Michaël 2015 (5)

door lievendebrouwere

  

Na de middelbare school ging ik naar de universiteit, vandaar kwam ik in ’s lands administratie terecht en nóg was het dieptepunt niet bereikt. Was het dan al kommer en kwel in mijn leven? Ging het louter bergaf, ging er niets bergop? Toch wel. In Leuven leerde ik namelijk niet alleen de academische wetenschap kennen, ik leerde er ook de alternatieve wetenschap kennen. Naast mijn officiële studie begon ik ook aan een officieuze studie: die van de astrologie. 

Om dat laatste een beetje te kaderen moet ik terug in de tijd. Ik ben 14 en ik zit in de kerk tijdens de wekelijkse misviering. Opeens kijk ik op en denk: wat doe ik hier? Ik hoor hier niet thuis, ik luister niet naar wat er gezegd wordt, ik doe maar alsof. Die gedachte is voldoende om een punt te zetten achter mijn ‘geloof’. Het kost me geen greintje pijn. Het is alsof ik wakker word en denk: hé, dat gedoe met God was maar een droom! Ik hield best van wierook en orgelmuziek en glasramen. Ook kruisbeelden intrigeerden me, ik tekende ze graag. Maar daar bleef het ook bij: het waren beelden, geen realiteiten. Vanaf nu leef ik in de werkelijkheid en daarin bestaan geen goden, engelen of heiligen. Het is een stuk minder mooi, maar het is wel echt. Niet lang na dat ontwaken krijg ik op school een zwaar ongeluk. Het ziet er banaal uit – ik val over een bal – maar m’n linkerknie ligt aan flarden. Na drie operaties, maanden in bed en een pijnlijke revalidatie kan ik eindelijk weer stappen. De medische staf staat stomverbaasd. Ik ben op miraculeuze wijze aan levenslange invaliditeit ontsnapt. De werkelijkheid komt hard aan. 

Innerlijk raakt ze me nog harder. In mijn bewuste beleving speelt het geloofsverlies geen enkele rol. Maar op een dieper, onbewust niveau begint het leven zijn zin te verliezen. Als God niet bestaat, dan maakt het toch allemaal niet uit? Dan gebeuren de dingen zomaar, dan heerst de wet van de sterkste. Ik ben niet alleen atheïst geworden, ik word ook nihilist. Ik geloof nergens meer in, noch in de hemel noch in de aarde. Het wordt heel donker in mijn ziel. Gelukkig is er één lichtpunt: de academie. Daar vind ik alles wat ik elders niet meer vind: zinvolheid, helderheid, oprechtheid, schoonheid. De kunst is mijn nieuwe geloof. Toevallig (of niet) ligt de academie aan voet van de St. Romboutskathedraal. Ik kijk vol ontzag op naar de indrukwekkende toren en ik luister met plezier naar zijn beiaardklanken, maar de religieuze wereld waar hij voor staat is mijn wereld niet meer. Dat is nu de wereld van de kunst. Zij is mijn nieuwe geloof, in haar voel ik mij geborgen. Maar de draak loert. Aan de overkant van de straat ligt de school met haar dorre wetenschap. Ze dringt zich met geweld aan me op en maakt mijn leven tot een kwelling. 

In Leuven kwam ik terecht in het hol van de leeuw. Het was er heel donker, maar in die diepe duisternis ontdekte ik een wetenschap die tegelijk ook een kunst was: de astrologie. Die onverwachte ontdekking betekende een ommekeer in mijn leven: opeens verscheen er weer orde in de chaos, de zinloosheid kreeg zin. Hoewel de astrologie me tot dan toe volslagen onbekend was, kwamen haar beelden me vreemd vertrouwd voor, alsof ik ze kende van lang geleden. Wat me echter het meest intrigeerde was de gedachte dat die beeldtaal iets te zeggen had over … de werkelijkheid. Ik hield van de bijbelse beelden waarmee ik opgegroeid was, maar ik had ze nooit met de reële wereld in verband gebracht. Juist omdat ik ze als fictie zag kon ik ervan genieten, zoals ik ook van een film genoot. Met de astrologie was het omgekeerd: ze was zo spannend omdat ze géén fictie beweerde te zijn. De astronomie en de ruimte lieten me koud, maar de gedachte dat de sterren het leven op aarde stuurden en regelden vond ik … groots. 

