De gouden doos

door lievendebrouwere

  
Ik heb op deze blog al vaak verteld over mijn jaren aan de Mechelse academie. Deze oude en ‘koninklijke’ academie oefende in het Mechelen van 50 jaar geleden een grote aantrekkingskracht uit op oud en jong. Die aantrekkingskracht ging uit van de geest die deze academie bezielde, een geest die was aangestoken door … asielzoekers. In de jaren ’60 van de vorige eeuw was de Antwerpse academie namelijk veroverd door de barbaren van het modernisme, en nogal wat kunstenaars en leerkrachten waren daarvoor op de vlucht gegaan. Ze hadden onderdak gevonden in het nabij gelegen Mechelen, een slaperige provinciestad met een roemrijk verleden, waar de plaatselijke academie net een nieuw gebouw had gekregen aan de voet van de St.Romboutstoren, op de plek waar ooit een minderbroedersklooster had gestaan waarvan alleen nog de kerk overbleef. Daar kreeg de ‘Antwerpse geest’ een nieuwe, eigentijdse vorm – niet alleen qua gebouw maar ook qua pedagogie – en beleefde ze een schitterende St.Michielszomer, een gouden nabloei.

Tien jaar lang, van m’n 11de tot m’n 21ste heb ik mij daar ’s zondags (en later ook ’s zaterdags) gekoesterd in de stralen van deze (geestelijke) gouden zon. Wat haar stralen in mij wakker maakten, gaf mij de kracht om mijn leven lang te vechten tegen de ‘moderne barbaren’. Veel mensen beschouwen dat ongetwijfeld als een zielige eenmanskruistocht tegen de ‘hedendaagse’ kunst, een uiting van mijn onvermogen om mee te gaan met mijn tijd. Maar ik blijf gewoon trouw aan de geest van mijn jeugd, een geest die In mijn ogen veel moderner is dan de zogenaamde modernen. Want deze laatsten erkennen hun onvermogen niet, ze verbergen het achter arrogantie en agressie. Ze kunnen niet accepteren dat de zomer voorbij is en de herfst aangebroken. Het scheppende werk is gedaan en waar het nu om gaat is het bewaren van de opbrengst, het voorbereiden van de winter. En dat is wat er aan de academie van Mechelen gebeurde: de quintessens van het verleden werd er bewaard, op actieve wijze bewaard zoals bijen dat doen die de nectar van de bloemen verzamelen en er honing van maken. 

Dat alles gebeurde op een zeer oude plek, in het historische centrum van Mechelen. Als hoofdstad der Nederlanden had Mechelen ooit zeer steile ambities, die belichaamd werden door de indrukwekkende St.Romboutstoren die de hoogste ter wereld moest worden, maar symbolischerwijze nooit een spits kreeg. Daarna zakte Mechelen weg in een diepe slaap, en dat was de stad die ik als knaap leerde kennen: een stad waar iedereen sliep. We woonden aan de rand ervan en iedere zondagochtend fietste ik in alle vroegte naar het centrum. Ik volgde de Dijle, stak ze over  via de oude Winketbrug met haar vier torens, reed door stille smalle straatjes en bereikte ten slotte de Melaan waar ik de Minderbroedersgang indook, een soort flessehals die uitmondde op een pleintje aan de voet van de St.Romboutstoren. Op die wekelijkse fietstocht kwam ik geen levende ziel tegen. Alles verkeerde in diepe rust. In de zomer was het heerlijk, in de winter spannend. Ik genoot ervan om in helemaal in mijn eentje die oude slapende ziel binnen te dringen en haar centrum te bereiken, de academie, waar het bruiste van kunstzinnig leven en waar jong en oud samen kwamen om hard te werken. 

