1000

door lievendebrouwere

  

Negenhonderdnegenennegentig berichten heb ik tot nog toe op deze blog geplaatst. Dit is het duizendste. Een bezig baasje dus, want de meeste berichten waren niet kort. Sommigen zouden zelfs zeggen: lang. Om niet te zeggen: veel te lang. Ik ben de laatste om dat tegen te spreken. Ik moet dringend eens wieden. Als ‘biologisch schrijver’ laat ik alles opkomen wat op mijn gedachtenakker wil groeien, en pas als de scheuten groot genoeg zijn om herkend te worden, begin ik te wieden. Met chemische bestrijdingsmiddelen die een ‘correct’ denken garanderen laat ik mij niet in. Ik heb de waarheid niet in pacht, ik weet niet wat er in mijn hof ‘moet’ groeien. Dus laat ik de natuur zijn gang gaan vóór ik ingrijp. Wieden is echter lastig en mijn rug doet al zo’n pijn. Ik weet dus niet wanneer het er zal van komen, zelfs niet óf het er nog zal van komen. 

Als ik nu kijk naar wat er de afgelopen 28 maanden allemaal opgeschoten is in mijn blogtuin, dan stel ik vast dat ik geprobeerd heb de wereld als een kunstwerk te zien. Dat was van meet af aan het motto en dat is het nog altijd. Ik bekijk de wereld niet alleen alsof hij een kunstwerk is, ik bekijk hem ook op dezelfde manier waarop ik een kunstwerk bekijk. Met mijn hart dus. Waarmee anders? Waarmee bekijk je een kinderportret van Rubens? Waarmee luister je naar een aria van Bach? Waarmee lees je een gedicht van Rilke? Toch niet met je verstand! Dat is de beste manier om een kunstwerk om zeep te helpen. Het is trouwens ook de beste manier om de wereld om zeep te helpen. En dat vertik ik. Ik weiger zowel de kunst als de wereld om zeep te helpen door ze niet met mijn hart te benaderen. 

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ik mijn verstand niet gebruik. Maar ik laat het niet de baas spelen. Ik laat het mijn hart niet vertellen welke (nieuwe) gevoelens het moet voelen. Ik doe net het omgekeerde: mijn hart vertelt mijn verstand wat het moet denken. Met andere woorden: ik stel mijn verstand ten dienste van mijn hart. Je zou dat michaëlisch kunnen noemen, want Michaël, de behoeder van de intelligentie, is één en al dienstbaarheid aan Christus, die in het hart van de mens leeft. De gedachte dat hij Christus zou vertellen wat hij moet voelen, is een blasfemische drakengedachte waar ik mij met hand en tand tegen verzet. M’n hele leven al voer ik strijd tegen de draak die met fysiek en intellectueel geweld de mens wil dwingen zijn hart ‘om te keren’ en lief te hebben wat hij verafschuwt en te verafschuwen wat hij liefheeft. 

Ik herinner me niet meer wanneer ik die ‘omkeringsdraak’ voor het eerst tegenkwam. Ik herinner me wel nog een voorval uit mijn studententijd. We zaten samen op mijn kot en het gesprek kwam op kunst. Iemand wees op mijn bureaulamp en zei: voor mij is dit kunst! Ik antwoordde: dat is geen kunst, dat is een bureaulamp! Hij hield bij hoog en bij laag vol dat het wél kunst was. Je bent gek, zei ik, als dit kunst is dan ben ikzelf een kunstwerk! Het ‘gesprek’ eindigde ermee dat hij woedend de kamer uitliep en de deur achter zich dichtsloeg. Ik begreep er niks van. Waarom wilde die kerel mijn bureaulamp per se kunst noemen? En waarom werd hij zo kwaad als ik zei dat het gewoon een lamp was?  

Het was het eerste van een hele reeks incidenten die me leerden dat het onderwerp kunst bijzonder gevoelig lag. God mocht weten waarom, want er werd in die dagen nooit over kunst gesproken, zelfs niet op de academie. Als het dan per ongeluk toch eens gebeurde, raakten de gemoederen zo snel verhit dat er ruzie van kwam. Ik maakte daar dankbaar gebruik van om de verveling te verdrijven tijdens familiefeestjes en andere saaie gelegenheden. Ik stuurde het gesprek dan stiekem richting kunst door te vragen: iemand laatst nog een goeie film gezien? Het duurde dan nooit lang of het spel zat op de wagen. Ik hoefde alleen maar te zeggen: nee, dat is geen kunst! Meer was er niet nodig om de verontwaardiging te doen oplaaien.

