Michaël 2015  (4)

door lievendebrouwere

  

Het ging van kwaad naar erger. Leuven was al een lijdensweg geweest, maar nu werd mijn ergste nachtmerrie werkelijkheid: ik ging als ambtenaar in Brussel werken. In die tijd zond de Vlaamse televisie De Collega’s uit, een feuilleton dat het ambtenarenbestaan op karikaturale wijze in beeld bracht. Het werd over het algemeen heel geestig gevonden maar wél overdreven. De werkelijkheid overtrof zoals altijd de fictie. Niemand geloofde me als ik vertelde hoe het er op kantoor aan toe ging. Ik maakte er een karikatuur van, vonden ze. Maar het was omgekeerd: de werkelijkheid was veel karikaturaler dan wat ik of De Collega’s ervan maakten. De ambtenarij was zo’n krankzinnige grap dat ik hem nooit zelf had kunnen bedenken. School, universiteit, ministerie: mijn leven werd alsmaar zieker, alsmaar zinlozer, alsmaar kafkaësker. De sneeuwbal bleef maar rollen. 

Ik kon mijn ogen niet geloven. Was dit nu mijn leven? Het was precies het omgekeerde van wat ik gedroomd had. Of beter: van wat ik gekend had in de wereld van de kunst. Want de academie was heel reëel geweest. Ik had er niet zozeer schoonheid dan wel moraliteit aangetroffen. Goed en kwaad waren er heel duidelijk van elkaar onderscheiden. Een tekening moest niet mooi zijn, ze moest juist zijn. Fouten werden niet getolereerd. Wie de waarheid wilde omzeilen, werd onverbiddellijk gecorrigeerd. Mijn leraar schrok er niet voor terug om een tekening waar je urenlang intens aan gewerkt had met een paar onverschillige bewegingen helemaal uit te vegen. Dat je ego door die aanslag in shock raakte, daar trok hij zich niks van aan. Hij merkte het niet eens op. Je kreeg van hem alle vrijheid en hoe je die vrijheid gebruikte, was zijn zaak niet. Maar het resultaat moest kloppen. Hij zag niets door de vingers. Het was een harde leerschool, maar ik ondervond keer op keer dat er geen andere weg was. Als je de vreugde wilde smaken, moest je onverbiddellijk waar zijn.   
 
In de wereld van de wetenschap – de school en de universiteit – had ik net het omgekeerde aangetroffen: immoraliteit. Of ik mij nu inspande of niet, het maakte niks uit. Ik kreeg m’n diploma toch wel, een diploma dat ik helemaal niet verdiende. Er was altijd wel de zoon van een geldschieter of de dochter van een professor die bevoordeeld moesten worden, en door een gril van het lot profiteerde ik daar telkens mee van. Ik had vlug door hoe het spelletje gespeeld werd en speelde het vlijtig mee, ook al vond ik het kinderachtig. Maar het doel heiligde de middelen. Ik loog en bedroog dat het een aard had. Wat de Broeders van Liefde me op school vertelden, ging het ene oor in en het andere weer uit, maar wat ze deden, dat bootste ik na als een kameleon. Ze merkten het niet eens op. Ik maakte m’n huiswerk zelden zelf, ik kopieerde al m’n meetkundige tekeningen van mijn klasgenoten, ik pende mijn examens zorgvuldig van hen af. Als het een keer niet lukte dan haalde ik alles wel weer uit de boekentas van de leraar. Ik was trouwens niet de enige die dat deed. We deden het allemaal. We waren een intelligente klas en werkten solidair samen. 

