Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: januari, 2016

Antroposofie en sexualiteit (3)

  

De sleutel tot de sexuele problematiek ligt volgens Rudolf Steiner in de polaire geslachtsdrang van het etherlichaam: mannen hebben een vrouwelijk etherisch lichaam, vrouwen hebben een mannelijk etherisch lichaam. De menselijke sexualiteit beperkt zich dus niet tot het fysieke lichaam, zij strekt zich ook uit tot het etherische lichaam. Van dat fysieke lichaam weten we vandaag heel veel, van het etherische lichaam weten we zo goed als niets. Als antroposoof weten dat het bestaat, maar daarmee is vaak ook alles gezegd. Wie kan zich een voorstelling maken van dat etherische lichaam? Het is volkomen onzichtbaar want het maakt deel uit van de geestelijke wereld. Dat doet het astrale lichaam ook, maar daar hebben we tenminste enig bewustzijn van in de vorm van gedachten en gevoelens. Het etherische lichaam daarentegen ontsnapt aan ons bewustzijn. De reden daarvoor ligt in het feit dat het vandaag nagenoeg samenvalt met het fysieke lichaam. Dat was vroeger niet het geval. De reuzen die zo vaak optreden in sprookjes, legenden en mythische verhalen zijn (helderziend waargenomen) etherische lichamen die veel groter waren dan het fysieke lichaam. Ook vandaag nog kan het etherische lichaam in uitzonderlijke gevallen een ‘reusachtige’ kracht ontwikkelen, bijvoorbeeld wanneer een moeder haar kind wil redden of wanneer psychiatrische patiënten een toeval krijgen. 

In beide gevallen wordt het gewone bewustzijn uitgeschakeld en dat geeft het etherische lichaam de kans om los te breken uit zijn fysieke kluisters. Daaraan kunnen we aflezen dat het denkende bewustzijn het etherische lichaam aan banden legt. Hoe meer de mens denkt, des te meer wordt zijn etherische lichaam gebonden aan de dode materie van zijn fysieke lichaam. Het is juist die nauwe binding die de etherische wereld zo onzichtbaar maakt, want we maken geen onderscheid meer tussen fysiek en etherisch, tussen dood en levend. De etherische levenskrachten op zich zien we niet, de doodskrachten van de fysieke wereld evenmin. We zien alleen het resultaat van hun verbinding en dat interpreteren we louter in fysiek-materiële zin. Datgene wat de dode materie tot leven wekt en vorm geeft – de etherische wereld – wordt niet (h)erkend. Het is voor ons wat water is voor een vis: we leven en bewegen erin, maar we zijn er ons niet van bewust. De etherische wereld is ons levenselement, alles wat we rondom ons zien is etherisch van aard: de planten, de dieren, de bomen, het water, de lucht, de mensen, ja zelfs de stenen – zonder etherische wereld zouden ze niet bestaan. Een louter fysieke wereld is eigenlijk een uitzonderingstoestand. Wat daar nog het dichtst bij komt is de maan: een doodse wereld die (bijna) louter uit stof bestaat. 

Om ons een beeld te kunnen vormen van de etherische wereld moeten we onderscheid leren maken. Tot nog toe hebben we dat vermogen ontwikkeld door onderscheid te maken tussen verschillende dingen. Nu moeten we ook onderscheid maken in de dingen zelf. Wat is er dood (of materieel) en wat is er levend (of etherisch) aan een plant, dier of mens? Paradoxaal genoeg onderscheiden we deze twee dimensies buiten ons door ze in onszelf met elkaar te verbinden als verstand (gebonden aan het fysieke lichaam) en gevoel (gebonden aan het etherische lichaam). De zintuiglijke werkelijkheid hebben we leren onderscheiden door ook in ons bewustzijn scherp onderscheid te maken tussen denken en voelen. De wetenschap (die deze zintuiglijke werkelijkheid onderzoekt) hebben we alleen kunnen ontwikkelen door onze gevoelens het zwijgen op te leggen. Willen we die wetenschap nu ook uitbreiden tot de etherische wereld (en er een geesteswetenschap van maken) dan moeten we verstand en gevoel weer met elkaar verbinden en wat Rudolf Steiner noemt een ‘exacte fantasie’ ontwikkelen. Er is inderdaad heel wat verbeeldingskracht nodig om de etherische wereld te kunnen onderscheiden. Het is een buitengewoon kunstzinnige wereld die alleen op een kunstzinnige manier benaderd kan worden, een bewust-kunstzinnige manier die wetenschap en kunst met elkaar verzoent.

Een voorbeeld kan dat misschien duidelijk maken. Paarden zijn grote dieren, en zoals ze in de wei staan, zijn het massieve gevaarten. Maar wanneer zo’n paard begint te lopen, ondergaat het een verbluffende gedaanteverandering: het danst gracieus op zijn vier dunne benen alsof het opeens gewichtloos is geworden. Wie dat typische ‘dansen’ gadeslaat, voelt dat er een discrepantie is tussen dat zware dier en die lichte beweging. Die dansende beweging kan niet verklaard worden vanuit de fysieke mechanica van beenderen, spieren en pezen. Dat zou nooit die gracieuze kwaliteit opleveren. We merken dat ook aan gedigitaliseerde beelden: hoe gesofisticeerd ze ook zijn, ze kunnen geen beweging weergeven. Alles verloopt hoekig, mechanisch, zoals je dat kunt verwachten van een zuiver fysieke wereld. Maar beweging is etherisch – en dus geestelijk – van aard. De etherische wereld tilt de fysieke wereld als het ware op en overwint de zwaartekracht. Dat is een mysterieus gebeuren dat we niet echt kunnen zien, maar in het geval van het ‘dansende’ paard wel kunnen voelen. En juist door die gevoelswaarneming ernstig te nemen, kunnen we meer leren over de etherische wereld. Bijvoorbeeld door te letten op snelle, plotse bewegingen van een paard of een ander schichtig dier. We zien dan namelijk dat de beweging niet vertrekt vanuit het fysieke lichaam, maar van ergens buiten dat lichaam. 

Om dat te kunnen ‘zien’ moeten we een stapje verder gaan. We moeten onze verbeeldingskracht aanspreken en proberen ons een beeld te vormen van wat we zien en voelen, en wel door deze twee waarnemingsvormen met elkaar te verbinden. Op die manier ontstaat het beeld van een lege ruimte die gevuld wordt. Bij snelle, plotse bewegingen is het inderdaad alsof het fysieke lichaam in een lege ruimte gezogen wordt. Die lege ruimte zien we niet, we hebben ze bedacht. Maar wanneer we ze ‘projecteren’ op die merkwaardige bewegingen, dan ‘voelen’ we dat het beeld klopt. Er wordt als het ware eerst een lege ruimte gecreëerd waarin het fysieke lichaam vervolgens ‘gezogen’ wordt. En dat gebeurt met zo’n snelheid, zo’n kracht en zo’n gratie dat het fysiek eenvoudig niet te verklaren is. Dit beeld van een zuigende lege ruimte vervult eigenlijk dezelfde functie als een begrip: het helpt ons de werkelijkheid te begrijpen. Het verschil is alleen dat de begrippen gegeven zijn, terwijl we de beelden zelf moeten maken. Maar er is ook nog iets anders. Het beeld dat we ons vormen van een etherische beweging is eigenlijk zelf ook een etherische beweging: het is een soort ‘mal’, een lege ruimte die we in ons bewustzijn vormen en waarin vervolgens de zintuiglijke waarneming ‘gezogen’ wordt. Als we voelen dat de inhoud past in de mal, dan hebben we het gevoel begrepen te hebben wat we zien. 

Ook in het plantenrijk kunnen we die etherische dimensie waarnemen, vooral dan in de lente, wanneer de natuur weer ‘in beweging’ komt. Vanuit ons materialistische wereldbeeld – dat bewegingen vanuit een fysiek middelpunt laat ontstaan – interpreteren we het uitbotten van de bladeren onbewust als een beweging van binnen naar buiten. Alsof het groen verborgen zit in de takken of in de grond en door middel van een grote pomp langzaam naar buiten wordt geperst. Pas wanneer we ons verstand gebruiken, beseffen we dat dit (onbewuste) beeld niet klopt. De bladeren zitten niet verstopt in de takken, de planten niet in het zaad, de natuur niet in de aarde. Dat is kinderlijk-naïeve voorstelling van zaken, een mechanistische ook. Wanneer we er proberen achter te komen hoe het dan wél zit, komen we tot de conclusie dat de bladeren – zoals de taal het ook uitdrukt – aan de takken groeien, niet uit de takken. Het groeien vindt plaats buiten het fysieke lichaam van de boom. Het is een onzichtbaar etherisch proces dat zichtbare resultaten oplevert omdat het raakt aan de fysieke wereld en er materie uit ‘opzuigt’. Hetzelfde principe dus dat we ook in de dierenwereld waarnamen. En dat wordt bevestigd door Rudolf Steiner: de planten groeien van buiten naar binnen. Ze vinden hun (uiteindelijke) oorsprong in de kosmos en groeien als het ware naar de aarde toe. 

