tot hun Ik door te dringen). Dat vergde soms een harde strijd, maar ik gaf me nooit gewonnen. Ik werkte verbeten door tot ik het unieke van mijn model had ‘getroffen’. Vaak waren het nipte overwinningen, maar in de loop der jaren gaf de draak zich langzaam gewonnen. Ik hoefde steeds minder geweld te gebruiken, wat tot uitdrukking kwam in het feit dat ik steeds meer kinderen begon te tekenen. Ik wilde dat aanvankelijk niet, maar ze vroegen er zelf om. Op die manier veranderde mijn strijd met de draak gaandeweg in een gevecht met de engel. Want met kinderen bestaat de kunst er niet in om door te dringen tot hun Ik – dat is nog niet afgesloten – maar om er niet in opgezogen te worden. Een pasgeboren kind is zo onweerstaanbaar dat er geweld nodig is om afstand te houden – wat een voorwaarde is om te kunnen tekenen. Mijn zwaarste gevechten heb ik dan ook met kinderen geleverd, want engelen zijn sterker dan draken. 

Als ik terugdenk aan de hele ‘scholingsweg’ die ik op die manier doorlopen heb – te beginnen met het tekenen van oude mensen (mijn oudste model was 102) en eindigend met pasgeboren kinderen (mijn jongste model was 6 uur oud) – dan begin ik te vermoeden waarom Michaël mij verleden jaar zo hardhandig de weg versperd heeft. Misschien wil hij niet dat ik terugkeer naar de dingen die ik reeds kan, maar wil hij dat ik verder ga, dat ik ook het portret leer tekenen waar ik tot dusver altijd mijn tanden heb op stukgebeten: mijn eigen portret. Niet dat van mijn fysieke, lagere zelf uiteraard, maar dat van mijn geestelijke, hogere Ik, zoals het van buitenaf op me toekomt in de vorm van mijn eigen leven. Ja, that makes sense. Ik kon tot nog toe niet begrijpen waarom de terugkeer naar mijn grootste passie – het tekenen van mensen – zo bruusk werd afgebroken. Maar als het waar is dat ik nu, in de herfst van mijn leven, een veel moeilijker portret te tekenen heb, ja dan kan ik het accepteren, ook al blijft het afscheid pijn doen.

Hoe begin je eraan om zo’n ‘hoger’ zelfportret te tekenen? Om te beginnen: door toeschouwer te worden bij je eigen leven. Volgens Rudolf Steiner moeten we leren om onszelf als een vreemde te zien. Dat is ontzettend moeilijk want ieder mens is zichzelf het meest vertrouwd. Om het duidelijker te zeggen: ieder mens is verliefd op zichzelf en bijgevolg blind voor hoe hij er werkelijk uitziet. Die eigenliefde hebben we aan Lucifer te danken en zonder dat ego-isme zouden we nooit vrij kunnen worden. Kijken naar jezelf met de ogen van een ander (die uiteraard niet verliefd op je is, maar je nuchter en afstandelijk ziet zoals je werkelijk bent) is misschien wel het moeilijkste wat er bestaat. Want een mens kan niet leven zonder liefde, evenmin als de aarde kan bestaan zonder zon. Pasgeboren kinderen hebben nog geen eigenliefde en zijn aangewezen op de liefde van hun fysieke moeder. Wie zonder eigenliefde naar zichzelf wil kijken, heeft de liefde van zijn geestelijke moeder nodig, van Sofia. Zonder haar lukt het niet.

Laat ik dus eens proberen, met behulp van wat (Antropo)Sofia me geleerd heeft, te kijken naar mezelf, dat wil zeggen naar mijn leven, dat vreemde leven waar ik zo weinig van begrijp. Waarom doet dat leven al m’n plannen mislukken? Als de goden mensen willen straffen, beweerden de oude Grieken, dan willigen ze hun wensen in. Wel, dat hebben ze bij mij alvast nooit gedaan. Geen enkele wens hebben ze ooit ingewilligd. Ze leken er zelfs plezier in te scheppen dwars tegen m’n wensen in te gaan en al m’n plannen te doen mislukken. Ik heb dat altijd ervaren als een straf, een vernedering, een noodlot. Ik leefde als kind al in de overtuiging dat er iets fundamenteels verkeerd was gegaan en dat alles wat eruit voortkwam alleen maar nog verkeerder kon zijn. Moet ik nu, 50 jaar later, werkelijk gaan geloven dat het verkeerde het juiste was, dat het noodlot mijn geluk was, dat mijn bewaarengel, die in geen velden of wegen te bespeuren was, juist heel goed voor me zorgde? Dát zou nog eens de wereld op zijn kop zijn! Maar Rudolf Steiner zei: de wereld stáát reeds op zijn kop, ik doe niets anders dan hem weer recht zetten. Dat laatste wil ik ook eens proberen met mijn eigen kleine wereld. 

