1001

door lievendebrouwere

  

In mijn vorige blogbericht – het duizendste – kwam ik tot de verrassende conclusie dat … iedereen de wereld als een kunstwerk ziet. En ik maar denken dat ik de enige was! Hoe heb ik daar zolang naast kunnen kijken? Natúúrlijk ziet de moderne mens de wereld als een kunstwerk! Waarom zou hij het anders normaal vinden dat je in musea naast tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken nu ook pispotten, bananenschillen en gebruikte condooms aantreft? En waarom zou hij anders zo fel reageren als iemand beweert dat iets géén kunst is? Dat doet hij alleen omdat hij de hele wereld als een kunstwerk ziet, met alles erop en eraan. Het is heus niet enkel een handvol avant-gardisten dat gelooft in de kunstzinnigheid van de wereld, iederéén gelooft daar vandaag in. Wie dat geloof niet deelt, is niet meer van deze tijd, hij leeft in het verleden, hij heeft de boot gemist. Hij is passé, een dinosaurus, een oude draak, een barbaar. 

Dit moderne geloof is sterker dan een geloof ooit geweest is. Het heerst van Noord tot Zuid, van Oost tot West, over alle politieke, geografische, etnische, raciale, sexuele, ideologische en religieuze grenzen heen. De hele mensheid gelooft dat de wereld een kunstwerk is. Hoe fanatiek de Hedendaagse kunst dit geloof ook in de praktijk brengt, nergens stuit ze op protest. Overal ter wereld worden voor haar luxueuze tempels opgericht. Overal zijn schriftgeleerden in de weer om de nieuwe kunst te verdedigen, te becommentariëren en te verspreiden. Gigantische geldsommen worden ervoor vrijgemaakt, zowel door regeringen, bedrijven als privé-personen. Westerse kapitalisten en Oosterse oliesjeiks, allemaal willen ze er hun naam mee verbinden. Vijftig jaar, meer had deze nieuwe kunst niet nodig om de wereld te veroveren. Nooit verspreidde een geloof zich zo snel, nooit was het zo machtig, nooit was het zo universeel. 

Maar dit nieuwe geloof is niet alleen universeel, het is ook – en vooral – onbewust. Iedereen ziet de wereld als een kunstwerk, maar niemand weet het. Het is het allerlaatste waar een modern mens aan denkt als hem gevraagd wordt wat zijn diepste overtuiging is. En toch kan zijn houding tegenover kunst – die model staat voor zijn houding tegenover de wereld – niet anders verklaard worden dan door het onbewuste geloof dat de wereld een kunstwerk is. Dit geloof is volkomen instinctief en dringt totaal niet door tot het bewustzijn van de ‘gelovige’. Het is een geloof waarmee hij als het ware samenvalt en waar hij derhalve niks van weet. Dat is zowat het omgekeerde van wat we vandaag onder geloof verstaan: een stelsel van regels, dogma’s en idealen die we heel bewust en met veel moeite proberen toe te passen in ons leven. Zo’n onbewust en instinctmatig geloof zouden we dan ook een ‘omgekeerd’ geloof kunnen noemen.

Dit universele, omgekeerde geloof is zonder twijfel het meest tragische verschijnsel van onze tijd. Want uitgerekend op het moment dat de mensheid wereldwijd hetzelfde geloof deelt, wordt ze verscheurd door oorlogen, geweld en godsdiensttwisten. Nooit was de mensheid zo eensgezind, nooit was ze zo verdeeld. Nooit heerste er zoveel vrede, nooit was er zoveel oorlog. Nooit waren mensen het zo roerend met elkaar eens, nooit maakten ze zoveel ruzie. En het wordt steeds erger. Overal stapelen de problemen zich op, overal neemt het geweld toe. De angst voor de toekomst maakt iedereen gespannen en agressief. De moderne wereld wordt langzaam maar zeker meegesleurd in een vicieuze cirkel van haat en geweld. En dat alles gebeurt zonder enig besef van de keerzijde, zonder dat iemand weet dat uitgerekend in onze tijd Alle Menschen Brüder zijn geworden. 