Ik zwierf tijdens de lessen graag door de grote lege gangen van de academie. Het was er zo mogelijk nog stiller dan buiten. Ik kwam er ook nooit iemand tegen want iedereen was ijverig aan het werk. Ik had het hele gebouw voor mij alleen. De tekeningen en schilderijen hingen roerloos aan de muren, de gipsen beelden stonden er tussenin en getuigden van een ver verleden. Soms kroop ik op het dak en had daar een adembenemend uitzicht op de slapende stad met zijn talloze kerktorens. Ik kon me bijna nog in de Middeleeuwen wanen. Maar in het centrum van die middeleeuwse stilte bruiste het van leven. Je kon het niet horen – het geschraap van houtskool over papier of van penseel over doek drong niet door muren heen – maar je kon het wel voelen. Het was alomtegenwoordig in de academie, het straalde zelfs uit over de slapende stad en vermengde zich tegen de middag met de beiaardklanken die van de St.Romboutstoren naar beneden dwarrelden als herfstbladeren. Het was een innerlijk leven, een intense geestelijke activiteit die haar sporen naliet op papier en doek, maar ook in de ziel van de leerlingen. Dat was het mooiste van alles, het hart van de hele betoverende sfeer: iedereen werd weer onschuldig. Van groot tot klein, van bedrijfsleider tot werkloze: allemaal werden ze weer spelende kinderen, allemaal werden ze echt mens. 

Dat is wat ik aan de Mechelse academie gezien heb met mijn eigen ogen, wat ik er met mijn eigen handen bewerkstelligd heb, wat ik er diep in mijn hart heb opgenomen: de mens kan weer onschuldig worden, de mens kan weer kind worden en ‘het koninkrijk der hemelen’ binnen gaan. Het is hard werken en het luistert zeer nauw, maar het is mogelijk. En het is het mooiste wat je kunt meemaken: een stukje eeuwigheid beleven in een zeer, zeer tijdelijke wereld. Maar zoals alles had het ook zijn keerzijde. Aan de overkant van de Melaan lag namelijk mijn school, die ironisch genoeg het Scheppersinstituut heette. Pas later zou ik begrijpen welk omen in deze nomen verborgen zat. Hier heerste niet de gouden zon van de academie maar het kille maanlicht van de moderne wetenschap. Groter tegenstelling was niet denkbaar. De grens tussen beide was heel scherp en duidelijk. Ze mocht onder geen beding overschreden worden, de ‘wetenschappelijke’ regels waren onwrikbaar. Tenminste tijdens mijn jeugd. Toen ik veertien jaar later terugkeerde naar de academie bleek de grens wél overschreden te zijn: de kille geest van de wetenschap was de wereld van de kunst binnengedrongen. 

Dat had die maan-geest natuurlijk al veel vroeger gedaan. Het was de reden waarom al die Antwerpse leerkrachten naar Mechelen waren gevlucht, de stad van de Maneblussers tussen haakjes. Hier vond de zonne-geest van de kunst nog even soelaas voor het maan-geweld van de ‘barbaren der moderniteit’. Maar de zonsverduistering was overmijdelijk. Bij mijn terugkeer was ik er getuige van hoe de kilte van de dood de hele Mechelse academie in zijn greep kreeg. Symbolischerwijze werd aan de voet van Rik Wouters’ beeld ‘Huiselijke zorgen‘ inderdaad een (nachtelijke) moordpoging ondernomen. Het paste allemaal in het beeld van een academie die werd veroverd door ‘de overkant’, door de tegenovergestelde geest, de kille geest van leugen, bedrog, naijver, competitie, enzovoort. De vormen van de zonne-geest hielden nog wel een tijdje stand, maar de geest zelf was verdwenen. Hij was nog slechts een herinnering. Ik was getuige van de langzame ontbinding van zijn ‘lichaam’. 