De etherische wereld is een geestelijke wereld die zich naar de materiële, aardse wereld toe beweegt. Maar ze doet dat niet op een mannelijk-positieve manier, zoals bijvoorbeeld een meteoorsteen die zich aan grote snelheid in de aarde boort. Nee, ze doet het op een vrouwelijk-negatieve manier, door rondom de aarde ‘lege ruimten’ te creëren waarin de zwaartekracht opgeheven wordt en de materie ‘opgezogen’. Dat zijn natuurlijk beelden die ontleend zijn aan de materiële werkelijkheid, maar ze helpen ons om een idee te vormen van de werking en het wezen van de etherische wereld. Eén ding kunnen we uit die beelden alvast opmaken: de etherische wereld is een vrouwelijke wereld. Als Goethe schrijft ‘das ewig Weibliche zieht uns hinan’, dan heeft hij het over de etherische wereld, de ‘wereld van de moeders’. Het is een baarmoederlijke wereld, een lege ruimte waarin de geest de materie kan aangrijpen en vormgeven zoals het Ik van een kind dat doet in de ‘lege ruimte’ van de baarmoeder. De etherische wereld is dus een soort ‘negatief’ van de fysieke wereld, maar beide, de mannelijk-positieve fysieke wereld en de vrouwelijk-negatieve etherische wereld, zijn nodig om de wereld zoals wij die kennen tevoorschijn te brengen. Het mag duidelijk zijn dat positief en negatief hier geen morele begrippen zijn: ze benoemen gewoon een spiegelrelatie en kunnen dus ook omgekeerd gebruikt worden.  

Dit is een eerste grove schets van de etherische wereld, en ze is in zoverre bruikbaar dat ze duidelijk maakt hoe buitengewoon complex de onbewuste, instinctieve relatie tussen man en vrouw is. De man heeft namelijk een vrouwelijk etherisch lichaam en de vrouw een mannelijk etherisch lichaam. In abstracto geeft dat een mooi evenwichtig beeld. Maar in concreto liggen de zaken, zoals altijd, een stuk ingewikkelder. Het fysieke lichaam van de mens is namelijk ‘mannelijk’ vergeleken met het etherische lichaam dat onmiskenbaar ‘vrouwelijk’ is. Dat maakt dat het fysieke lichaam van de man in feite dubbel mannelijk is: als fysiek lichaam én als mannelijk lichaam. Het fysieke lichaam van de vrouw daarentegen is ‘gemengd’: het is vrouwelijk door zijn vorm maar mannelijk door zijn fysieke aard. Op etherisch vlak vinden we bij de vrouw diezelfde ‘gemengdheid’: haar etherisch lichaam is vrouwelijk van aard omdat het etherisch is, maar mannelijk omdat het bij een vrouw hoort. Bij de man is zijn etherisch lichaam dan weer dubbel vrouwelijk. Als gevolg daarvan is de tegenstelling tussen het mannelijke en het vrouwelijke bij de man veel groter dan bij de vrouw. Bij haar liggen de fysieke en de etherische dimensie veel dichter bij elkaar, wat maakt dat de vrouw veel meer een wezen van het midden is, terwijl de man veel meer een wezen van extremen is. 

Deze ‘innerlijke’ karakteristiek bepaalt in hoge mate de uiterlijke relatie tussen man en vrouw. Hij moet een veel grotere afstand overbruggen dan zij, want in de vrouw liggen het mannelijke en het vrouwelijke veel dichter bij elkaar. De man moet meer energie ontwikkelen om de afstand met het andere geslacht te overbruggen, wat tot gevolg heeft dat hij gemakkelijk tegen de vrouw aan ‘botst’ en ook weer terugbotst. De dynamiek van aantrekking en afstoting is bij hem veel groter, wat zijn sexualiteit een explosief, agressief tot zelfs gewelddadig karakter verleent. De vrouw moet lang niet zoveel energie ontwikkelen om de brug te slaan naar het andere geslacht. Zij is op dit gebied van nature veel evenwichtiger en het verzorgen van een relatie is dan ook veel meer haar ding. De man doet weliswaar meer moeite om die relatie tot stand te brengen, maar hij besteedt weinig energie aan het verzorgen en instandhouden ervan. Hij verschiet bij wijze van spreken zijn kruit bij het ‘overbruggen’ van de kloof en valt dan … in slaap. Zijn sexuele dynamiek is dezelfde die we ook in het gevoelsleven terugvinden: een onafgebroken afwisseling van aantrekken (sympathie) en afstoten (antipathie), van Himmelhoch jauchzend en zum Tode betrübt. De sexuele dynamiek van de vrouw, die gericht is op het instandhouden van de relatie, is dan weer verwant met de rustige rede, die gestaag bouwt aan een samenhangend geheel. 

Hoe dieper we doordringen in de etherische sfeer, hoe complexer de beelden worden die we moeten vormen om deze wereld te begrijpen. Vanaf een bepaald punt lukt dat niet meer omdat die beelden ontleend zijn aan de vaststaande zintuiglijke werkelijkheid terwijl de etherische werkelijkheid juist heel beweeglijk van aard is. We moeten dus – en dat is de volgende stap – leren denken in bewegende beelden, beelden die in elkaar overgaan. Het gevaar dat we daarbij lopen, is dat ons denken zijn helderheid verliest. Helder, rationeel denken is namelijk traag denken, het is denken dat steunt op de bewegingsloze materiële werkelijkheid. Om door te kunnen dringen in de geestelijke wereld moeten we dat trage, starre denken weer in beweging brengen, maar dan zonder dat het zijn helderheid verliest. Dat is ontzettend moeilijk. Starre, abstracte vormen kunnen we heel goed denken, maar levende, beweeglijke vormen doen ons duizelen. We kunnen dat heel goed waarnemen aan het moderne denken. Dat wordt vandaag geconfronteerd met een wereld die in beweging is gekomen: volkeren komen in beweging, het klimaat komt in beweging, de politiek komt in beweging, alles komt in beweging, niets staat nog vast. De mens probeert die wereld te begrijpen, maar doet dat met begrippen die ontleend zijn aan een vaststaande wereld, met als gevolg dat zijn denken troebel, verward en onmachtig wordt. 

Onze wereld komt in beweging doordat de geest ons nadert, doordat het ewig Weibliche steeds sterker aan ons trekt en zuigt. We zouden dat – metaforischgewijs – kunnen zien als een sexuele toenadering: de vrouwelijke etherische wereld wil ‘gepenetreerd’ worden door het mannelijke bewustzijn van de mens. Ze wil gekend worden, en dat is alleen mogelijk wanneer ons denken met haar mee kan bewegen zonder zijn heldere structuur te verliezen. Daartoe moeten de mannelijke, rationele kwaliteiten van ons bewustzijn zich verenigen met de vrouwelijke, gevoelsmatige en beweeglijke kwaliteiten. Pas dan ontstaat de ‘hogere mannelijkheid’ die in staat is door te dringen in de ‘hogere vrouwelijkheid’ van de geestelijke wereld. Maar op dit ‘hogere’ gebied – de relatie tussen het menselijke bewustzijn en de geestelijke wereld – verliezen ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ alle sexuele connotaties. We bevinden ons dan in de astrale sfeer en hier wordt sexualiteit een zuivere ken-act. Dit kennend doordringen in de geestelijke sfeer wordt echter wel gespiegeld in de zuiver fysieke sexualiteit. Sex was oorspronkelijk een ken-act en moet – of kan – dat ook weer worden. Daarvoor moet het echter bevrijd worden uit de klauwen van Lucifer en Ahriman, die ons allebei op hun manier beletten om de menselijke sexualiteit als een (bewegend) beeld te zien, als een kunstwerk, a motion picture.   

Vluchtelingen?

  

In de weekendkrant lees ik een reportage over de vluchtelingenkampen langs de Franse kust, van Cherbourg tot Calais. Onder foto’s van primitieve onderkomens, staan commentaren als: ‘huisdieren hebben het hier beter dan wij’. Allemaal weinig opbeurend. Maar op één van de foto’s zie ik een Aziatisch meisje. Ze blijkt te leven in een kamp van … Vietnamese vluchtelingen. Waar zouden die dan wel voor op de vlucht zijn, vraag ik me af, de Vietnam-oorlog is toch allang voorbij? En opeens besef ik dat hier heel wat meer gaande is dan mensen die vluchten voor oorlogsgeweld. Dit zijn werkelijk volksverhuizingen: grote groepen van mensen die van het Oosten naar het Westen trekken. Wat beweegt hen daartoe? Is dat werkelijk alleen maar de oorlog? Of is die oorlog slechts een voorwendsel of een aanleiding, en gaat het om iets dat dieper in de Oosterse ziel sluimert en dat wakker is gemaakt door het oorlogsgeweld? Is er wellicht in Europa iets waar Europa zichzelf niet van bewust is en dat ontelbare mensen uit het Oosten onweerstaanbaar aantrekt, zonder dat ook zij precies weten wat het is? Het feit dat men steeds weer spreekt van vluchtelingen terwijl men er tegelijk van uitgaat dat ze hier zullen blijven en dus moeten geïntegreerd worden, lijkt erop te wijzen dat men onbewust wel weet dat het om iets anders gaat dan een vluchtelingenstroom. Maar tussen dit onbewuste weten en het bewuste discours gaapt een diepe kloof en misschien is dat wel dezelfde als de kloof tussen Oost en West die al deze mensen proberen te overbruggen. Misschien moet de mensenstroom beantwoord worden met een tegengestelde gedachtenstroom en moet het bewuste, rationele ‘mannelijke’ denken zijn terrein verlaten en zich naar de ‘overkant’ begeven, naar het onbewuste terrein van ‘het vrouwelijke’. 

