Kunst contra terreur

door lievendebrouwere

  

In Rushdies nieuwe boek, Twee jaar acht maanden en achtentwintig nachten, handelt de demon Zumurrud in opdracht van de puriteinse filosoof Ghazali die het liefst alle vreugde tot as zou doen vergaan. Hij stuurt een moordzuchtige bende nitwits uit. Ze gruwen van schilderkunst, beeldhouwkunst, muziek, theater, film, journalistiek, hasj, stemmen, verkiezingen, individualisme, afwijkende meningen, plezier, geluk, biljarttafels, gladgeschoren kinnen (bij mannen), vrouwengezichten, vrouwenlichamen, vrouwenscholing, vrouwensport, vrouwenrechten. Het vat zo’n beetje samen waarop ook in Parijs is geschoten. Salman Rushdie: ‘Plezier is de vijand. Wat de aanslagplegers zo ondraaglijk vinden, is dat mensen zich amuseren. Ze sloegen toe op plekken waar jongeren met de meest diverse achtergronden samenkomen voor hun plezier. Er spreekt een extreem puritanisme uit de ideologie die we hier aan het werk zien. Mensen die vrouwen kidnappen, verkrachten en tot seksslaven maken, noemen Parijs een stad van prostitutie. De hoofdstad van gedwongen prostitutie is vandaag nochtans Raqqa.’

Deze woorden brachten me op een idee. Het is duidelijk dat we het terrorisme aan de bron moeten aanpakken. Om te beginnen moeten al die haatpredikers, extremistische imams en IS-ideologen, die nu ongestoord hun vergiftigende werk kunnen doen, het land worden uitgestuurd. Maar repressie alleen zal niet genoeg zijn. Er moet ook een ‘ontgifting’ plaatsvinden. En daarbij denk ik in de eerste plaats aan humor. Jonge, idealistische mensen zijn tegen alles bestand wanneer ze ontvlammen voor een of ander idee. Het is als met verliefden: hoe meer je tegen hun verliefdheid in gaat, des te sterker wordt ze. Maar tegen één ding zijn ze niet bestand, en dat is dat er met hen gelachen wordt, echt hartelijk gelachen alsof het een kostelijke grap is wat ze doen of zeggen. Daar moest ik aan denken toen ik die woorden van Rushdie over Parijs en Raqqa las. Stel dat zo’n moslimzeloot je om de oren slaat met verwijzingen naar het zedenloze Parijs en je barst in lachen uit en zegt: zoals in Raqqa zeker! Zou hij dan niet even met zijn mond vol tanden staan? Zou hij dan niet even gaan twijfelen en nadenken? Stel dus dat je erachter komt welke ideeën die moslimjongeren het meest overtuigen en je stelt daar dan telkens voorbeelden tegenover waaruit blijkt dat die ideeën eigenlijk om te lachen zijn: zou dat niet veel beter werken dan alle sentimentele verhaaltjes over de mensenrechten en lief zijn voor elkaar?

Onlangs was Anna op bezoek. ’t Is een lief kind, daar niet van, maar als ze haar zin niet krijgt, wordt ze nogal, euh … explosief. We zaten aan tafel taart te eten. Ze had al twee stukken gehad, maar het was hele lekkere taart en ze wilde nóg een stuk. Dat kreeg ze niet en meteen begon ze te ‘bokken’: armen over elkaar, schouders omhoog en een gezicht dat de toorn Gods moest uitbeelden. Iedere poging om haar weer gunstig te stemmen, beantwoordde ze met gesnauw of gekrijs. Leuk was anders. Dus sloeg ik ook mijn armen over elkaar, trok m’n kop tussen de schouders, en zette m’n meest norse gezicht op. ‘Ik wil óók taart!’, zei ik gemelijk. Maar je hebt al twee stukken gehad, antwoordde An. ‘Kammeniet schelen’, zei ik kwaad, ‘ik wil nóg een stuk.’ Anna begreep meteen dat ik haar imiteerde en werd nog bokkiger. Maar ik volgde, ik deed er nog een schepje bovenop. Nu ontstond er in Anna een hevige innerlijke strijd tussen haar gebelgdheid en haar gevoel voor humor. Ze verloor die strijd natuurlijk, maar het was wel een bevrijdende nederlaag: haar kwaadheid was snel vergeten. 

En dus stel ik bij wijze van war on terror voor om nog even te wachten met het wegsturen van de haatpredikers en eerst bij hen in de leer te gaan, om hen daarna des te beter te kunnen parodiëren. Voorwaarde is echter wel dat die parodieën … kunst zijn, dat wil zeggen dat hun kwetsende aard overtroffen wordt door hun humoristische kwaliteiten zodat je er ondanks jezelf moet om lachen. Dat is een kunst die ze bij Charlie Hebdo nog niet onder de knie hebben. Maar het is dan ook veel moeilijker om parodieën en karikaturen te maken die meer humoristisch dan kwetsend zijn. Je moet het echter kunnen leren, en daarom mag er geen sprake zijn van censuur. Salman Rushdie is het daarmee eens: ‘Na de aanslagen op Charlie Hebdo ergerde ik mij aan enkele vrienden die vonden dat (de schrijversvereniging)  PEN het blad niet moest eren. Dat er grenzen waren aan de vrijheid van meningsuiting. Wel, die zijn er niet. Ik verdraag de suggestie niet dat de tekenaars van Charlie Hebdo de aanslag ook een beetje zelf gezocht hadden.’ 

Het probleem met Charlie Hebdo is niet dat de tekeningen (en teksten) vaak kwetsend zijn. Het probleem is dat ze niet beter zijn, dat ze niet humoristischer zijn. Het gaat niet om vrije meningsuiting (die zou vanzelfsprekend moeten zijn), het gaat om … kunst. Natúúrlijk mogen karikaturisten, cartoonisten en satirici kwetsen. Natuurlijk mogen ze al hun demonen loslaten in hun tekeningen en teksten. Maar als het echte kunstenaars zijn, zullen ze – uit vrije wil – proberen die demonen te overwinnen zodat de humor het wint van het kwetsen, zodat ook de gekwetsten – zoals Anna – hun lach niet kunnen bedwingen en zich gewonnen geven. Dát zou pas een overwinning zijn – niet alleen op de eigen demonen maar ook op die van de ‘vijand’! Daarom ben ik ervan overtuigd dat kunst ons enige echte wapen is in de strijd met de terreur. En daarmee bedoel ik uiteraard geen ‘hedendaagse kunst’…

Advertenties