Waale zaan van Meulebeik! (2)

door lievendebrouwere

  

Wat de afgelopen dagen in Molenbeek werd vastgesteld, stond al jaren in de sterren geschreven, en toppunt: iedereen wist het. Er was om te beginnen de reportagereeks van de Belgisch-Marokkaanse Hind Fraihi in Het Nieuwsblad in maart 2005, Undercover in Klein-Marokko: achter de gesloten deuren van de radicale islam. Die werd in 2006 uitgewerkt tot een boek dat verscheen bij Van Halewyck. Daarin klaagde de dappere jongedame aan dat zich in Molenbeek een verregaande islamisering voltrok die van de gemeente stilaan een moslimenclave in België maakte, met netwerken die actief vrijwilligers ronselden voor de jihad. Ze herhaalde dat in een interview na verschijnen van het boek in De Standaard. Zij herhaalde het nog eens in een interview in De Morgen, dat probleemloos en met bronvermelding werd overgenomen op de multiculturele site Kifkif

(Eddy Daniëls, 2015)

Zeggen dat er in de straten van Molenbeek (alweer) een generatie jongeren opgroeit voor galg en rad, is allang niet moedig of taboedoorbrekend meer. Verstandige mensen, van links en rechts, waarschuwen daar al jaren voor. Politiek verantwoordelijk voor die voortschrijdende ellende is Philippe Moureaux, burgemeester sinds 1992 en allround sterke man van de PS in de hoofdstad. Ideologische verblinding en met name de weigering om jongeren krachtig te begeleiden naar een job zijn een verklaring voor de beschamende werkloosheidscijfers in het gewest. De toestand van het Franstalige onderwijs in de hoofdstad is er een andere. Opnieuw is de verantwoordelijkheid van de politici van de generatie van Philippe Moureaux of Charles Picqué verpletterend. Om de verderfelijke spiraal te doorbreken in gemeenten die er niet in slagen zichzelf democratisch te verversen, zijn ingrijpender maatregelen nodig. Eigenlijk zou een hogere overheid dit soort falende gemeenten onder curatele moeten plaatsen.’

(Bart Eeckhout, 2009)

Twintig jaar geleden was ik ervan overtuigd dat de jonge nieuwe Belgen snel geassimileerd zouden worden. Maar nu is in Brussel een generatie van rebels without a cause opgegroeid die zich altijd verongelijkt en te kort gedaan voelt. Nooit voor iets verantwoordelijk, het is altijd de fout van iemand anders: van de overheid, van de racistische Belgen. En ook binnen hun eigen families blijven de jonge Maghrebijnse mannen onaantastbaar. Toen de politie in Molenbeek een jongen oppakte, organiseerde de vader meteen een betoging omdat zijn zoon “nog geen appel zou stelen”. De inspanningen van de overheid in de probleemwijken hebben ervoor gezorgd dat de jongeren de noodzaak niet voelen die te verlaten, toonde een ULB-studie vorig jaar aan. Zo creëer je de bekrompenheid van een dorp in de grote stad. De jonge allochtonen mogen dan wel de Belgische nationaliteit hebben, enige identificatie met dit land hebben zij niet. Integendeel: ‘Belge’ is een scheldwoord…
Jonge vrouwen alleen zie je overigens bijna nooit in de wijk. En zeker niet in de cafés: daar worden ze zelfs niet gedoogd. Toen een medewerkster van de gemeente er een koffie vroeg, werd haar snel duidelijk gemaakt dat ze er niet moest op rekenen om bediend te worden. 
Een Frans-Marokkaanse kunstenaar stelde tot vorige week een merkwaardige installatie tentoon in Brussel: een reeks bidtapijtjes met schoenen. De kunstgalerij kreeg onmiddellijk dreigtelefoons, het glas voor het kunstwerk werd bespuugd en beschadigd. De commotie kwam er omdat er bij één bidtapijtje rode vrouwenhakken te zien waren. De kunstenaar wou op die manier ‘de plaats van de vrouw in de Islam’ aankaarten. Maar dat kan al niet meer in Brussel: na een paar dagen werd het kunstwerk verwijderd.
Misschien moeten we ons eens afvragen hoe het komt dat we aanvaard hebben dat principes als de vrijheid van de kunstenaar en gelijke rechten voor man en vrouw niet voor iedereen gelden in dit land. Waarom durven wij niet opkomen voor wat eigenlijk essentieel is: respect voor de wetten en de waarden van het land waarin wij leven? 

(Lucas Vander Taelen, 2009)

In Molenbeek kende oud-burgemeester Philippe Moureaux iedereen. Hoe de PS’er de familie Abdeslam aan hem schatplichtig maakte, illustreert zijn jarenlange cliëntelisme. ‘Ach kom,’ countert hij zelf, ‘straks ben ik nog het meesterbrein achter die aanslagen.’

Moureaux en de familie Abdeslam, ze hebben een lange gemeenschappelijke geschiedenis. Te beginnen in 1998. De twee broers Brahim en Salah stichten dan brand in hun ouderlijk huis. De oudste broer is amper 14. Het huis vliegt volledig in de fik, en ook het gebouw ernaast raakt zwaar beschadigd. Moureaux gaf de ouders van de broers daarna een woning van de gemeente. 

(Tine Peeters, 2015)

Advertenties