Antroposofie en sexualiteit (2)

  

Volgens Rudolf Steiner was de mensheid nog niet rijp genoeg om de problemen van de sexualiteit aan te pakken. De vraag is of die uitspraak vandaag nog altijd geldig is. La guerre des sexes is weer in alle hevigheid losgebarsten. Bovendien is ze een metafoor is die als geen andere beschrijft wat er in onze tijd gebeurt: de tegenpolen botsen frontaal tegen elkaar. Of we er nu rijp voor zijn of niet, het probleem van de sexualiteit is zo groot en dringend geworden dat we het niet meer uit de weg kunnen gaan. Het is beslist geen toeval dat the clash of civilisations een onmiskenbaar sexueel aspect heeft. De fundamentalistische islam valt de gelijkheid der geslachten aan en dwingt ons om na te denken over de relatie tussen man en vrouw. Maar dat lijken we niet te willen of te kunnen. Als een moslimleider op bezoek komt, worden naakte vrouwenbeelden bedekt. We gaan de confrontatie gewoon niet aan. 

De oorzaak van deze onmacht of onwil ligt natuurlijk in ons materialisme, dat niet in staat is door te dringen tot de geestelijke dimensie van werkelijkheid, en dus ook niet tot die van de sexualiteit. Maar ze ligt ook in een verkeerd begrepen spiritualiteit die zich op een veilige afstand houdt van de materiële werkelijkheid en vooral dan van de lagere natuur van de mens. Aan de ene kant is er dus de materialistische Ahriman die ons de weg verspert, aan de andere kant de spiritualistische Lucifer. De weg die leidt tot een werkelijk begrip van de menselijke sexualiteit is de christelijke middenweg tussen beide tegenmachten. Dat mag geen verwondering baren, want het christendom is de enige religie die de menselijke lichamelijkheid naar volle waarde schat en haar ziet als onverbrekelijk verbonden met het wezen van de mens. Het is de religie waarin het Woord vlees is geworden en God in een menselijk lichaam heeft gewoond. 

De antroposofie belichaamt de esoterische kant van het christendom en er is logischerwijze dan ook geen enkele andere spirituele beweging die zoveel aandacht schenkt aan de menselijke lichamelijkheid. Ze onderscheidt zelfs drie verschillende lichamen – het fysieke, het etherische en het astrale – en precies in dat onderscheid ligt het antwoord op het raadsel van de sexualiteit. Rudolf Steiner mag dan heel weinig gezegd hebben over dat raadsel, hij heeft ons wel de sleutel gegeven waarmee we de deur kunnen openen. Die sleutel is de polaire geslachtsdrang van het etherlichaam. Daarin ligt volgens hem hét antwoord op de sexuele problematiek. Wat wordt daarmee bedoeld? Heel eenvoudig (althans in theorie): de man heeft een vrouwelijk etherisch lichaam, de vrouw een mannelijk etherisch lichaam. Ieder mens draagt in zich dus ook de tegenovergestelde geslachtsdrang. 

Het is dus niet alleen de mensheid als geheel die uit mannen en vrouwen bestaat, ook ieder afzonderlijk mens bestaat uit een ‘man’ en een ‘vrouw’. Het is deze dubbele polariteit die vandaag voor zoveel verwarring en onbegrip zorgt. Nemen we bijvoorbeeld de sexuele agressie die feministen als drukkingsmiddel gebruiken tegen de man. De kracht van dit ‘wapen’ ligt in de overtuiging dat vrouwen sexueel niet agressief zijn, en op fysiek vlak zijn ze dat inderdaad niet: ze beschikken eenvoudig niet over het vereiste instrumentarium. Maar op etherisch vlak zijn ze dat wel: daar gedragen ze zich als mannen omdat ze beschikken over een mannelijk etherisch lichaam. En dat lichaam kan heel zeker agressief zijn, zij het op een andere, meer geestelijke manier, want het etherische lichaam maakt reeds deel uit van de geestelijke wereld, de wereld waarvan het bestaan vandaag in alle toonaarden ontkend wordt.

Hieruit blijkt al dat we nooit tot werkelijk inzicht kunnen komen in de menselijke sexualiteit als we haar alleen op fysiek-materialistische manier benaderen. De sleutel tot haar raadsel ligt in een benadering die zowel haar materiële als haar geestelijke dimensie recht doet, en dat is de kunstzinnig-fenomenologische benadering. De geestelijke dimensie waar het hier om gaat, is in de eerste plaats de etherische dimensie: hier leren we de geest als beeld kennen, als afdruk van levens- en vormkrachten. Hij is hier minder direct aanwezig dan in het astrale gebied waar we hem leren kennen als gedachten en gevoelens. Maar daardoor kunnen we er ook afstandelijker – en dus vrijer – tegenover staan. De sexualiteit beperkt zich tot het fysieke en etherische lichaam, maar ze wordt wel gespiegeld in het astrale gebied: gedachten zijn namelijk mannelijk en gevoelens zijn vrouwelijk. 

De antroposofie is een (geestes)wetenschap en het is eigen aan de wetenschap dat zij ons een wereld toont die onvoorstelbaar ingewikkeld is. In ons (astrale) bewustzijn kunnen de zaken nog simpel zijn: iets is wit of zwart, en iets trekt ons aan of stoot ons af. Deze extreme vereenvoudiging van de werkelijkheid maakt het ons mogelijk om überhaupt een bewustzijn te hebben. Naarmate we dat bewustzijn echter meer naar buiten richten, op de zintuiglijk-materiële werkelijkheid, worden de zaken steeds complexer. Stap voor stap opent zich voor ons een wereld die alle verbeelding tart en die ons dwingt ons bewustzijn voortdurend te verfijnen. Deze materiële wereld dwingt ons ook meer en meer afstand te nemen, wat tot gevolg heeft dat ons bewustzijn steeds abstracter en levenlozer wordt. Dit zeer complexe en zeer abstracte materialistische bewustzijn is de prijs die we betalen voor onze vrijheid. 

Met we betalen ook nog een andere prijs. Hoe abstracter ons bewustzijn wordt, des te groter wordt ook onze behoefte aan leven. Om het met Goethe te zeggen: hoe groter geest, hoe groter beest. Naarmate ons bewustzijn zich schoolt aan de ingewikkelde materiële wereld, des te groter wordt ook de aantrekkingskracht van het primitieve, onbewuste leven. Het klinkt misschien tegenstrijdig dat de moderne mens, met zijn uiterst ontwikkelde wetenschappelijke denken en zijn uiterst idealistische gevoelens, zich laat meesleuren door een stompzinnige guerre des sexes waarin mannen en vrouwen om de macht strijden. Maar het is juist volkomen logisch. Het dode, intellectualistische denken van de moderne mens roept onweerstaanbaar de levende, dierlijke tegenpool op. De verregaande sexualisering van onze tijd staat dus niet op zichzelf, het is een instinctieve poging om het evenwicht te herstellen. 

We kunnen dat evenwicht echter niet bereiken door ons intellectuele denken af te zwakken, want dan verliezen we onze vrijheid weer. We moeten dat denken juist nog versterken om overeind te kunnen blijven in de ‘geestelijke storm’ die over de mensheid raast als gevolg van het feit dat de ‘poorten van de hemel’ weer zijn opengegaan en de mens ‘over de drempel’ gaat. Het onvermijdelijke gevolg is dat ook de sexualisering nog zal toenemen. En dat zien we vandaag gebeuren. De moderne mens is bezeten van sex, niet alleen op fysiek gebied, maar ook op etherisch gebied. La guerre des sexes, the clash of civilisations, de strijd tussen links en rechts, al die frontale botsingen tussen tegenpolen: het zijn allemaal aspecten van de onvermijdelijke sexualisering van de mens. Alleen op geestelijk gebied vindt deze botsing niet plaats: er ontstaat geen intense ideeënstrijd waaruit de waarheid kan geboren worden.

De denkkrachten van de mens zijn een metamorfose van diens voortplantingskrachten. Door de scheiding der geslachten kon de mens een deel van de voortplanting ‘delegeren’ aan het andere geslacht en kon hij de krachten die vrijkwamen gebruiken om zijn denken te ontwikkelen. Vandaag lijkt zich een volgende stap in die ‘vergeestelijking’ van de voortplantingskrachten op te dringen. We moeten met onze intellectuele denkkrachten doordringen in de sexuele krachten (die zich grotendeels hebben losgemaakt van de voortplanting) en deze opnieuw vruchtbaar maken. Doen we dat niet, dan zal het omgekeerde gebeuren: onze sexuele krachten zullen ons denken overspoelen en het tot een werktuig van onze laagste instincten maken. Onnodig te zeggen dat dit vandaag reeds volop gebeurt: ons denken staat steeds minder ten dienste van de waarheid en steeds meer ten dienste van een oeverloze guerre des sexes, een strijd van allen tegen allen.

We staan voor de keuze: ofwel dringen we met ons bewuste denken door in de duistere wereld van de sexuele krachten en creëren we op die manier een levend denken, ofwel laten we de spanningen tussen boven- en onderpool steeds hoger oplopen tot ze uiteindelijk ‘exploderen’. In dat laatste geval kunnen we dan weer opnieuw beginnen tussen de puinhopen. Maar iets wezenlijks verandert er dan niet, behalve dat de puinhopen steeds groter worden en de menselijke ellende steeds onbevattelijker. Zolang we niet naar de kern van het probleem gaan – de relatie tussen de tegenpolen – zal het zich blijven herhalen, tot we het oplossen. Want zo werkt het. We zullen het probleem van de sexualiteit hoe dan ook moeten oplossen, want het zal niet weggaan, wel integendeel. De vraag is alleen: doen we het uit vrije wil – en sparen daarmee veel ellende uit – of wachten we tot we ertoe gedwongen worden? 

