Kunstzinnig onderzoek en de actualiteit

door lievendebrouwere

  

‘De disharmonieën van de wereld zullen een andere loop nemen wanneer de mensheid eenmaal zal inzien wat het geestelijk licht dat wij met onze geesteswetenschap beogen, in haar hart vermag te ontsteken. Vergeleken met de droefenis over het lot van Europa, is de weemoed over onze beweging slechts gering. Vol weemoed heb ik deze woorden tot u gesproken, maar ook in de volle overtuiging dat, welk lijden de bevolking van Europa in de nabije of verre toekomst ook te wachten staat, er in ons toch het vertrouwen kan zijn dat de geest de mens zegevierend door alle woelingen zal leiden. Werkelijk, ook in dagen van droefenis, mogen we, ja moeten we spreken over de heilige aangelegenheden van onze geesteswetenschap. Want al lijkt de zon van onze geesteswetenschap op dit moment nog zo klein, we mogen toch geloven dat die zon groter en groter zal worden en steeds lichter en stralender zal worden – een vredeszon, een zon van liefde en harmonie voor alle mensen. Het zijn woorden, beste vrienden, die ons doen beseffen dat we ons met des te meer innigheid en overgave aan de beperktere aangelegenheden van onze geesteswetenschap mogen wijden, juist nu zulke ernstige tijden voor de deur staan.’

Rudolf Steiner sprak bovenstaande woorden in Dornach op 26 juli 1914, tijdens een voordracht over ‘de scheppende wereld van de kleur’ waarin hij onder meer ook nog het volgende zei:

‘En zo is die koele, en zelfs kille, verhouding ontstaan die mensen tegenwoordig tot de kunst hebben. Denkt u maar eens aan iemand die in een moderne stad een galerie of een schilderijententoonstelling bezoekt. Wat hem daar vanaf de wanden tegemoet komt is niet iets wat zijn ziel beweegt, het is niet iets waar hij innerlijk mee vertrouwd is. Integendeel, het is als een opeenstapeling van raadsels, die hij pas kan oplossen als hij zich gaat verdiepen in de bijzondere relatie die de kunstenaar met zijn onderwerp heeft. En terwijl hij denkt kunstzinnige raadsels op te lossen, is hij in feite bezig met onkunstzinnige vraagstukken, psychologische vraagstukken, wereldbeschouwelijke vraagstukken. Je zou kunnen zeggen: onze kunstenaars zijn geen kunstenaars meer, het zijn filosofen geworden die vorm geven aan hun wereldbeschouwing. Maar dat is geen kunstzinnig vraagstuk. De essentie van het onderzoek naar het hoe van de kunst is in onze tijd vrijwel volledig verloren geraakt. Vaak ontbreekt daar ieder gevoel voor.’ 

Advertenties