Aan de universiteit verfijnde ik de kunst van het bedriegen. Hier moest ik geen eenvoudige Broeders van Liefde om de tuin leiden, maar professoren en hoogleraren, het kruim van ’s lands intelligentie. Maar er was geen wezenlijk verschil. Ze logen en bedrogen zoals iedereen, en ik deed vrolijk mee. Nu ja, vrolijk. Ik beleefde wel een grimmig genot aan het belazeren van al die gewichtige dames en heren. Maar vreugde was er niet bij. Ik voelde alleen maar minachting voor die idiots savants. Waren dát nu intellectuelen? Ik voelde die minachting trouwens ook voor mezelf. Ben je niet beschaamd, zei ik in de spiegel, om je tijd te verspillen met dergelijke kinderachtige spelletjes? Heb je echt niks beters te doen met je leven? Ik studeerde ijverig astrologie, leerde horoscopen trekken en besprak die met mijn medestudenten. Ik bekwaamde me in de makrobiotische keuken, ging brandnetels plukken en experimenteerde met tamari en tahin. Ik verdiepte me in de Oosterse filosofie, in alles wat esoterisch was of klonk, en las zelfs Rudolf Steiner in boeken die roder waren dan dat van Mao. Maar dat was allemaal ersatz, het was niet wat ik echt wilde doen. Ik wilde alleen maar tekenen. Ik zag m’n leven werkloos voorbijgaan.  

Na m’n master (toen nog licentie) aan de Universiteit van de Leugen doctoreerde ik in Brussel, op de Vaste Commissie voor Taaltoezicht, de ‘vuilbak’ van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Hier was liegen en bedriegen geen kunst meer, hier was het dagelijkse werkelijkheid geworden. Niemand keek er nog van op, integendeel. In de ogen van de wereld was ik nu een normaal mens geworden die keurig zijn plicht vervulde jegens vrouw, kinderen en maatschappij. Meteen op de eerste dag greep ik mijn kans en na een paar weken was ik er al in geslaagd om mijn 8-urige werkdag terug te brengen tot één uur. Ik stond er zelf van te kijken hoe gemakkelijk het ging. Maar ik was dan ook magna cum laude afgestudeerd in de ahrimanische Leerschool van de Leugen. Wat de Broeders van Liefde en de Alma Mater me geleerd hadden, wierp nu zijn vruchten af. Ik kwam doorgaans niet vóór tien uur op kantoor, haspelde m’n werk in sneltempo af, sloeg dan de krant open en at m’n broodje met tonijn op. Tegen de middag had ik het kantoor alweer verlaten en dwaalde uren rond in de stad die ik nog niet kende. Terug op kantoor doodde ik de tijd tot vier uur. Dan moest ik mijn trein halen. 

Dat was een gewone dag. Er waren ook buitengewone dagen. Dan arriveerde ik tegen de middag, at m’n dagelijkse broodje en muisde er meteen vanonder. Of ik kwam na de middag niet meer terug. Of ik kwam helemaal niet opdagen. Vooral wanneer de treinen weer eens staakten, had ik geen zin om uren op een perron te staan wachten. Er waren grenzen aan de zinloosheid die ik kon verdragen. Ik herinner me nog altijd een gesprek dat een vrouw op de trein voerde. De man naast haar vroeg of ze een stuk van zijn krant wilde. Nee dank je, zei ze, ik ken die krant al uit m’n hoofd! Bleek dat de vrouw ergens in de Westhoek woonde. Iedere dag stond ze om vijf uur op, nam de bus naar de kust, de kusttram naar Oostende, de trein naar Brussel, de metro naar haar werk, en daar las ze dan de krant. ’s Avonds volgde ze de omgekeerde weg en was net op tijd thuis om de kinderen onder te stoppen. Daarna at ze iets en kroop zelf in bed. Acht uur per dag was ze onderweg om in Brussel acht uur lang de krant te lezen. Want iets anders had ze daar – om redenen die ik me heel goed kon voorstellen – niet te doen.

Ook ik trok iedere dag naar Brussel om er … niets te doen. Mijn ‘werk’ kwam erop neer dat ik een berg zand twintig meter verplaatste en hem vervolgens weer naar z’n oorspronkelijke plaats terugbracht. Dat gold eigenlijk voor de hele dienst – het was één grote schijnvertoning – maar nergens werd het zo karikaturaal als bij mij. Er circuleerde in die dagen een grap. Waarom liep er in het midden van de gangen op het ministerie een rode lijn? Dat was om degenen die te laat arriveerden te scheiden van degenen die te vroeg vertrokken. Iedereen lachte daar hartelijk om, maar niemand geloofde het natuurlijk. Ik wel. Ik bracht het zelf in de praktijk. De ene dag arriveerde ik op hetzelfde moment dat ik de andere dag vertrok. Ik kón eenvoudig niet anders, dat soort gedrag was de enige manier om nog een greintje zelfrespect te bewaren. Ik stelde het ook bij anderen vast. Ze saboteerden het werk om niet ten onder te gaan aan de zinloosheid ervan. Het enige verschil was dat ze het niet beseften. Het was een tweede natuur geworden.