Op die manier heb ik tal van mensen tegen me in het harnas gejaagd. Het verbaasde me telkens weer hoe zwaar ze tilden aan een onderwerp waarvoor ze anders nooit enige belangstelling toonden. Voor mij was het de meest vanzelfsprekende zaak van de wereld dat sommige dingen kunst zijn en andere niet, maar voor hen was het heiligschennis. Ik begreep er niks van. Hoe kun je nu van kunst spreken als er geen norm bestaat, als om het even wat kunst kan genoemd worden! Dat is wat ze doen in de Hedendaagse kunst, maar wie interesseert zich nu voor pispotten en kakmachines! Dat is iets voor in het zwart geklede culturo’s die zich beter voelen dan de rest. Ik ging om met normale mensen, en juist daarom trof het mij dat ze – als het erop aankwam – net zo hartstochtelijk de normloosheid in de kunst verdedigden als de avant-gardisten. 

Als ik daar nu aan terugdenk, valt de gedachte me in dat al die mensen … de wereld als een kunstwerk zagen. Wanneer ik beweerde dat een onderdeel van die wereld – een lamp of een paal of een pispot – géén kunstwerk was, reageerden ze als door een wesp gestoken. Ik kreeg met andere woorden telkens ruzie met mensen die … precies hetzelfde dachten als ikzelf. Daar sta ik nu toch wel van te kijken. Die gedachte had ik niet zien komen. Ze is wel de allerlaatste die ik verwacht had tijdens het schrijven mijn 1000ste blogbericht. Maar hoe onverwacht ook, ik voel dat ze waar is. Ze verklaart tal van zaken, met name al die botsingen. Zijn de zwaarste ruzies immers geen broedertwisten? Gaan ze niet altijd tussen mensen die het roerend met elkaar eens zijn, maar over één ding van mening verschillen?   

Ik herinner mij nog altijd het moment waarop ik mijn levensmotto vond. Ik had mezelf de vraag gesteld: wat wil ik? Bij ieder antwoord vroeg ik mezelf af: is er niet nog iets wat ik méér wil? Op die manier kwam ik uit bij: de wereld als een kunstwerk zien. Daar hield het vragen op, daar zat alles in, meer wilde ik niet. Zelfs het maken van kunst zat erin vervat, want kunst zien doet kunst maken. Ik was opgetogen met mijn motto. Het gaf richting aan m’n leven. Nog opgetogener was ik toen ik begreep dat ‘de wereld als een kunstwerk zien’ de meest kernachtige samenvatting van de antroposofie is. Het vraagt natuurlijk een beetje denkwerk om dat in te zien, maar het klopt, daar twijfel ik niet aan. 

En vandaag kom ik dan tot de conclusie dat het nog verder gaat: niet alleen antroposofen willen de wereld als een kunstwerk zien, iederéén wil dat. Ieder modern mens wil vandaag de wereld als een kunstwerk zien. Anders zou hij niet zo heetgebakerd reageren als iemand daartegen ingaat. Anders zou hij het niet pikken dat pispotten, kakmachines en getatoeëerde varkens in musea als kunst worden tentoongesteld. Maar dat doet hij wél. Hij is bereid de meest degoutante en weerzinwekkende zaken als kunst te accepteren. En wee degene die daartegen protesteert! Die wordt beschouwd als een cultuurbarbaar, een reactionair, een bedreiging voor de toekomst. Daar kan geen andere verklaring voor bestaan dan dat de moderne mens de wereld als een kunstwerk wil zien. Niet omdat het een leuke gedachte is, maar omdat hij er hartstochtelijk, zelfs fanatiek in gelooft. 

Eindelijk heb ik de verklaring gevonden voor wat in mijn ogen het meest verbijsterende en meest verontrustende fenomeen van onze tijd is: de Hedendaagse kunst. Er zijn nochtans veel verontrustende en verbijsterende zaken in onze wereld. Er is het moslimterrorisme, de klimaatverandering, de kloof tussen rijk en arm, de vluchtelingenkwestie, het speculeren met geld, de vernietigingswapens, de overbevolking, enzovoort. Maar het meest verontrustende en verbijsterende is dat mensen niet meer reageren op … verontrustende en verbijsterende verschijnselen. Zoals: de intelligentsia die overal ter wereld vol bewondering staat te kijken naar … pispotten, blikjes stront, bananenschillen en ander afval. De meest intelligente en gecultiveerde mensen gedragen zich alsof ze compleet stoned zijn en … niemand zegt daar iets van, niemand maakt zich daar zorgen over. Kijk, dát is pas verontrustend! 

Ik voel me vaak als de man uit het verhaal van de vergiftigde bron. Een man komt te weten dat de bron van het dorp vergiftigd zal worden en dat iedereen die ervan drinkt gek zal worden. De man verwittigt zijn dorpsgenoten, maar niemand gelooft hem. Ze drinken allemaal van de bron en worden gek. Behalve die ene man, die wist dat het water vergiftigd was. Maar hij beleeft niet veel plezier aan zijn geestelijke gezondheid. Hij wordt namelijk opgesloten, want iedereen in het dorp denkt dat hij … gek is geworden. Zo voel ik mij in de wereld van de kunst: omringd door gekken die denken dat ik gek ben geworden. Ze maken kakmachines, pissen op elkaar bij wijze van performance, gaan vleugelpiano’s te lijf met een drilboor, zagen koeien doormidden, kruipen over de grond met een konijn tussen de tanden, enzovoort enzovoort. Je kunt het zo gek niet bedenken of ze doen het. Maar als je zegt: ‘dit is geen kunst’, kijken ze je stomverbaasd aan en zeggen: ben je gek geworden of wat?