Gebrek aan bewustzijn, dat is de grote tragedie van onze tijd. Het ontbreekt de moderne mens niet aan goede wil, want hij wordt bezield door een groots, gemeenschappelijk project. Hij ziet de wereld als een kunstwerk en daardoor wordt ook de kunstenaar in hem wakker. Kunst zien doet kunst maken. Jeder Mensch ist ein Künstler geworden die mee wil bouwen aan de nieuwe wereld. Niets kan hem daarvan weerhouden, want een kunstenaar heeft alles over voor zijn kunst. De artistieke roeping appelleert aan het diepste wezen van de mens, aan zijn scheppende geest. Ze gaat ook uit van een scheppende geest: de scheppende wereldgeest. En dat is niemand anders dan Christus. Hij is het die zich vandaag op een geheel nieuwe manier manifesteert. Hij is het die onbewust door iedereen waargenomen wordt en waardoor we allemaal de wereld als een kunstwerk gaan zien. Het is zijn ‘wederkomst’ die iedereen tot kunstenaar maakt. 

Het was Rudolf Steiner die als een moderne Johannes de Doper de wederkomst van Christus aankondigde. Als een roepende in de woestijn van het materialisme wees hij de mensheid op de belangrijkste gebeurtenis van onze tijd. Hij waarschuwde de mensheid ook deze gebeurtenis niet verslapen want dan zou het grootst mogelijke onheil over haar komen. Zijn hele leven lang heeft hij onvermoeibaar gewerkt om daar bewustzijn voor te wekken. Hij heeft er zelfs zijn leven voor gegeven, net als zijn illustere voorganger. Honderd jaar later verkeert de moderne mensheid echter nog altijd in volslagen onwetendheid over de wederkomst van Christus. Iedereen reageert wel op die wederkomst, maar niemand is zich ervan bewust. Niemand herkent Christus, niemand ziet hem, niemand begrijpt hem …

… behalve de antroposofen, zou ik nu moeten zeggen. Antroposofen spreken inderdaad veel over Christus, ze schrijven dikke boeken over zijn wederkomst. Ze weten zelfs waar die plaatsvindt: in de etherische wereld, ‘op de wolken’ zoals de bijbel zegt. Er kan geen twijfel over bestaan: Christus vormt het middelpunt van de antroposofie. Alles draait rond hem. Maar Christus is een naam, een begrip dat deel uitmaakt van het christelijke geloof, en de antroposofie wil helemaal geen geloof zijn. Ze wil een wetenschap zijn, ze wil haar inzichten baseren op waarneming en denken. Het is haar niet te doen om de naam Christus maar om de geestelijke realiteit die zich daarachter verbergt. Die realiteit wil ze leren kennen, die wil ze waarnemen. En dat schept natuurlijk een probleem, want de moderne mens kan geen geesten meer waarnemen. Hij ziet geen engelen of demonen meer, geen kabouters of elfen. Hij ziet alleen nog materie. Als hij zich dus bewust wil worden van de wedergekomen Christus, als hij hem wil waarnemen in plaats van alleen maar in hem te geloven, dan moet hij weer helderziend worden. 

Toch is helderziend worden niet waar het in de antroposofie om gaat. De reden is simpel: de moderne mens wordt sowieso weer helderziend, daar heeft hij de antroposofie niet voor nodig. Het is gewoon een gevolg van het einde van het Kali Yuga, het ‘duistere tijdperk’ waarin de mens langzaam maar zeker zijn oude helderziendheid – en daarmee ook het contact met de geestelijke wereld – verloor. Nu dat tijdperk afgelopen is, wordt die natuurlijke, aangeboren helderziendheid weer wakker en maakt de moderne mens opnieuw contact met de wereld van de geest. Maar bevangen als hij is door het materialisme, merkt hij daar helemaal niks van. En dat heeft zware gevolgen. Want de geestelijke wereld is veel levendiger en beweeglijker dan de dode materie waarop zijn huidige bewustzijn gebaseerd is. Ze is wat vuur is voor droog hout: een vernietigende kracht. Daarom is het van cruciaal belang dat de moderne mens zijn oplevende helderziende vermogens doordringt met rationeel denken, anders dreigen ze zijn dorre, ‘houterige’ bewustzijn in brand te steken en hem te beroven van de vrijheid en zelfstandigheid waar hij zo hard voor gewerkt heeft. 