Waren mijn schooljaren al een kwelling geweest, wat daarna kwam was nog erger. Ik wilde helemaal niet naar de universiteit. Maar iedereen vond dat ik verder moest studeren, ondanks m’n legendarisch slechte cijfers. Ik had het eens uitgerekend: in m’n laatste jaar van de middelbare school moest ik ongeveer 20 procent van de punten behaald hebben. Het was een complete ramp, de hele school wist dat. En toch lieten ze me erdoor. Ze vonden zelfs dat ik verder moest studeren. Kan het krankzinniger? Zelf was ik zo murw geslagen door alle schoolellende, dat ik me als een schaap naar de slachtbank liet leiden. Ik bezat de kracht niet meer om me te verzetten. 

Ik zag dat mijn tekenleraar een droomjob had. Hij verdiende evenveel als een middelbare-schoolleraar, moest geen lessen voorbereiden, geen huiswerk verbeteren, geen examens afnemen. Hij moest niet eens lesgeven als hij daar geen zin in had. En om dat te bereiken had hij niets anders moeten doen dan tekenen. Precies wat ik wilde, precies wat ik kon. Maar de gedachte dat zoiets voor me weggelegd kon zijn, kwam niet eens in me op. Het leven, was dat geen kwelling? Was dat geen straf die je moest uitzitten? Was dat niet: moeten doen wat je niet wilde doen, en niet mogen doen wat je wilde doen? Ik herinner me nog dat de examens op mijn school voorbij waren. Maar we mochten niet naar huis, we moesten op school blijven en de tijd doden. Ik stond op de gang en keek verlangend door het grote raam naar de overkant van de straat waar ik de (dag)leerlingen van de academie zag arriveren voor de proclamatie. Ik was weliswaar een weekendleerling, maar die hoorden er ook bij en ik dacht aan de vorige keer, toen ik onder luid applaus van de hele zaal naar voor was gelopen om de felicitaties van de jury in ontvangst te nemen. Dát was nog eens een pleister op mijn gekwelde hart! En dus vroeg ik de surveillant of ik de straat niet mocht oversteken. Ik legde het hem uit en zei dat ik niet lang zou wegblijven. Zoals het een Broeder van Liefde past, was hij onverbiddellijk: ik moest blijven en de dag in ledigheid doorbrengen. Slechts een straatbreedte scheidden academie en school, maar de grens was een Berlijnse muur geworden. In de jaren die volgden zou ik er zo gewoon aan worden dat ik hem niet meer zag. Ik vergat dat er ‘aan de overkant’ nog een Beloofde Land bestond waar ik iemand was, waar ik deed wat ik wilde, en waar ik nog applaus kreeg ook.

Moeten en niet mogen: daaruit bestond mijn leven ‘aan deze zijde’. En het werd er niet beter op, wel integendeel. In Leuven moest ik dingen leren die ik helemaal niet wilde leren, en wat ik wel wilde doen mocht ik niet doen. Ik probeerde het nochtans. Ik ging ’s avonds naar de Leuvense academie om naar model te tekenen. Maar na een paar dagen werd ik al aan de deur gezet. Ik had het namelijk bestaan om een karikatuur te tekenen van de leraar. Hij sprak toen de legendarische woorden: in mijn klas mag alles, maar dát niet! Het was de meest kernachtige typering van mijn leven die ik ooit gehoord had: ik mocht alles doen, behalve datgene wat ik wilde. Zijn verontwaardiging herinnerde me aan een ander veelbetekenend voorval. Ik liep met mijn moeder door de stad (kleren kopen waarschijnlijk) en ze bracht het gesprek nog maar eens op mijn lamlendige houding. Is er dan werkelijk niets dat je interesseert? riep ze wanhopig uit. Tekenen, antwoordde ik zonder aarzelen. Waarop ze zowat ontplofte van verontwaardiging: kun je dan werkelijk nóóit eens ernstig zijn? Ik was nog nooit zo ernstig geweest, maar ze zag precies het omgekeerde. Ook meneer Van Beckbergen, de beledigde kunstenaar-met-de-stofjas, begreep niet dat karikaturen voor mij een zeer ernstige zaak waren. Als je dát wil doen, moet je maar op de markt gaan staan! sprak hij visionair. 

(Wordt vervolgd)

Advertenties