Ik besefte het wel. Aan de academie had ik het goede, het ware en het schone in een zeldzaam zuivere vorm leren kennen, en nu leerde ik het kwaad, de leugen en de lelijkheid in al zijn grauwheid kennen. Het was alleen te verdragen als ik die grauwheid voortdurend uitdaagde. Ik maakte er een kunst van om in die gevangenis ruimte te scheppen voor mezelf. Ik was trouwens niet alleen. Het lot schonk me een goeie vriendin: Brigitte, een flamboyante, rasechte Waalse. We brachten zoveel tijd bij elkaar door dat iedereen ervan overtuigd was dat we een affaire hadden. Daar moesten we allebei hartelijk om lachen. Op een keer trof ik haar aan achter een bureau dat bedekt was met patroonpapier: ze was een jurk aan het maken. We schaakten ook veel, maar we voerden vooral urenlange gesprekken. Hoeveel troost ik daar ook in vond, het volstond niet voor me. Ik begon te schilderen. Ik had een aquareldoosje gekocht en ging elke middag schilderen in het stadspark of in de oude Leopoldswijk. Daar nam ik ruim de tijd voor, en terug op kantoor werkte ik m’n schilderijtjes af. Op die manier leerde ik mezelf aquarelleren, onder supervisie van Sint Michiel, de patroonheilige van Brussel. 

Ieder jaar ging ik met vrouw en kind (er was er nog maar één) voor een maand naar zee. In juni, want dan was het nog betaalbaar en was er ook veel minder volk. Daar werd ik langzaam weer mens. Maar ieder jaar ook werd ik ziek als ik weer naar kantoor moest. De overgang van zon, zee en zand naar het lawaai, de stank en de lelijkheid van de Wetstraat was te groot. Het wende nooit, integendeel. Ieder jaar werd het erger. Wat ik ook deed, hoe ik er ook de kantjes af liep of mijn kantoor veranderde in een schildersatelier, ik voelde hoe ik innerlijk langzaam maar zeker stierf. Wat er nog aan vuur in me restte, doofde uit. Niets was nog echt. Ik leefde m’n eigen leven niet, ik leefde andermans leven. Ik had eigenlijk géén leven meer. Maar wat moest ik doen? Ik was huisvader, ik was kostwinnaar, ik kon m’n werk niet zomaar laten staan. Ik mocht al blij zijn dat ik werk had, ook al had het met werken niks te maken. 

Ik had een contract als ‘tewerkgestelde werkloze’ en dat werd ieder jaar hernieuwd. Op een dag, na 7 lange jaren in ’s lands administratie, kreeg ik een brief: tot onze spijt, enzovoort. Mijn hart sprong op. Eindelijk verlost! Hoe het daarna verder moest was het laatste van mijn zorgen. Ik was veel te gelukkig. Het was mei, de vogeltjes zongen en ik zong mee. Ik maakte m’n bureau leeg, stak m’n schilderspullen in een kartonnen doos en verliet het gebouw op dezelfde manier waarop ik het zo vaak was binnengeslopen: langs de kleine wenteltrap, zonder iemand tegen te komen, zonder van iemand afscheid te nemen – als iemand die er nooit geweest was. Het was niet eens zover benevens de waarheid. Brigitte zou me naar huis brengen. De natuur langs de autostrade bloeide uitbundiger dan ik ooit had gezien. Ik voelde me als een vogel die bevrijd was uit zijn kooi. Thuis dronken we samen met An een glas wijn om deze grote dag te vieren. Het was precies drie jaar vóór ik een andere grote dag zou vieren. 

Advertenties