De vernietigende werking van de (onbewust waargenomen) geestelijke wereld wordt steeds zichtbaarder. De moderne mens is langzaam maar zeker zijn verstand aan het verliezen. Zijn denken wordt steeds verwarder, onsamenhangender en tegenstrijdiger. Hij slaagt er niet meer in om orde scheppen in de chaos van zijn gedachten. We herkennen dat verschijnsel in de zogenaamde ‘politieke correctheid’: de mens wordt overspoeld door (christelijke) idealen en omdat hij dat niet beseft, raakt zijn (materialistische) denken verstrikt in tegenstrijdigheden. Voorbeelden genoeg: in naam van de godsdienstvrijheid wordt de vrijheid van meningsuiting aan banden gelegd, in naam van de vrede wordt oorlog gevoerd, in naam van de verdraagzaamheid worden mensen beschuldigd en gedemoniseerd, in naam van de vrouwenemancipatie wordt de hoofddoek verdedigd, in naam van de democratie moeten landen en volkeren zich onderwerpen, in naam van de liefde wordt er intens gehaat, enzovoort, enzovoort. Het is een beschamend schouwspel.

Maar één schouwspel is nog beschamender: de zogenaamde ‘hedendaagse’ kunst. Hier zien we de moderne mens niet alleen volslagen onzin uitkramen, we zien hem ook in bewondering staan voor pispotten, bananenschillen, uitwerpselen en ander afval. Hier is geen verward maar een omgekeerd bewustzijn aan het werk. Het allerlaagste wordt hier als het allerhoogste beschouwd. Wat een normaal mens bewondert, wordt hier verafschuwd, en wat hij verafschuwt wordt bewonderd. Het is een wereld die compleet op zijn kop staat en waar het gezond verstand helemaal uitgeschakeld is. Hier kunnen we zien wat er gebeurt als de moderne mens er niet in slaagt zijn helderziendheid met helder denken te doordringen: hij komt in de onderwereld terecht. Het is niet meer dan logisch dat deze onderwereld juist in de kunst zichtbaar wordt. Meer dan wie ook is de kunstenaar degene die de wereld als een kunstwerk ziet, anders zou hij geen kunstenaar zijn geworden. Meer dan wie ook voelt hij zich geroepen door Christus. En meer dan wie ook wordt hij slachtoffer van het gebrek aan Christusbewustzijn. 

Nergens wordt de tragedie van onze tijd – die een bewustzijnstragedie is – zo duidelijk zichtbaar als in de kunst. Nergens ook wordt ze zo weinig waargenomen. Op geen enkel gebied wordt het heldere, rationele bewustzijn méér ontbeerd dan in de kunst van onze tijd. Die kunst schrééuwt als het ware om bewustzijn, om begrip, om inzicht. Op de meest aanschouwelijke wijze toont ze ons wat er gebeurt als de moderne mens zich zonder bewustzijn overgeeft aan de scheppende krachten die de ontwakende helderziendheid in hem wekt. Hij begint dan pispotten tentoon te stellen, hij gaat vleugelpiano’s met een drilboor te lijf, hij boetseert zijn zelfportret met zijn eigen uitwerpselen, hij neemt deel aan weerzinwekkende rituelen, hij verliest kortom zijn verstand. En net als een Alzheimerpatiënt merkt hij dat niet. Integendeel, hij reageert bijzonder agressief als iemand hem op zijn beschamende gedrag wijst. Hij begint dan te schelden en de betrokken persoon (op zeer overtuigende wijze) verdacht te maken. Hij verzet zich met andere woorden heftig tegen datgene wat hij het meest nodig heeft: bewustzijn. 