Het begon, als ik me goed herinner, met de restauratie van beide kerken: de Minderbroederskerk die tegenover de academie lag en de St.Romboutskathedraal die er vlak naast lag. De hele zijmuur van de Minderbroederskerk was bedekt met klimop. Hij zat vol met vogels die wedijverden met de beiaard van de St.Romboutstoren. Het was een plezier om ernaar te kijken en te luisteren. De toren zelf werd ook gerestaureerd. Hij zag er donker en mysterieus uit, als een  kostbaar stuk antiek bedekt met het patina van eeuwen. Toen dat verwijderd was zag de toren er vlekkerig uit, hij had een flink stuk van zijn karakter ingeboet. Idem voor de binnenkant van de kathedraal, die was ter gelegenheid van het bezoek van de Poolse paus helemaal witgekalkt. Het was een ontzettende aanslag op zowel toren als kathedraal. Ik herinner me nog dat ik in de etsklas zat, de vensters stonden open, het was lente. De werklieden op de stellingen die de St.Romboutstoren bedekten waren luidkeels aan het zingen en ik begon mee te zingen, heel luid en heel vals. Het klonk als een gigantische vloek in de immer stille etsklas, maar het was het enige wat je kon doen: de zaken overdrijven, dan leken ze in werkelijkheid iets minder erg. Want het wás erg. Zien hoe de stoffelijke resten van een geliefde geest langzaam wegrotten is in de natuur misschien wel aangenaam maar niet in de cultuur.

Ik ben later nooit meer teruggekeerd naar de academie, maar een enkele keer passeerde ik er nog wel eens en zag dan tot mijn ontzetting dat het van kwaad tot erger ging. Eerst verdween het beeld van Rik Wouters dat altijd in het midden van de voortuin had gestaan. Ik zou later ergens lezen dat niemand wist waar het was en ik geloof niet dat het intussen al weer opgedoken is. Nadien werd de Minderbroederskerk gerestaureerd. De muur van klimop verdween en werd vervangen door iets met veel blinkend glas. Ook de tuin verdween: hij werd een parkeerplaats waar iedereen in en uit kon rijden want het witte hekken dat de academie vroeger afschermde van de buitenwereld was eveneens verdwenen. Later verrees er op die kale parkeerplaats een enorme modernistische constructie die god weet waarvoor diende. Van toen af begon ik de plek te mijden. Ik kon het niet langer aanzien. Het was alsof een kwaadaardige geest zijn woede aan het koelen was op een plek waar hij vroeger niet binnen mocht. 

Toch kreeg ik vandaag nog een schok toen ik in de krant (van mijn buurman, die een weekje op reis is) een foto zag staan van de jongste aanslag. Ik moest meteen denken aan de stadshal van Gent. Precies dezelfde geest spreekt uit de ‘gouden doos’ die ze op het plein voor de academie hebben neergepoot: een schreeuwerig ‘hedendaags’ gebouw midden in het historische centrum. Het vloekt als een ketter met zijn omgeving, het is als een obsceen uitgestoken middenvinger naar het beste wat de Europese beschaving heeft voortgebracht. Wellicht mag Mechelen nog blij zijn dat het geen gigantische pispot is geworden. Maar dozen zijn in. Je ziet ze vandaag overal verschijnen: de hedendaagse architectuur is een schoendozen-architectuur. De Mechelse ‘doos’ staat op de plaats van het vroegere Ernest-Wijnantsmuseum, dat ze blijkbaar gewoon hebben afgebroken Nu kan ik niet ontkennen dat het academiegebouw zelf heel sterk op een schoendoos lijkt. Maar enerzijds is het een heel bescheiden gebouw, en anderzijds is het heel functioneel. Het is namelijk zo gebouwd dat het in tijden van oorlog meteen kan veranderd worden in een ziekenhuis. Dat was de deal.