Maar hoe aantrekkelijk deze gedachte ook was, het betekende nog niet dat ik ze geloofde. Ik was zodanig doordrongen van het materialisme dat de stap naar de tegenovergestelde visie veel te groot was. Zonder harde bewijzen zou ik die nooit kunnen zetten en dus leerde ik horoscopen trekken. Daarvoor moest ik naar Antwerpen, waar ik in de Wiegstraat een winkeltje gevonden had dat propvol boeken zat over de meest bizarre onderwerpen: occultisme, esoterie, Oosterse religies, handlijnkunde, parapsychologie, helderziendheid, Tarot, magie, noem maar op. Mijn mond viel open toen ik al die vreemde titels las, ik had nog nooit van die dingen gehoord. In die tijd waren ze nog volslagen nieuw. Ik kocht een boekje van iemand die Pannekoek heette en stap voor stap uitlegde hoe je een horoscoop moest maken. Ik had ook een boekje met efemeriden nodig: de planetenstanden van het jaar dat ik geboren was. Met die twee kon ik aan de slag. 

Ik begon uiteraard met mijn eigen horoscoop en het resultaat verraste me. Eén blik volstond om te weten: dat ben ik! Het was de spijker op de kop! Meteen begon ik geboorte-uren van medestudenten te verzamelen. Iedere avond zat ik te cijferen en te rekenen. Ik begreep niks van wat ik deed, maar ik vond het buitengewoon spannend. De ene na de andere horoscoop rolde van mijn tafel, en allemaal bleken ze te kloppen. Ik herkende er zonder moeite de eigenaars in. Wetenschappelijk verantwoord was het ongetwijfeld niet, maar ik zag heus wel het verschil tussen vage algemeenheden en rake typeringen. Ik spendeerde al m’n zakgeld aan boeken over astrologie en bekwaamde me in de kunst van het sterrenwichelen. Iedere nieuwe horoscoop bevestigde mijn groeiende vermoeden: astrologie was géén onzin, wat al die Nobelprijswinnaars ook mochten beweren. Op een dag trok ik de horoscoop van Joke. Mijn prille vertrouwen kreeg een schok: ze leek er niet eens op! Toch voelde ik me al zeker genoeg om tegen haar te zeggen: je geboorte-uur moet verkeerd zijn, dat kan niet anders. En inderdaad, haar ouders bleken het niet eens te zijn over het moment waarop hun dochter ter wereld was gekomen. Het geboorte-uur-volgens-haar-vader klopte wél en op dat moment wist ik: mijn doel is bereikt. Ik twijfelde niet langer: there wás a system in this madness

Het wiskundige aspect van de astrologie belette me om me verder te verdiepen in de moeder-aller-wetenschappen, anders was ik misschien wel astroloog geworden. Wat was er immers boeiender dan door te dringen in die onzichtbare maar zeer reële wereld! Ik had intussen ook andere aspekten leren kennen van wat vandaag New Age genoemd wordt. Er ging een geheel nieuwe wereld voor me open. Algauw raakte ik ervan overtuigd dat je hem niet kon negeren als je het bestaan wilde begrijpen. En dat laatste probeerde ik uit alle macht. Mijn leven was veel te problematisch dan dat ik het gewoon geleefd zou kunnen hebben. Minstens één keer per week stelde ik mij de vraag: wat doé ik hier in godsnaam? Ik ging naar de les, maar het was slechts een deel van me dat deed alsof ik student was. Het andere deel dwaalde rond in een heel andere wereld, die mijlenver verwijderd was van de gewone, dagelijkse werkelijkheid. Ik las zelfs boeken van Rudolf Steiner, maar raakte nooit verder dan de helft. Het was me allemaal te dor, te zakelijk, te moeilijk. Het stond te dicht bij de wereld van de wetenschap en daar wilde ik juist van weg. 