Benitootje moet hangen

  

In De Morgen schrijft Ann Van Den Broeck : ‘Het is lang niet zo verwonderlijk dat de zonden van relschoppers als Benito Raman vergeven worden. We geven met plezier tweede kansen aan mensen met macht en lef. Onze buurman daarentegen, die moet langer boeten.’ Deze drie zinnetjes werpen een akelig helder licht op de politiek-correcte mentaliteit. Wat is er namelijk aan de hand? Benito Raman, de jonge speler van AA.Gent die onlangs in het nieuws kwam omdat hij na een wedstrijd ‘alle boeren zijn homo’s’ had gezongen, is uitgeleend aan STVV, een voetbalclub uit Sint Truiden die aan de staart van het klassement bungelt en volgend jaar misschien in tweede klasse speelt. Voor Benito Raman is het nu reeds een degradatie, want in plaats van in de Champions League te spelen met de beste Belgische ploeg van het moment, moet de jonge Gentenaar nu tegen de degradatie gaan vechten in … Limburg. 

In de Middeleeuwen was verbanning een zeer zware straf: de gestrafte werd uit zijn vertrouwde omgeving gerukt en mocht er nooit meer terugkeren. Het overkwam Dante (de schrijver, niet de voetballer) en voor hem betekende het een doodservaring die hij – gelukkig – in een artistieke vorm kon gieten. Wat Benito Raman vandaag overkomt, is eveneens een verbanning. Hij wordt slechts verhuurd, maar de kans dat hij ooit nog naar Gent terugkeert, is klein. AA Gent wilde Raman gewoon kwijt, hij was wel een goede voetballer maar hij was slecht voor het imago van de club. Waarom? Omdat de politiek-correcte pers over hem heen was gevallen na zijn korte zangstonde. Wie het voorval heeft gezien, weet dat het niks voorstelde. In de euforie van de overwinning greep de jonge voetballer de microfoon en zong één keer ‘alle boeren zijn homo’s’. Het was voorbij voor je ’t wist. 

Maar de pc-pers had bloed geroken en sloeg ongenadig toe. Benito Raman kwam in het oog van een mediastorm te staan, zoals dat heet. AA Gent begreep meteen dat er stront aan de knikker was en greep in. Er werd een persverklaring opgesteld waarin de club zich nadrukkelijk distantieerde van ‘de feiten’ en zich verontschuldigde bij zowel de homo- als de landbouwgemeenschap. Raman werd geschorst en kreeg een boete van om en bij de 30.000 euro. Daarna werd het stil, tot het bericht kwam dat Raman naar Sint Truiden moest om waarschijnlijk nooit meer terug te keren. De voetballer verklaarde voor de pers dat hij ‘het als een nieuwe uitdaging ziet’ en meer van die voorgekauwde pr-clichés. Hij begrijpt waarschijnlijk heel goed dat dit zijn laatste kans is, want in de pers waren verschillende stemmen te horen die vonden dat Raman veel te licht gestraft was, dat men een kans gemist had om ‘een voorbeeld te stellen’.

Voor de politieke correctheid was er maar één straf de juiste geweest: een eind maken aan de voetbalcarrière van Benito Raman, hem verbieden ooit nog te voetballen. Dat is ook de overtuiging die doorklinkt in de woorden van Ann Van Den Broeck. Ze vindt het niet kunnen dat deze ‘relschopper’ een tweede kans krijgt. Het is goed om in al die politiek-correcte hysterie even te herinneren aan de ‘vreselijke misdaad’ waaraan Benito Raman zich schuldig heeft gemaakt en waarvoor hij volgens Ann Van Den Broeck niet alleen verbannen maar ook gebroodroofd zou moeten worden: hij heeft één keer gezongen van ‘alle boeren zijn homo’s’. Eén keer. Het duurde nog geen 5 seconden maar het was genoeg om hem voor het leven te brandmerken. Ten bewijze: Raman werd deze week geflitst toen hij aan 150 per uur over de autostrade ‘scheurde’ en dat was breaking news. 

Het ziet ernaar uit dat de pers Benito Raman nooit meer met rust zal laten. De kleinste misstap, het kleinste onvertogen woord, en hij zal opnieuw door het slijk gesleurd worden. Heel slecht voor het imago van de club waarvoor hij speelt natuurlijk, en de kans dat hij dan opnieuw verhuurd of verkocht zal worden, is niet gering. Op die manier zal hij dan steeds lager zakken, steeds minder verdienen, tot hij er helemaal moedeloos van wordt en de pijp aan Maarten geeft. Dat is ongetwijfeld de straf die de politieke correctheid voor deze speelvogel in gedachten heeft. Met minder is ze niet tevreden. Het enige wat er voor Benito Raman opzit, is een politiek volkomen correct leven gaan leiden, liefst met veel verontschuldigingen en boetedoening. Misschien dat Big Sister hem dan vergeeft. Maar vergeten zal ze zijn zonde nooit. 

Culturele schaamte

  

In Frankrijk is een diplomatieke lunch ter gelegenheid van het bezoek van de Iraanse president Rouhani afgelast. Volgens De Morgen was dat omdat de Franse president wijn bij het eten wilde. In werkelijkheid was het net omgekeerd: het waren de Iraniërs die eisten dat er geen wijn op tafel kwam en dat het eten halal was. De arrogantie en onbeschaamdheid van de moslims wordt door de krant dus voorgesteld als een onhebbelijkheid van de Fransen die per se wijn wilden drinken aan tafel. Deze voorstelling van zaken kan model staan voor de houding die Europa aanneemt tegenover de moslimwereld. Deze laatste gedraagt zich als een … kolonisator die zijn eigen normen en waarden wil opdringen. En Europa reageert als een … gekoloniseerd land: het doet alles om de nieuwe baas ter wille te zijn. Wie zich niet wil voegen naar zijn eisen wordt afgeschilderd als bekrompen geest die per se wil vasthouden aan zijn enge ‘eurocentrische’ kijk op de wereld. 

Dat alles gebeurt in naam van de multiculturele samenleving waarin alle culturen op voet van gelijkheid worden behandeld. In de praktijk worden de machtsverhoudingen echter gewoon omgekeerd: de suprematie van de Europese cultuur wordt vervangen door de suprematie van de islamitische cultuur. Gelijkheid zou namelijk betekenen dat alle culturen zichzelf mogen zijn, en dat er bij een diplomatieke lunch in Frankrijk even vanzelfsprekend wijn op tafel staat als er bij een diplomatieke lunch in Iran halal voedsel op tafel komt. Maar zo gaat het helemaal niet. De moslims eisen dat het er in Frankrijk precies zo aan toe gaat als bij hen, terwijl ze er geen moment over denken om in Iran wijn en varkensvlees te serveren als de Franse president op bezoek is. Culturele gelijkheid vinden ze duidelijk onzin, en ze hebben nog gelijk ook. Culturen ZIJN helemaal niet gelijkwaardig. Wie dat toch gelooft, gelooft niet in cultuur. Hij toont zich anti-cultureel. 

Is het principe van cultuur immers niet dat de mens probeert de wereld – inclusief zichzelf – te verbeteren? Dat impliceert een scheiding tussen mens en wereld, een worsteling van de mens met zichzelf. Dieren zijn daar bijvoorbeeld niet toe in staat, ze kunnen zich niet losmaken van hun omgeving of van zichzelf en hebben dan ook geen cultuur. Deze scheiding annex worsteling is essentieel voor iedere cultuur en zet zich dan ook voort tussen verschillende culturen. Culturen groeien door met elkaar te wedijveren. De Europese cultuur bijvoorbeeld heeft een deel van haar grootheid te danken aan haar worsteling met de islam. Daardoor heeft ze krachten ontwikkeld die ze anders niet zou bezeten hebben. Deze eeuwenoude strijd tussen Europa en de islam laait vandaag weer op en er valt veel voor te zeggen dat Europa in die strijd opnieuw krachten moet ontwikkelen die het nu nog niet heeft. Maar anders dan in de Middeleeuwen gaat Europa die strijd niet aan, wel integendeel. 

Het lijkt niets liever te willen dan zich te onderwerpen, voor de lieve vrede. Het doet de ene toegeving na de andere en hoopt op die manier de arrogante, agressieve houding van de moslims te temperen. Maar die moslims geloven niet in de gelijkheid tussen de culturen. De Europese toegevingen zien ze als de erkenning van hun eigen superioriteit. Wat zou het anders kunnen betekenen? Echte gelijkheid betekent immers strijd. Het betekent bijvoorbeeld dat de Europese leiders wijn op tafel zetten als ze moslimleiders ontvangen, en dat zullen die niet pikken. Ze geloven immers niet in de culturele gelijkheid, want ze geloven nog in cultuur. Ze geloven dat cultuur zich alleen kan ontwikkelen in de strijd – fysiek of geestelijk – met andere culturen. En daarin verschillen ze van de Europese leiders, die geloven namelijk niet meer in cultuur. Daarom bedekten de Italiaanse leiders tal van kunstschatten. Ze toonden daarmee niet hoe beschaafd ze wel zijn, ze toonden (ongewild) hoe onbeschaafd ze wel zijn. 

Dat president Hollande niet wilde ingaan op de eis van de Iraniërs om de wijn van tafel te halen, was geen gebaar van beschaving, het was een gebaar van schaamte. Hij wilde verbergen hoe weinig hij nog gelooft in de ‘republikeinse waarden’ die hij beweerde te verdedigen door wijn op tafel te zetten. Want tenslotte ontvangt hij met alle égards een staatshoofd dat tegelijk een religieuze leider is. President Rouhani is ostentatief gekleed als een moslimgeestelijke. Hij heeft duidelijk lak aan de scheiding van kerk en staat. De brede glimlach waarmee hij op de foto’s staat , is de glimlach van iemand wiens superioriteit erkend wordt, iemand die geniet van het spektakel van een Europese cultuur die een eind maakt aan zichzelf – door niet meer te willen strijden met andere culturen, door te geloven in het waanidee van de gelijkheid der culturen. Het restje schaamte van de Franse president moet voor hem een grotere délicatesse geweest zijn dan welke  hallallunch ook.