Dat is de tragedie van de kunst van onze tijd: ze toont ons de onderwereld en … we zien het niet. We maken geen onderscheid tussen een pispot en een schilderij van Rafaël. Een kakmachine of het Lam Gods van Van Eyck: het is allemaal kunst in onze ogen. Of een kunstwerk nu geïnspireerd wordt door de bovenwereld van Christus of de onderwereld van de Antichrist, we reageren altijd op dezelfde manier: door te applaudisseren, door te bewonderen, door ons over te geven, door lief te hebben. Dat is wat de ‘hedendaagse’ kunst bewerkstelligt: we leren de Antichrist liefhebben en Christus haten – met geheel ons hart, met geheel onze ziel en met al onze krachten. En we beseffen het niet, integendeel, we zijn ervan overtuigd dat het net omgekeerd is. Wee dan ook degene die het waagt om iets negatiefs te zeggen over onze liefde voor de ‘hedendaagse’ kunst! We beschouwen hem als de Antichrist zelve …

Dat is het ‘grootst mogelijke onheil’ waarvoor Rudolf Steiner ons waarschuwde: als de mensheid zich niet bewust wordt van de wederkomst van Christus, dan zal ze hopeloos verliefd worden op de Antichrist. Niets zal haar daarvan kunnen weerhouden, want de liefde overwint alles. De aarde zal dan inderdaad herschapen worden in een ‘planeet van liefde’ zoals Steiner voorspelde, maar het zal niet de liefde voor Christus zijn die de substantie vormt van deze nieuwe wereld, het zal de ‘omgekeerde’ liefde zijn, de liefde voor de Antichrist. De aarde zal ‘de planeet van de haat’ worden. Bij dat vooruitzicht verzinken alle rampen in het niets en daarom werd Rudolf Steiner gezonden om de mensheid te waarschuwen. Daarom heeft hij de antroposofie in het leven geroepen: niet om onze helderziende krachten te ontwikkelen, maar om ons bewustzijn te ontwikkelen, om ons te leren onderscheid te maken op geestelijk gebied, zodat we ons – verblind door liefde – niet in de armen van de Antichrist werpen. 

Daarom wordt de antroposofie ook geïnspireerd door Michaël, wiens naam betekent: wie is als God? Deze vurige geest zegt ons niet wie als God is, want dat zou onze vrijheid in het gedrang brengen. Hij stelt alleen de vraag, ja hij is die vraag. De menselijke vrijheid is de inzet van het hele mensheidsdrama, van de hele schepping, en juist daarom worden we op het keerpunt der tijden voor de keuze geplaatst tussen Christus en de Antichrist. Het spreekt vanzelf dat die keuze niet gemakkelijk kan zijn. Integendeel, het is de moeilijkste keuze waarvoor we kunnen komen te staan. Alles wat we vandaag in de wereld zien gebeuren, vertelt ons hoe ontzettend moeilijk het is om voor Christus te kiezen. Het vergt het uiterste van ons om niet meegesleurd te worden in de vicieuze cirkel van haat en geweld die de Antichrist creëert. De zuigkracht die van hem uitgaat is werkelijk ontzettend en wie denkt hem te kunnen weerstaan, vergist zich schromelijk. Het enige wat we bij deze ‘neerdaling ter helle’ kunnen doen, is wakker blijven. Dat is ook wat Rudolf Steiner zijn leerlingen steeds weer op het hart drukte: blijf wakker, laat je bewustzijn niet in slaap wiegen. Dat is waar het in de antroposofie om gaat: blijf onderscheid maken, blijf zoals Michaël de vraag stellen: wie is als God? Wéés die vraag, met geheel je hart, met geheel je ziel en met al je krachten. 

Advertenties