Toen gebeurde er opnieuw iets onverwachts. Ik werd verliefd, op het kleinste meisje van mijn jaar. Toevallig werd ook zij onverwachts verliefd: op de steinerpedagogie. Haar besluit stond meteen vast: ze zou in een steinerschool gaan werken. Na een jaar opleiding in Nederland ging ze aan de slag in het kersverse steinerschooltje van Gent. Ik volgde haar, maar ik woonde toen in Antwerpen en Gent was een donker krocht vergeleken bij de sinjorenstad. Het steinerschooltje vond ik echter wel leuk, tenminste voor kinderen. Ik luisterde met stijgende verbazing naar volwassenen die het over engelen, kabouters en geestelijke werelden hadden alsof het niks was. Hebben jullie wel eens zo’n kabouter gezien? vroeg ik hen. Nee, dat hadden ze niet. Maar hoe kunnen jullie dan zo zeker zijn dat ze bestaan? Het antwoord luidde natuurlijk: omdat Rudolf Steiner het gezegd heeft. Maar dat wilden ze niet toegeven en dat vond ik flauw. Ik had geen probleem met mensen die geloofden, maar mensen die hun geloof voorstellen als een wetenschap? Nee, daar kon ik geen respect voor opbrengen. 

Voor An – die intussen mijn vrouw was geworden – had ik echter wél respect. Ze was buitengewoon nuchter en intelligent, en het was me een raadsel hoe ze kon omgaan met een stelletje fantasten die geloofden in kabouters en elfjes. Er was ook nog een ander raadsel. Toen ik – in de schaduw van de St.Baafskathedraal – een tentoonstelling over steinerpedagogie bezocht, sprongen de tranen me in de ogen: dit was de school die ik als kind gemist had! Maar wat had deze kleurrijke school te maken met die kleurloze antroposofie? Ik zag het verband niet. Vijf jaar lang zou ik het vergeefs zoeken. Ik voerde talloze gesprekken met mijn vrouw, maar ze slaagde er niet in mij over de brug te trekken. Omgekeerd veranderden al mijn bezwaren ook niets aan haar rustige overtuiging. Dit was een veel grotere uitdaging dan de astrologie. Steiner was me absoluut niet vertrouwd en ik worstelde hevig met zijn antroposofie. Tot ik op een dag – het was mijn 30ste verjaardag – thuis een boek vond dat ik uit verveling begon te lezen. Toen ik het uit had, was ik antroposoof geworden. Het boek heette: De Filosofie der Vrijheid. 

Enkele dagen later trof ik in een Brusselse boekhandel een boek aan van Emil Bock over de twee Jezuskinderen. Ik twijfelde er niet meer aan dat antroposofie evenmin onzin was als de astrologie, maar een boek over Jezus, en dan nog wel over twéé Jezussen? Dat stelde mijn prille overtuiging danig op de proef. Na lang aarzelen besloot ik het boek toch te kopen. Van zodra ik begon te lezen was ik verrukt. Ik herkende de beeldtaal van de astrologie, maar nu in een veel zintuiglijker, veel concretere vorm. Even later kwamen ook de twee Jezuskinderen me volkomen vanzelfsprekend voor: zo moest het geweest zijn, dat kon niet anders! Zowel de vorm als de inhoud van het boek troffen me door hun grote kunstzinnigheid. Emil Bock was iemand die de wereld als een kunstwerk zag. Het was weliswaar de bijbelse wereld, maar die had hoe dan ook echt bestaan. Hij was werkelijkheid én oerbeeld tegelijk geweest. Dit boek toonde mij wat ik wilde: de zintuiglijke werkelijkheid én de onderliggende oerbeelden tegelijk zien. Ik besefte het nog niet echt, maar mijn gevoel sprak duidelijke taal: ik had het onderwerp gevonden dat mij van alle antroposofische thema’s het nauwst aan het hart zou liggen. 