Kaaiman in Koksijde

  

‘Het is ook verheugend dat een succespleiter als Van Steenbrugge beide componenten van een aanranding ter harte kan nemen: slachtoffer én dader, al dan niet vermeend. Indien iemand beweert, zonder bewijzen, dat hij vijftig jaar geleden een keer bewreven is door een overvriendelijke pastoor, trekt meester Van Steenbrugge ten strijde tegen alle priesters, alle bisschoppen, en tegen het Vaticaan. Weliswaar voor een verkeerde rechtbank via een verkeerde procedure namens verkeerde eisers tegen verkeerde daders over verkeerde feiten, maar dat ligt meer aan ons gebrekkige rechtssysteem dan aan zijn vakkunde.

Indien evenwel een kind uit de Westhoek beweert, zonder bewijzen, dat het vijf minuten geleden is vastgegrepen door een Irakees, dan wijst meester Van Steenbrugge er streng op dat alleen mag worden opgetreden indien een rechter het bewijs tegen de beschuldigde onweerlegbaar heeft bevonden.

Zijn vennote meester Mussche verdedigde ooit, en zoals in hun associatie gebruikelijk met veel succes, een professor zoölogie van de Universiteit Gent die bij ledikantsessies met een studentin haar tweejarige kleuter bij herhaling seksueel misbruikte. Maar hij was geen katholiek, dat was dus minder erg. Twee jaar cel.’

(Koen Meulenaere)

Het goede doel heiligt de middelen

  

Frans Timmermans, vice-voorzitter van de Europese Commissie, verklaarde onlangs voor televisie dat 60 procent van de vluchtelingen helemaal geen vluchtelingen zijn, maar gewoon migranten op zoek naar een beter leven. Daarmee vertelde hij niks nieuws. De tentenkampen in Calais en Duinkerken bijvoorbeeld worden niet bevolkt door mensen die op de vlucht zijn voor oorlogsgevaar. Ze zijn immers in Frankrijk, ze zijn dus veilig. Maar om de een of andere reden willen ze per se naar Engeland en daar hebben ze veel voor over. Een ander voorbeeld is Aylan, het verdronken jongetje dat uitgegroeid is tot een vluchtelingen-icoon. Ook dat jongetje was geen vluchteling. Het leefde veilig en wel met zijn familie in Turkije. Maar de vader dacht dat hij in Duitsland of Zweden gemakkelijker aan een nieuw gebit kon komen en daarvoor offerde hij zijn gezin op. Zijn dit uitzonderingen of vormen zij de regel? Het feit dat 80 procent van de vluchtelingen bestaat uit jonge mannen lijkt op het laatste te wijzen.

Frans Timmermans heeft dus niks gezegd wat we niet al weten. Het – zeer belangrijke – asielprincipe wordt al jarenlang op grote schaal misbruikt. Degenen die het echt nodig hebben, komen erdoor in de kou te staan. Maar Frans Timmermans wordt teruggefloten. Vanessa Saenen van de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties beweert dat Timmermans’ verhaal niet ondersteund wordt door de cijfers. Dat zegt natuurlijk niks. Met cijfers kun je alles bewijzen. Wat Vanessa Saenen daarna zegt, doet trouwens sterke twijfels rijzen aan de betrouwbaarheid van ‘de cijfers’. Ze is namelijk van mening dat de uitspraken van Timmermans meer kwaad dan goed doen. In oktober, zegt ze, was er nog veel solidariteit, maar sindsdien is het debat vergiftigd. Een gelijkaardige reactie krijgen we te horen uit de mond van europarlementslid Judith Sargentini. Het is mij een raadsel, zegt ze, hoe Timmermans op deze manier denkt om de vluchtelingencrisis aan te pakken en vooral het draagvlak te vergroten.

De uitspraak van Frans Timmermans wordt dus niet veroordeeld omdat ze niet waar zou zijn (al wordt dat wel beweerd) ze wordt in de eerste plaats veroordeeld omdat ze een verkeerd effect heeft. Ze ondergraaft namelijk de solidariteit met de vluchtelingen. Ze doorkruist de plannen van de grote organisaties en die plannen zijn blijkbaar belangrijker dan de waarheid. Niemand twijfelt aan de goede bedoelingen van de vluchtelingenorganisaties en eenieder die vluchtelingen en asielzoekers wil opvangen. Maar die bedoelingen heiligen de middelen. En de waarheid wordt duidelijk NIET als een goed middel gezien. Dat blijkt bijvoorbeeld ook weer uit de bezwaren waarop de nieuwe Deense wet over het confisceren van de bezittingen van asielzoekers/vluchtelingen stuit. Dit is een totaal fout signaal, aldus Kris Pollet, beleidsmedewerker van de koepel van Europese vluchtelingenorganisaties, het ondergraaft het draagvlak dat er is voor de opvang van vluchtelingen in Europa.  

Dat het doel de middelen heiligt, is een constante in het hele vluchtelingen- en immigratiedebat. Alles wat de integratie van vluchtelingen of migranten kan bemoeilijken, wordt als ‘totaal fout’ bestempeld en op alle mogelijke manieren vermeden. Dat komt er doorgaans op neer dat de waarheid verzwegen, verdraaid of ontkend wordt. De aanrandingen in Keulen waren daar een treffend voorbeeld van. Eerst was er helemaal niets gebeurd op oudejaarsavond. Daarna was er sprake van tientallen aanrandingen. Dat werden er vervolgens honderden. Waarna bleek dat dergelijke feiten zich ook in andere Duitse steden hadden voorgedaan. En in andere landen. De zaak werd met andere woorden steeds groter en de vraag is hoeveel er eigenlijk boven water is gekomen. Gelet op de felle – en voorspelbare – reacties op de traag doorsijpelende nieuwsberichten, mag geconcludeerd worden dat het deksel nog lang niet van de put is. Er is een ontploffing geweest, maar er wordt alweer met man en macht afgedekt.

Het grote slachtoffer van het hele migratie-drama lijkt dus … de waarheid te zijn. Zij wordt ondergeschikt gemaakt aan het doel: de integratie van de vreemdelingen, de solidariteit van de Europese bevolking. Dat ‘goede doel’ is boven alle twijfel verheven, het heiligt zowat alle middelen, vooral dan het desavoueren van de waarheid. De immigratie gaat gepaard met de afbouw van de vrijheid van meningsuiting. Bepaalde waarheden – bijvoorbeeld dat het in hoofdzaak om de immigratie van moslims gaat – mogen niet meer uitgesproken worden. Dat doet de vraag rijzen of het middel niet het doel zou kunnen zijn, en het doel het middel. Want wat kan zo belangrijk zijn dat de waarheid gereduceerd moet worden tot een middel? Waarom geldt de integratie van miljoenen moslims in Europa als een doel dat belangrijker is dan om het even wat, belangrijker zelfs dan de vrijheid van meningsuiting? Tenslotte is die vrijheid de hoeksteen van de hele Europese samenleving.

Het echte doel zou dus best eens de vernietiging van de waarheid kunnen zijn en daarmee ook de vernietiging van de vrije samenleving. Er kan geen twijfel meer over bestaan dat die enorme vluchtelingenstroom georganiseerd wordt. Ze wordt waarschijnlijk georganiseerd vanuit het Westen, vanuit Amerika, dat ook het hele Midden-Oosten heeft doen ‘ontploffen’ en de islam wakker heeft gemaakt, met de massale moslim-emigratie tot gevolg. Dat gebeurt natuurlijk in nauwe samenwerking met ‘onze’ leiders, vooral dan met het soort dat de Europese instellingen bevolkt. Zij houden de islam op alle mogelijke manieren de hand boven het hoofd, zijn proberen ook op alle mogelijke manieren de christelijke wortels van Europa uit te rukken. Het knagen aan die wortels is al heel lang bezig, al sinds de introductie van het linkse, communistische denken, dat de waarheid zowat heeft afgeschaft en dat volgens Rudolf Steiner een ‘experiment’ was dat uitging van Westerse occulte loges.

Achter dit alles doemen de omtrekken op van een kolossale geest die als een geniale schaker zijn zetten al lang op voorhand plant. Deze kwaadaardige geest heeft het gemunt op het christelijke Europa, niet alleen in materiële zin (het inplanten van duizenden moskeeën, het vernielen en ontwijden van duizenden kerken) maar ook, en vooral, in geestelijke zin: het uitroeien van de waarheidszin. Liegen, zoals over de gevolgen van de immigratie, moet een tweede natuur worden: liegen voor een hoger doel. Het is in dit verband interessant om eens te lezen wat Rudolf Steiner zegt over Ahriman. Deze geest, zegt hij, laat het volkomen onverschillig of een voorstelling overeenkomt met de werkelijkheid of niet. Alles draait bij hem om het effect dat hij wil bereiken. Hij verkondigt zijn ‘waarheden’ dus niet omdat ze waar zijn, maar omdat ze een bepaalde werking hebben op de mens. Hij verstaat de kunst – en het is werkelijk een kunst – om waarheden rond te strooien die alleen maar op het effect berekend zijn. 