Ik heb die symboliek altijd weten te appreciëren: de rol van de kunst in onze moderne tijd is therapeutisch, genezend. Onze tijd is ziek en het enige echte geneesmiddel is de kunst. Want de kunst maakt de mens weer onschuldig, ze maakt het kind weer in hem wakker, ze brengt hem weer in contact met het ‘eeuwige’ in zijn ziel. Daar ligt ook de oorzaak van zijn ziekte, de ziekte van het materialisme. Als de mens ook de kunst nog verliest, zal hij niet anders kunnen dan de geest geven en tot ontbinding overgaan. Die ziekte is geen ongeluk, zij is het gevolg van een kwaadaardige aanval op de kinderlijke geest van de mens. Het is beslist geen toeval dat de steden van Europa overal in het hart getroffen worden door ‘hedendaagse architectuur’. Als je de Gentse stadshal hebt zien verschijnen, twijfel je niet meer: dit is opzet. Op 100 meter van de plek waar men 100 jaar geleden een aanslag pleegde op het Lam Gods, heeft men nu een onwaarschijnlijk drieste aanval uitgevoerd op het historische hart van Gent. 

Toch kan het nog altijd erger. Dat toont die blinkende schoendoos in de (verdwenen) tuin van de Mechelse academie, aan de voet van de St.Romboutstoren. Het is bijna hallucinant. Wie bedenkt zoiets! Maar juist door deze vraag niet emotioneel-retorisch maar nuchter-rationeel te stellen, komen er merkwaardige dingen aan het licht. De blikken doos herbergt namelijk ‘figurentheater De Maan’. Dat is de opvolger van het oude Mechelse stadspoppentheater dat in het oude historische gebouw ernaast gehuisvest was. Dit kindertheater dringt nu brutaal het gebied van de academie binnen. Een heel museum moet ervoor tegen de vlakte. Nu ging ik als kind van 11 jaar reeds naar de academie. Ik zat er in dezelfde klas als mensen van 77 jaar. Er werd geen onderscheid gemaakt in leeftijd: kunst was voor iedereen hetzelfde, ze richtte zich tot het kind-in-de-mens, ongeacht hoe oud die mens was. Ze wekte dat kind op tot actief spelen, tot scheppend spelen. In het stadspoppentheater – figurentheater klinkt natuurlijk veel volwassener – blijven kinderen louter toeschouwer. Daar is op zich niks tegen, maar als het toeschouwer-zijn de scheppende activiteit aan de kant dringt, dan is er wél iets tegen, dan schuilt daar een anti-kinderlijke en ook anti-menselijke geest achter.

Die geest komt ook tot uitdrukking in zijn ‘lichaam’, dat wil zeggen in zijn gebouw. Er is niks kinderlijks aan die extreem kale, abstracte schoendoos-vorm. Hij lijkt op een gouden kooi, een gevangenis. Er is ook niks kinderlijks aan de schreeuwerige agressiviteit ervan, tenzij in negatieve zin, in de zin van een kind dat in een oude, volwassen wereld wanhopig om aandacht schreeuwt en baldadig en gewelddadig wordt. De geest die hier aan het werk is gebruikt het verwaarloosde kind-in-de-mens om verwoestingen in de menselijke ziel aan te richten. En hij doet dat in naam van het kind. Dat kunnen we niet alleen aflezen aan zijn inhoud – een poppentheater – maar ook aan zijn uiterlijk: de gouden kleur. De kille maan-geest die al 40 jaar bezig is de Mechelse academie te slopen doet zich voor als een zonne-geest, hij doet zich voor als de oorspronkelijke geest van de academie, de stralende geest die ik nog gekend heb en die hij weggejaagd heeft, zoals hij hem overal weggejaagd heeft. En zo kan hij ongestoord al het oude, maar ook – en vooral – de kiem van het toekomstige vernietigen. Want dat is wat ik – en velen met mij – aan de academie van Mechelen beleefd heb: hoe het eeuwenoude geruisloos, in alle stilte, overging in het nieuwe, het waarlijk nieuwe. Daarvoor moet die academie nog altijd boeten, daarom wordt deze ooit ‘heilige’ plek systematisch verkracht en vernield, zoals zoveel heilige plekken tegenwoordig. En het gaat daarbij niet om het verleden, het gaat om kiem van de toekomst die dat verleden verbergt. Daar zijn de aanvallen van de (zichzelf met goud bekledende) antichristelijke maan-geest tegen gericht. 

  

Advertenties