Ik was blij de bijbelse beelden uit mijn jeugd weer te kunnen omarmen. Hun kunstzinnigheid had zich verbonden met de (geestes)wetenschap. Maar het was allemaal nog heel pril, het moest nog groeien. Later zou ik De Filosofie der Vrijheid nog verschillende keren opnieuw (proberen te) lezen maar ik begreep er niks meer van. Was dit het boek dat in één klap een antroposoof van me gemaakt had? Slechts één gedachte stond me nog helder voor ogen, de gedachte die me bevrijd had van de kluisters waarin ik gevangen zat: er is maar één werkelijkheid, er is géén wezenlijk verschil tussen binnen- en buitenwereld. Wat mij al die jaren gekweld had, was de overtuiging dat wat er in mezelf leefde niks te maken had met de wereld daarbuiten. Het had me niet alleen opgesloten in een verstikkende eenzaamheid, het had me ook een kwellend schuldgevoel bijgebracht. Wat er in mijn ziel leefde, kwam namelijk helemaal niet overeen met wat er in de buitenwereld leefde. Ik probeerde me aan te passen, maar dat lukte niet en dus kon er maar één conclusie zijn: ik was verkeerd. Ik dacht niet alleen verkeerd, ik voelde ook verkeerd en wat ik wilde was eveneens verkeerd. Ik had de dualistische leer van de twee werelden – de grondslag van het materialisme – aan den lijve ondervonden. Ik had de gespletenheid die ze in de ziel van een mens veroorzaakte helemaal doorleefd en Rudolf Steiner had me ervan bevrijd. Hij was mijn ‘verlosser’ en daarom geloofde ik in hem: niet om wat hij me verteld had, maar om wat hij voor me gedaan had. Hij had me teruggegeven aan mezelf, en een groter geschenk kun je niet krijgen. 

Dit geschenk was de keerzijde van de ellende die ik had doorgemaakt toen ik de kunst verliet en voor de wetenschap koos. Dat ik die tocht door de woestijn tot een goed einde wist te brengen, was niet mijn verdienste, wel integendeel. Nooit zou ik zelfs maar een deel van die woestijntocht op eigen kracht hebben kunnen afleggen. Ik werd er letterlijk doorheen gesleurd door een ‘hogere’ macht die een reeks onwaarschijnlijke toevalligheden creëerde die geen fictie-schrijver had durven bedenken. Die ‘hogere macht’ Michaël moet zijn geweest, tot die conclusie ben ik vandaag gekomen. Het doel waar hij me naartoe leidde was niet het (nutteloze) universitaire diploma, het was de antroposofie, de hereniging met mezelf. Dat doel zou ik nooit bereikt hebben als ik de wereld van de kunst niet had verlaten. Ik zou me daarin verschanst hebben voor de grauwe buitenwereld. En toen die buitenwereld de muren van de kunstwereld sloopte en haar onder de voet liep, zou me dat helemaal verscheurd hebben. Ik werd uit het ‘paradijs’ van de kunst verdreven opdat ik niet ten prooi zou vallen aan de draak die er vandaag zo vreselijk huishoudt en de bewoners dwingt tot een vernederende onderwerping die ik nooit zou overleefd hebben. 

Bij nader toezien was de weg die zo steil bergaf liep dus een weg bergop. Als de goden iemand willen straffen willigen ze zijn wensen in, als ze hem willen helpen sturen ze rampen op hem af. Maar dat wist ik toen nog niet. Integendeel, ik nam het mijn helpers kwalijk dat ze mij niet geholpen hadden. Mijn leraar had geen vinger uitgestoken toen ik naar Leuven ging. Eén woord was voldoende geweest om me te weerhouden, maar hij zweeg. Anderen spraken en ik wilde dat ze gezwegen hadden. Ik las bij Rudolf Steiner dat ieder mens een bewaarengel heeft en ik vroeg me af: waarom ik niet? Ik realiseerde me niet dat mijn engel zo groot was en zo dichtbij stond dat ik hem niet kon zien. Pas door telkens weer na te denken over hoe mijn leven gelopen was, op zoek naar wat er verkeerd was gegaan, begon ik in te zien dat uitgerekend het verkeerde het juiste was, dat niet mijn leven een mislukking was maar de manier waarop ik ernaar keek. Het herinnert me aan een voorval uit mijn academie-tijd: ik kwam de klas binnen en zag dat de leraar een tekening van me had ingelijst en aan de muur gehangen. Dat was iets heel uitzonderlijks en ik was dan ook danig verbaasd, temeer daar het een tekening was die ikzelf de week tevoren in de vuilnisbak had gegooid omdat ze in mijn ogen compleet mislukt was …

Advertenties