Dergelijke dingen, vervolgt Steiner, doen zich voor in occulte groeperingen. Natuurlijk zijn er ook mensen die zo dom en dwaas zijn dat ze deze ahrimanische impulsen onbewust opnemen. Maar deze ahrimanische kunsten worden heel zeker bedreven en wat eruit voortkomt is voor onze tijd van zeer grote betekenis. Veel van wat er sinds lang met de mensheid gebeurt, gebeurt op deze manier en kan anders niet begrepen worden. Aldus Rudolf Steiner. Het mag duidelijk zijn dat dit soort ‘ahrimanische kunsten’ volop beoefend worden door de ‘hogere’ kringen, door de politici, de intellectuelen, de media, de kunstenaars ook. Het gaat hen helemaal niet (meer) om waarheden-die-overeenkomen-met-de-werkelijkheid, maar om waarheden-die-effect-ressorteren. Wat ons over de vluchtelingen en asielzoekers wordt verteld, heeft dus (vaak) niet de bedoeling om de waarheid te vertellen, maar om een bepaalde werking te hebben: het moet de islamisering of ontchristelijking van Europa bevorden. Dat is Ahrimans ‘goede doel’.  

Antroposofie en sexualiteit (1)

  

Het is bekend dat Rudolf Steiner heel weinig gezegd heeft over de menselijke sexualiteit. Nogal wat antroposofen lijken dat op te vatten als een spirituele richtlijn: wie aan zijn geestelijke ontwikkeling werkt, kan maar beter zo weinig mogelijk aandacht besteden aan dit zeer lichamelijke onderwerp. Bernard Lievegoed, die toch niet bekend stond als een conservatief man, wist over sexualiteit niet meer te zeggen dan dat het nu eenmaal bestond en dat we er moesten mee leven. Zijn geringschattende houding kan model staan voor die van de doorsnee antroposoof: sex is iets waar je beter zo weinig mogelijk over spreekt. 

De antroposofische beweging verraadt daarmee een ‘kathaarse’ inslag: alles wat werelds, aards en zinnelijk is, wordt met onverholen wantrouwen bekeken en strijdig geacht met een spiritueel leven. Antroposofen zoeken de geest liefst van al in ‘hogere’ sferen. Iemand als Sergej Prokofieff is daar een sprekend voorbeeld van: in zijn (dikke) boeken wordt met geen woord gerept over wereld waarin we vandaag leven. Alles speelt zich af in abstracte hoogten waarvan men zich geen voorstelling meer kan maken. Hoe spiritueler een mens wil zijn, des te meer afstand moet hij nemen van het aardse, zo lijkt het wel.

Gelukkig is dat niet de antroposofische theorie. Rudolf Steiner heeft zich altijd duidelijk uitgesproken tegen het oude ascetische ideaal. De geest dient niet in luciferische hoogten gezocht te worden, maar hier beneden op aarde. Steiner heeft dan ook veel gesproken over de actualiteit van zijn dagen. Hij negeerde geenszins de wereldoorlog die aan de gang was, hij beschreef zelfs nauwkeurig de oorzaken ervan. Hij was allesbehalve de ‘zwever’ waarvoor hij vaak gehouden wordt. Hij was juist een mens die buitengewoon veel aandacht had voor het concrete aardse bestaan en zeer goed op de hoogte was van wat daar omging. 

Waarom heeft Rudolf Steiner dan zo weinig gesproken over de sexualiteit van de mens? Hij moet toch voorzien hebben welke prominente rol ze in onze tijd zou gaan spelen! Het antwoord op die vraag is eigenlijk heel eenvoudig: zijn publiek wilde het niet horen. Steiner heeft in zijn leven slechts twee keer een voordracht moeten afbreken. De ene keer was tijdens zijn allerlaatste optreden – die letzte Ansprache – toen zijn fysieke krachten het begaven, de andere keer was toen hij sprak over … de menselijke sexualiteit. Toen waren het de weerstanden bij zijn toehoorders die het onmogelijk maakten om verder te gaan. Ze waren er gewoon niet klaar voor. 

Dat is vandaag wel even anders. Er is op sexueel gebied niks meer dat niet besproken kan worden en dat ook besproken wordt. Helaas is de benadering zo materialistisch dat ze in hoge mate onbevredigend (sic) is. Dat komt misschien nog het best tot uiting in de manier waarop de geslachtsorganen benoemd worden. Dat gebeurt ofwel door latijnse namen die een klinische afstandelijkheid betrachten – penis, vagina, vulva – ofwel door scheldwoorden die een diepe afkeer verraden: kut, lul, neuken. Van een positieve, liefdevolle benadering is geen sprake en binnen de materialistische context van onze tijd is ze ook niet mogelijk. 

Een spirituele benadering van de menselijke sexualiteit kan alleen maar kunstzinnig zijn. Dat werd door Middeleeuwse mens veel beter begrepen. Hij benoemde (tenminste in zijn literatuur) alles wat tot de sexuele sfeer behoorde door middel van metaforen: hij ‘neukte’ zijn vrouw niet, hij ‘plantte een boompje in haar hofje’. Alleen zo’n kunstzinnig-metaforische benadering, die Alles Vergängliche als ein Gleichnis ziet, doet recht aan het dubbele karakter van de sexualiteit, die tegelijk zeer materieel en zeer geestelijk is. Dat geldt trouwens voor de hele zintuiglijke werkelijkheid: zij is een materieel beeld van de geest. 

De sexuele natuur van de mens wordt beschouwd als zijn lagere natuur. De geslachtsorganen wekken afkeer en schaamte op omdat ze de mens herinneren aan de zondeval. Maar ze herinneren de mens ook aan datgene wat ‘gevallen’ is: vandaar de eindeloze fascinatie en aantrekkingskracht die ervan uitgaat. Juist in deze sexuele organen, aldus Rudolf Steiner, is de mens het evenbeeld van de goden. Maar dat evenbeeld is verdorven, het is in de greep van Lucifer geraakt. Wat oorspronkelijk de hogere natuur van de mens was, is zijn lagere natuur geworden. En die is ertoe bestemd om weer zijn hogere, geestelijke natuur te worden. 

Rudolf Steiner heeft het telkens weer beklemtoond: de geestelijke wereld is niet ergens anders, hij is hier, in de concrete, zintuiglijke werkelijkheid waarin we leven. Hij heeft echter een andere, in eerste instantie onherkenbare vorm aangenomen. In de materie is de geest als het ware verstard, versteend, bevroren, net als de natuur in de winter. Maar verborgen in die grauwe, winterse wereld liggen de zaadjes en kiemen van de kleurrijke geest te wachten op de terugkeer van het licht. Dat licht is ons eigen denkende bewustzijn dat de (vooralsnog onzichtbare) geest weer tot bloei moet brengen en bevrijden uit zijn materiële keurslijf. 

Dat moet de richtlijn zijn voor de antroposoof: hij moet het licht van zijn denken versterken in de confrontatie met de duisternis van de materie. De worsteling met de materie – die eigenlijk een worsteling is met ‘gevallen engelen’ – moet de mens zo sterk maken dat hij als een vrij wezen stand kan houden tegenover de ‘goden’. Nergens is deze worsteling zo intens als in de confrontatie met de sexualiteit, waar de grootste geestelijke kiem gevangen wordt gehouden door de grootste materiële krachten. Nergens ook is deze worsteling zo dringend als juist op dit ‘laagste’ gebied waar de mens vandaag steeds dieper naar beneden wordt gesleurd. 

De blanke Oscars

  

De Oscar-nominaties zijn bekend gemaakt en dat was voor enkele zwarte acteurs en regisseurs aanleiding om de alarmbel te luiden: er waren te weinig zwarten genomineerd. Geen eigenlijk. Hollywood is dan ook een blanke wereld, een mannelijke wereld bovendien. Actrice Julie Delpy verklaarde onlangs in een interview dat je in Hollywood nog beter zwart dan vrouw kunt zijn. Maar omdat ze zelf blank is, kwam haar dat op verontwaardigde reacties van … zwarte vrouwen te staan. Het mag duidelijk zijn: zwart Amerika voelt zich de laatste tijd zwaar tekort gedaan. Op het eerste gezicht is daar ook reden toe. Vorig jaar zijn er in Amerika verschillende zwarten neergeschoten door (blanke) politieagenten, en nu weer zijn er die blanker dan blanke Oscar-nominaties. Je zou als zwarte voor minder kwaad worden. 

Moeten we daar nu uit besluiten dat de blanke mens – de blanke Amerikaan in het bijzonder – inderdaad zo racistisch is als algemeen beweerd wordt? Dat is een tricky question, want een bevestigend antwoord betekent dat er een specifieke eigenschap verbonden wordt met een huidskleur en dat wordt als … racisme beschouwd. Er wordt dan ook nergens uitgesproken dat er zo weinig zwarten Oscar-genomineerd zijn omdat Hollywood zo blank en racistisch is. Het wordt alleen gesuggereerd. De blanken worden verondersteld zelf die conclusie te trekken en er iets aan te doen. Dat laatste betekent: meer zwarte acteurs en regisseurs nomineren. En dat betekent: Oscars toekennen op grond van huidskleur en niet op grond van prestaties. En dat betekent dan weer: racistisch te werk gaan. 

De protesterende zwarten willen racisme dus bestrijden met racisme. Ze willen eigenlijk niks doen aan het racisme op zich, ze willen het alleen in de andere richting keren. Logischerwijs kan dat alleen maar leiden tot nog meer racisme. En dus is de vraag hoe het anders kan. Hoe kunnen zwarte acteurs iets doen aan het blanke racisme zonder zelf racistisch te worden? Wel, om te beginnen zouden ze zich kunnen afvragen of het werkelijk racisme is dat speelt in Hollywood. Worden acteurs bewust gediscrimineerd enkel en alleen maar omdat ze zwart zijn? Dat klinkt weinig waarschijnlijk. Maar het klinkt al even onwaarschijnlijk om te beweren dat er zo weinig zwarte Oscar-nominaties zijn omdat er zo weinig zwarte acteurs zijn die het verdienen. Er moet dus wel degelijk iets spelen. Maar wat? 