Onwaarschijnlijk, verbijsterend, hallucinant: andere woorden heb ik niet om aan te duiden wat er in de wereld van de kunst gaande is. Ik hoef maar een krant open te slaan, een tijdschrift in te kijken of Das Goetheanum te doorbladeren: telkens weer opnieuw staan er lange artikels in die één grote lofzang zijn op de meest beschamende dingen. En telkens weer opnieuw stel ik mij de vraag: zijn zij gek geworden of ben ik het? Het antwoord lijkt voor de hand te liggen, maar de ‘krankzinnigen’ zijn overal, hun getal is legioen. En er is niemand die het tegen hen opneemt. Nergens lees of hoor je ook maar één kritische opmerking over hun wereldwijde verering van afval en vuiligheid. Ook niet in antroposofische kringen. Heel, heel uitzonderlijk gebeurt het wel eens dat iemand opstaat en zegt: nu is het welletjes geweest met al die onzin! Maar hij wordt in alle stilte afgevoerd en niemand verneemt ooit nog iets van hem. Je zou voor minder aan jezelf gaan twijfelen …

Nu kan men zeggen: ach, het is maar kunst! Ze doen maar, al die artiesten en intellectuelen, wat hebben wij daarmee te maken? Maar dat is het nu net: als het erop aankomt, doet iedereen net als zij. Jeder Mensch ein Künstler. Zelf kom ik nooit in artistieke kringen. Ik verafschuw ze, iedereen heeft daar van de ‘vergiftigde bron’ gedronken, anders kom je er trouwens niet in. Ik ga alleen om met ‘normale’ mensen die zich van kunst niks aantrekken. Niet dat het voetbalsupporters of wielertoeristen zijn, dat ook weer niet. Maar ze maken zeker geen deel uit van het artistieke ‘wereldje’. Daarom voelde ik mij ook thuis op de markt in Brugge: allemaal gewone mensen, allemaal mensen die werkten om een centje bij te verdienen. De onzin vond aan de overkant van de straat plaats, in de drie kunstgalerijen. Maar ik weet dat die grens een illusie was. Als ik met die ‘gewone mensen’ over kunst had gesproken, zouden ze zich net zo zijn gaan gedragen als aan de overkant.  

Ik heb het al vaker gezegd: de grens tussen kunst en werkelijkheid is zeer smal geworden. De krankzinnige geest die in de kunstwereld heerst – en er heerst zoals nog nooit een geest heeft geheerst – heeft iederéén aangetast. Iedereen reageert als door een wesp gestoken als deze ‘hedendaagse’ geest wordt tegengesproken. Hij is tot een tweede natuur geworden, een instinct, een onbewuste reflex. Om hem uit zijn kot te lokken moet je natuurlijk wel weten waar hij zit, want hij verbergt zich en hij verbergt zich goed. In de kunstwereld laat hij onbeschaamd zijn gezicht zien, maar niemand durft daar nog te kijken. Ook daarbuiten is hij druk bezig een regime te installeren dat ieder verzet brutaal de mond snoert en tegenstanders het gevoel geeft dat ze krankzinnig zijn geworden. Want deze geest werkt niet alleen op het verstand, hij werkt ook op het gevoel en de wil. Hij werkt op de hele mens, want het is op diens Ik dat hij het gemunt heeft. Deze even brutale als geraffineerde geest is niet Lucifer of Ahriman, het is Sorat, het is de Antichrist, de geest die de mens helemaal wil ‘omkeren’ en zijn hart veroveren, de geest die de plaats van Christus wil innemen. 

Dat is natuurlijk geen goed nieuws, want deze omkeringsgeest is reeds heel diep in de ziel van de moderne mens doorgedrongen. Hij vreet zich ongestoord een weg naar diens kern. Maar het is als in Jurassic Parc, de film over de monsters die de moderne mens ‘gebaard’ heeft. Het beklemmendste deel van de film is het eerste deel, het deel waarin de monsters niet te zien zijn. In het tweede deel breekt de hel los, maar dan zién we de tegenstanders tenminste en dat is ondanks alles een opluchting. Ook voor mezelf is het een opluchting om eindelijk te begrijpen welke geest me al m’n hele leven terroriseert, om eindelijk de missing link te vinden die me in staat stelt een beeld te vormen van de situatie waarin ik me bevind. Ik begrijp nu ook dat ik deze strijd nooit had kunnen voeren zonder de – niet altijd even zachtzinnige – leiding van Michaël. Zonder hem zou ik geen schijn van kans maken tegen dit omkeringsmonster. En hij is dan weer goed nieuws. 
  

Advertenties