Als we kijken naar de grote meesterwerken van de filmkunst, dan stellen we vast dat ze uitgesproken blank zijn. In Titanic bijvoorbeeld speelt er geen enkele zwarte mee. Hoe komt dat? De reden ligt voor de hand: Titanic was een – weliswaar geromantiseerde – reconstructie van een historische gebeurtenis en die speelde zich af in een onversneden blanke wereld. Er konden eenvoudig geen zwarten meespelen in die film. Dat is waarschijnlijk ook de voornaamste reden voor de ‘discriminatie’ van zwarten in de filmwereld. Die filmwereld is van oorsprong blank, net als Amerika zelf. Er wordt blank gedacht en blank uitgevoerd. We mogen niet vergeten dat de slavernij in Amerika pas halverwege de 19de eeuw werd afgeschaft en dat de integratie van de zwarte slaven heel traag verliep. 

Het idee van de gelijkheid tussen de rassen is van nog veel latere datum, zodat we kunnen zeggen dat de werkelijke gelijkberechtiging nog in de kinderschoenen staat. Het samenleven van verschillende rassen op voet van gelijkheid is geen sinecure. Het vergt tijd, veel tijd. Dat is één ding. Maar er is ook nog iets anders. In Amerika leven niet alleen veel zwarten, er leven ook veel Aziaten. In Hollywood schitteren zij door hun afwezigheid. Er zijn veel minder Aziatische acteurs dan zwarte acteurs. Toch horen we de Aziatische Amerikanen nooit klagen over discriminatie. Zij lijken te accepteren dat zij in een blanke wereld leven en ze willen daar geen Aziatisch-Amerikaanse wereld van maken. Om de een of andere reden willen de zwarten dat wel, zij vinden dat Amerika zowel blank als zwart moet zijn.

Hoe valt dat opvallende verschil tussen de zwarten en de Aziaten te verklaren? Als we bij deze laatsten de latino’s voegen, dan wordt het verschil nog veel opvallender. We krijgen dan een bevolkingsgroep die heel wat groter is dan de zwarte gemeenschap en die toch geen aanspraak maakt op de gelijkheid die de zwarten eisen. Hoe komt dat? De reden ligt eigenlijk voor de hand: het verschil tussen zwarten en blanken is veel groter dan dat tussen blanken en Aziaten of latino’s. Het is niet alleen een kwestie van huidskleur, het is ook een kwestie van cultuur. Honderdvijftig jaar geleden leefden de zwarten nog als slaven, tweehonderd jaar geleden liepen ze nog (half)naakt rond in de brousse van Afrika. Dat kan zeker niet gezegd worden van Aziaten en latino’s: zij zijn afkomstig uit oude culturen. En blijkbaar speelt dat een veel grotere rol dan we denken.

Het is natuurlijk een mooi ideaal: alle mensen zijn gelijk. Het is ook een ideaal dat bij onze tijd past. Maar het is wél een nieuw ideaal, en de moderne mens wordt er zo door verblind dat hij de werkelijkheid uit het oog verliest. En die werkelijkheid is dat de verschillen tussen het zwarte en het blanke ras zeer groot zijn. De benaming zegt het zelf al: zwart en wit vormen een absolute tegenstelling. Het is een bewonderenswaardig streven om deze tegenstelling te willen overbruggen, maar men lijkt zich niet te realiseren wat een verzoening van tegenpolen inhoudt. Ze houdt namelijk ook de verzoening van ideaal en realiteit in, wat betekent dat geen van beide mag ‘gediscrimineerd’ worden. Het (reële) verschil tussen zwart en blank moet evenveel aandacht krijgen als (het ideaal van) de gelijkheid. 

Onnodig te zeggen dat zulks niet gebeurt. De blanken lijken het niet zo nauw te nemen met het gelijkheidsideaal, de zwarten lijken de verschillen te negeren, en allebei verliezen ze de relatie tussen ideaal en realiteit uit het oog. Dat komt nergens zo goed tot uiting als in de kunst van onze tijd, de filmkunst. De meesterwerken van die filmkunst zijn, zoals gezegd, uitgesproken blank. Titanic kan daar model voor staan. Maar deze film staat ook nog voor iets anders model. Hij markeert namelijk het einde van de klassieke film. Het laatste decennium van de 20ste eeuw betekende een culminatie van de filmkunst: er verschenen een hele reeks indrukwekkende meesterwerken in de bioscoop. Maar toen was het opeens afgelopen. Sinds Titanic is er geen enkele ‘grote film’ meer gemaakt. 

We zouden de oude filmkunst ‘mannelijk’ kunnen noemen. De grote klassieke films vertonen allemaal hetzelfde stramien: het zijn thrillers, spannende verhalen die uitlopen op een dramatische ontknoping die bij de filmkijker een catharsis of bevrijding veroorzaakt. Het zijn in wezen moderne versies van de Griekse tragedies. Hun onmiskenbaar mannelijke dynamiek culmineert in Titanic, dat de tragische ondergang in beeld brengt van het – onzinkbaar gewaande – schip dat het grootste, het snelste en het meest luxueuze van de wereld wilde zijn. Maar tegelijk brengt deze indrukwekkende film ook zijn eigen ondergang in beeld, de ondergang van de klassieke, ‘mannelijke’ film. Het is alsof deze film precies weet wat er met hemzelf gebeur. Hij weet het echter niet bewust, hij weet het alleen op metaforisch niveau. 

Het beeld dat op dit onbewuste niveau zichtbaar wordt, is dat van een bevruchting: de quintessens van het mannelijke dringt door in het vrouwelijke. Dat betekent een ‘sterven’ voor de mannelijke wereld en een ‘verrijzen’ voor het vrouwelijke. Dat sterven wordt op buitengewoon dramatische wijze in beeld gebracht door Titanic. Het verrijzen wordt op niet minder indrukwekkende wijze in beeld gebracht door The Wire, de ongeëvenaarde tv-serie die in het eerste decennium van de 21ste eeuw op het kleine scherm verscheen. De overgang van de 20ste naar de 21ste eeuw was tegelijk de overgang van de oude ‘mannelijke’ filmkunst naar een nieuwe ‘vrouwelijke’ filmkunst: de tv-serie. Hollywood beseft het nog niet, maar zijn dagen zijn geteld. Zijn rol wordt nu geleidelijk aan overgenomen door televisie-maatschappijen die series produceren. 

Tv-series vertonen niet die – typisch mannelijke – korte en steile opgang naar een dramatische ontknoping. Zij golven ritmisch op en neer in een never ending story. Zij staan doorgaans ook dichter bij het gewone leven dan de veel meer geïdealiseerde klassieke films. Op het eerste gezicht is dat verschil niet zo duidelijk omdat nogal wat tv-series gaan over zombies, vampieren en andere buitenissige onderwerpen. Maar wanneer we ons concentreren op de meesterwerken in beide genres, dan tekent het verschil zich duidelijk af. We hoeven Titanic maar naast The Wire te plaatsen om ons dat te realiseren. Zo romantisch en geïdealiseerd als Titanic is, zo rauw en realistisch is The Wire. Maar ook: zo blank als Titanic is, zo zwart is The Wire. De acteurs in deze schitterende serie zijn overwegend zwart. 

The Wire is een serie die zowel door blanken als zwarten hoog gewaardeerd wordt, volkomen terecht overigens. Zij is ook het resultaat van een zeer vruchtbare samenwerking tussen blank en zwart, want hoewel deze serie zich voornamelijk afspeelt in de zwarte wijken van Baltimore, werd ze bedacht door de blanke David Simon. Dat lijkt echter niet opgemerkt te worden door de protesterende zwarte acteurs, evenmin trouwens als door de zich verdedigende blanken. Ze hebben geen van beiden oog voor de ingrijpende omwenteling die de wereld wereld ondergaat en die op onnavolgbare wijze in beeld wordt gebracht door de filmkunst. Door zich blind te staren op de oude, blanke, mannelijke, klassieke wereld van Hollywood, missen ze niet alleen de trein, maar dreigen ze die trein ook te blokkeren door een rassenstrijd te ontketenen. 

Een serie als The Wire – deze week trouwens voor een prikje te koop in de Mediamarkt! – toont ons dat het ook anders kan, en dat de nieuwe ‘vrouwelijke’ filmkunst niet moet onderdoen voor haar mannelijke voorganger. Zij toont ons bovendien iets dat in het hele racisme- en diversiteitsdebat over het hoofd wordt gezien, en dat is … de waarheid, de harde waarheid over zowel de blanke als de zwarte wereld. Het is veelzeggend dat deze serie bijzonder populair was onder de zwarten van Baltimore en dat ze nooit het voorwerp is geweest van racismebeschuldigingen, want de black community wordt er allesbehalve in geïdealiseerd. Ze wordt juist voorgesteld in al haar gewelddadigheid, criminaliteit en verslaafdheid aan drugs. Juist dit compromisloze waarheidsbewustzijn vormt de kern van de nieuwe kunst en de nieuwe tijd. 

Maar die kern wordt omgeven door liefde. The Wire toont de harde waarheid, maar ze toont die waarheid met veel liefde. De hele maatschappij – zwart én blank – wordt genadeloos geportretteerd, maar hoe crimineel en corrupt haar leden ook zijn, ze worden neergezet als mensen waarmee men zonder voorbehoud kan sympathiseren. Er wordt niet over hen geoordeeld. De moraliteit van deze serie ligt niet in het trekken van grenzen tussen mensen, klassen, rassen of sexen, maar in het liefdevolle, kunstzinnige tonen van de waarheid. The Wire bewijst dat men het gelijkheidsideaal recht kan doen zonder de verschillen te verbloemen. Ja, eigenlijk kan de gelijkheid tussen mensen pas gerealiseerd worden áls men de waarheid onder ogen ziet. Het is de waarheid die bevrijdt, niet het ideaal.

De vraag is of de door het gelijkheidsideaal gedreven zwarte Hollywood-acteurs bereid zijn de waarheid onder ogen te zien. En dat is zowel de waarheid over het einde van de blanke, mannelijke filmkunst als de waarheid over de gewelddadigheid en verslaving van de Afro-Amerikaanse gemeenschap, de waarheid over het blanke racisme én de waarheid over het zwarte racisme, de waarheid over de gelijkheid én de waarheid over de verschillen. Zonder waarheid zal er geen eind komen aan de discriminatie, ze zal hoogstens omgekeerd worden. En de gelijkheid zal dan verder weg zijn dan ooit. De nieuwe kunst eveneens, want zonder waarheid kan die niet langer bestaan. Ja, het protest van de zwarte (en ook van de vrouwelijke) acteurs kan een begin zijn, maar het kan zeker niet het einde zijn, want de weg naar de waarheid is lang. 

La guerre des sexes

  

De gebeurtenissen in Keulen hebben een essentieel aspect van de clash of civilisations zichtbaar gemaakt: de relatie tussen man en vrouw. Die botsing vindt op het eerste gezicht plaats tussen een cultuur die de gelijkheid van man en vrouw erkent en een cultuur die dat niet doet. Maar de feministische reacties hebben daar een groot vraagteken bij geplaatst. Als we ze mogen geloven dan is er in Europa nog lang geen sprake van gelijkheid tussen man en vrouw. Vrouwen worden er sexueel én economisch nog altijd onderdrukt. Mannen zijn er sexistisch, racistisch en hypocriet. En blijkbaar erkennen ze dat, want ze reageren niet op de toch wel grove aantijgingen van de feministen. Nochtans zitten die aantijgingen vol tegenstrijdigheden, zelfs in die mate dat ze de omgekeerde boodschap uitdragen: het zijn niet de vrouwen die in Europa onderdrukt worden, maar de mannen. Europese mannen worden eigenlijk systematisch ont-mand. De gebeurtenissen in Keulen maakten dat pijnlijk duidelijk: de mannen konden hun vrouwen niet verdedigen tegen hun aanranders. En het ging niet alleen om vrienden en echtgenoten, het ging ook om de politie, het ging om de overheid, het ging om de hele maatschappij. Europa is doodeenvoudig niet in staat zich te verdedigen tegen de macho-moslims die van alle kanten binnenstromen. Het gedraagt zich niet als een man die vecht wanneer hij aangevallen wordt, maar als een vrouw die aangerand wordt en zich niet kan of durft verzetten.

Als we niet kijken naar de woorden maar naar het gedrag, dan zien we dat de clash of civilisations een botsing is van twee culturen die geen van beide de gelijkheid van man en vrouw erkennen. In de moslimwereld is de ongelijkheid heel openlijk: vrouwen zijn er tweederangswezens die in de man als vanzelfsprekend hun heer en meester moeten erkennen. In de Europese wereld treffen we de omgekeerde ongelijkheid aan. Hier zijn het de mannen die tot tweederangswezens worden gedegradeerd, maar de manier waarop dat gebeurt is veel omfloerster en bedekter, veel ‘vrouwelijker’ zeg maar. Het is heel moeilijk om er de vinger op te leggen. De moderne man onderdrukt door de vrouw? Kom nou! Maar hier raken we aan iets heel essentieels: het mannelijke is zichtbaar, het vrouwelijke is veel onzichtbaarder. Als mannen vrouwen onderdrukken, dan gebeurt dat openlijk en direct: het kan onmogelijk ontkend worden. Als vrouwen echter mannen onderdrukken, dan gebeurt het ongemerkt: het valt nauwelijks te bewijzen. Zo komt het dat de ‘vervrouwelijking’ van het Westen veel minder in de kijker loopt dan de ‘vermannelijking’ van de moslimwereld. Daardoor wordt ook niet opgemerkt dat de moslimwereld en de Europese of Westerse wereld zich tot elkaar verhouden als man en vrouw, en dat hun relatie er allesbehalve een van gelijkheid is. In feite weerspiegelt die relatie de ongelijkheid tussen man en vrouw in beide werelden. 

De feministen propageren naar buiten toe de gelijkheid tussen de sexen maar in werkelijkheid streven ze de (omgekeerde) ongelijkheid na en zwengelen ze la guerre des sexes aan. Ze zijn zich niet bewust van die ‘vrouwelijke’ tegenstrijdigheid en ook de mannen doorzien ze niet, met als gevolg dat ze ongestoord kan blijven woekeren en op alle terreinen ‘oorlog’ en chaos veroorzaakt. Nu kunnen we van vrouwen niet verwachten dat ze hun eigen zo complexe en tegenstrijdige aard doorzien. Daar is een buitenstaander voor nodig, een man dus. Maar die man faalt. Hij laat zich op een beschamende manier in de doeken doen door de vrouw, of beter gezegd: door de vrouwelijkheid. Want het zijn niet de vrouwen die de man onderdrukken, ze zijn zich immers niet bewust van hun machtsbegerige gedrag, ze zijn het slachtoffer van hun eigen vrouwelijkheid. Net als de man worden ze door hun lichamelijkheid meegesleurd in de guerre des sexes zonder dat ze er iets kunnen aan doen. Het is dus niet alleen de man die faalt: geen van beide sexen slaagt erin om zich boven die ‘sexuele oorlog’ te plaatsen, om er zich bewust van te worden. Die oorlog wordt zelfs met steeds fysiekere middelen gevoerd en ontaardt in een strijd tegen het eigen lichaam: mannen laten zich ombouwen tot vrouwen en vrouwen laten zich ombouwen tot mannen. Er zijn zelfs mensen die alle geslachtskenmerken operatief laten verwijderen. Een tragischer ‘materialisering’ van de behoefte aan een hoger bewustzijn kan men zich niet indenken. 

Op die manier kunnen we ook de hele clash of civilisations beschouwen: als een materialisering van een botsing die op het niveau van het bewustzijn zou moeten plaatsvinden: le choc des idées, de ideeënstrijd. In plaats daarvan ontaardt hij steeds meer in een fysieke strijd die in wezen niets anders is dan een uitvergroting van la guerre des sexes. Het is niet toevallig dat de gebeurtenissen in Keulen zo’n hoog metaforisch gehalte hadden. De sexuele aard van de aanrandingen was geen detail, ze bracht het wezen van de hele clash of civilisations aan het licht. Tenminste voor wie in beelden leert denken. Maar juist wanneer de sexualiteit in het spel is, kunnen we niet anders, want de menselijke sexualiteit is sowieso metaforisch. Wat ons opwindt in het andere geslacht zijn niet de geuren (zoals bij de dieren) maar de vormen, en meer bepaald wat ze tot uitdrukking brengen. Want het is beslist niet hun esthetiek die ons zo sterk aanspreekt, maar hun metaforiek: de ideeën die ze tot uitdrukking brengen. Welke ideeën dat zijn, daar hebben we geen flauw benul van. Aan onze reactie kunnen we echter aflezen dat het bijzonder krachtige ideeën zijn, waar we niet tegenover kunnen blijven staan en waar we bijgevolg door geknecht worden, zoals Rudolf Steiner het uitdrukt. Als we niet geknecht willen worden door de zich steeds verder uitbreidende guerre des sexes dan zullen we in beelden moeten leren denken, want dat is de enige manier om stand te houden tegenover de (levende) ideeën die in de sexualiteit werkzaam zijn. 

We worden momenteel overspoeld door beelden met een hoog sexueel gehalte, niet alleen in letterlijke zin maar ook – en vooral – in figuurlijke, metaforische zin. De wereld lijkt het toneel te zijn geworden van één grote geslachtsdaad: overal en op ieder gebied botsen de tegenpolen op elkaar en dringen ze in elkaar door. We reageren daar (onbewust) op door hevig opgewonden te raken: we barsten uit in woede, verontwaardiging en afkeer. We zijn niet in staat het hoofd koel te houden. Daardoor zwengelen we die mondiale guerre des sexes echter alleen maar aan. Het grote slachtoffer van al die opwinding is ons ‘mannelijke’ rationele bewustzijn dat niet overeind kan blijven in die verhitte ‘vrouwelijke’ sfeer: het verschiet zijn zaad en verslapt zienderogen. Deze sexuele metafoor beschrijft niet alleen wat er momenteel gebeurt, maar wijst er ook op dat het geen zin heeft om ons terug te trekken uit die ‘vrouwelijke’ beeldenwereld. We moeten er juist dieper in doordringen tot de ‘wrijvingen’ in ons mannelijke bewustzijn een ‘hoger’ bewustzijn losmaken dat in staat is de brug te slaan naar de ideeënwereld die schuilgaat achter de sexuele beelden. Dat geldt heel speciaal voor het feminisme. We mogen ons niet laten misleiden door zijn tegenstrijdigheden. We moeten er een beeld in zien van een vrouwelijkheid die hevig verlangt naar een ‘hogere’ mannelijkheid. In feite is het feminisme een materialisering van het Ewig Weibliche dat smacht naar erkenning door een bewustzijn dat Alles Vergängliche nur als ein Gleichnis ziet.