Kunst en wetenschap (1)

door lievendebrouwere

  

Antroposofie is wetenschap die kunst wil worden. Dat betekent niet dat wetenschap ingeruild moet worden voor kunst. Nee, het is de wetenschap zelf die kunst moet worden: ‘wetenschapskunst’ of kunstzinnige wetenschap. De wetenschapper moet met andere woorden kunstenaar worden zonder op te houden wetenschapper te zijn. Of nog: kunst en wetenschap moeten weer naar elkaar toe groeien. De vraag is natuurlijk hoe dat moet gebeuren. Hoe leg je het aan boord om van de wetenschap een kunst te maken en van de kunst een wetenschap? Is zoiets trouwens wel mogelijk? Tenslotte zijn kunst en wetenschap tegenpolen: de eerste wil zo subjectief mogelijk zijn, de laatste zo objectief mogelijk. Water en vuur dus. Probeer ze te verenigen en ze vernietigen elkaar. De kloof tussen kunst en wetenschap kan dus niet meer ongedaan worden gemaakt. Ze kan alleen nog overbrugd worden door een derde pool die beide andere verbindt tot een nieuwe, driegelede eenheid.

Om welke ‘derde pool’ gaat het hier? Wat is het dat kunst en wetenschap met elkaar kan verbinden? Religie is het enige wat daarbij in gedachten komt. Maar in zijn huidige vorm is religie noch kunstzinnig, noch wetenschappelijk, wel integendeel. Als religie de verbindende factor wil zijn die kunst en wetenschap tot een nieuwe eenheid samensmeedt, dan zal ze een geheel nieuwe vorm moeten aannemen. Zo’n nieuwe religie, die samen met kunst en wetenschap een driegelede, harmonische eenheid vormt, is echter nog in geen velden of wegen te bespeuren. Ze moet nog geboren worden, en wel uit de vereniging van kunst en wetenschap. Zoals Goethe zegt: wie wetenschap en kunst heeft, die heeft ook religie, en wie geen van beide heeft, moge hij (nog) religie hebben. Goethe spreekt hier over de oude en over de nieuwe religie, maar hoe de eerste in de tweede moet veranderen – of hoe kunst en wetenschap met elkaar verbonden moeten worden – daarover zegt hij niets. 

Dat kan hij ook niet. Want hoewel Goethe kunst en wetenschap in zich verenigde, en tevens een diep religieus mens was (zij het niet in de traditionele betekenis) bleef hij in de allereerste plaats toch een kunstenaar, dat wil zeggen: iemand die zich niet bewust was van hoe hij tewerk ging. Anders dan wetenschappers, die zorgvuldig acht slaan op hoe ze te werk gaan, ‘vergeten’ kunstenaars hun methode. Ze moeten wel, anders kunnen ze niet scheppen. Een schilder die aandacht moet gevan aan de bewegingen die hij met zijn penseel maakt, kan niet schilderen, evenmin als een pianist piano kan spelen als moet nadenken over welke vingers hij moet gebruiken. Daarom kon Goethe niet zeggen hoe hij kunst en wetenschap met elkaar verbond. Er was een wetenschapper zoals Rudolf Steiner nodig om de Goetheaanse methode te beschrijven. En dat resulteerde in de antroposofie: de wetenschap van de geest, de scheppende geest, zoals die werkzaam was in de ‘drieledige’ Goethe. 

De antroposofie kan dan ook gezien worden als een uitgewerkte esthetica, een wetenschap van de kunst, maar dan in een veel ruimere zin dan de huidige kunstwetenschap. Want de moderne esthetica is een materialistische wetenschap, zoals alle wetenschappen tegenwoordig. Zij denkt alleen na over het kunstwerk als materieel voorwerp. Ze beschouwt bijvoorbeeld het zichtbaar maken van het schilderij dat onder de Mona Lisa verborgen zit, als dé ontdekking van de 21ste eeuw. Met zo’n uitspraak verraadt ze haar eigen onkunde, want wat de Mona Lisa (of enig ander schilderij) tot een kunstwerk maakt, kan niet met technologische middelen gedetecteerd worden. Het is alleen zichtbaar voor het menselijk bewustzijn. Kunstwerken kunnen nooit los worden gezien van dit kijkende, onderzoekende en oordelende bewustzijn. En aangezien dat bewustzijn geestelijk van aard is, moet een (echte) kunstwetenschap noodzakelijkerwijs ook een wetenschap van de geest zijn. 

De eerste stap in die wetenschap van de geest is het bestuderen van de ‘kunstzinnige methode’. De wetenschapper die kunstenaar wil worden, moet de methode van de kunstenaar leren kennen. Helaas kan hij daarvoor niet te rade gaan bij de kunstenaar zelf, want die is zich niet bewust van zijn methode. Hij probeert ze juist te vergeten want ieder bewustzijn van die methode verlamt zijn scheppingsvermogen. Dat is ook de reden waarom kunst en wetenschap zo’n polaire tegenstelling vormen: het heldere bewustzijn van de wetenschapper vormt een bedreiging voor de scheppingskracht van de kunstenaar en de artistieke scheppingskracht vormt op zijn beurt een bedreiging voor de wetenschapper. Deze laatste mag datgene wat hij bestudeert niet willen veranderen, want dan houdt hij op wetenschapper te zijn. En de kunstenaar kan de wetenschapper niet helpen bij zijn onderzoek naar de ‘kunstzinnige methode’, want zodra hij over die methode begint na te denken, houdt hij op kunstenaar te zijn.

In de kunstenaar en de wetenschapper staan dus twee mensen tegenover elkaar die gescheiden worden door een diepe kloof. Stappen ze daarover heen – in een poging om (de methode van) de ander te leren kennen – dan houden ze op zichzelf te zijn. De wetenschapper die aan de kant van de kunstenaar gaat staan, houdt op wetenschapper te zijn, en de kunstenaar die wetenschapper wordt, houdt op kunstenaar te zijn. Er verandert niets: niemand leert de ander kennen, en de kloof wordt niet overbrugd. Je kunt het vergelijken met de wisseling tussen dag en nacht. ’s Nachts is de mens een wezen dat droomt en in een heel andere wereld verkeert dan overdag. Hij lijkt dan op de kunstenaar, die evenmin echt wakker is tijdens zijn scheppende werk. Wanneer die slapende ‘kunstenaar’ ’s morgens ontwaakt, komt hij in een heel andere wereld terecht: de heldere, ‘wetenschappelijke’ wereld van overdag. Hij stapt dan over de kloof, maar de wereld die hij verlaat, verdwijnt op slag. Het is dag of nacht, wetenschap of kunst, maar nooit beide samen. 

Kunstenaar en wetenschapper zouden elkaar nooit kunnen leren kennen als daar niet het kunstwerk was, het ‘kind’ van de kunstenaar, het kind van de nacht. Dat kunstwerk vormt de brug tussen beide werelden. De kunstenaar legt er zijn hart en ziel in, hij laat er zich helemaal in kennen. Daarvoor staat het ‘vergeten’ van zijn methode garant: hij schept ‘al dromend’, hij is onschuldig als een kind dat niets te verbergen heeft. Zijn scheppende geest drukt zichzelf zonder voorbehoud uit in de materie. Hij doet niets wat niet zichtbaar wordt – en blijft – in het kunstwerk: iedere beweging die hij maakt wordt vastgelegd in de verf of enig ander materiaal dat de kunstenaar gebruikt. Tijd wordt op die manier tot ruimte, met name in de beeldende kunst. Ieder schilderij is een soort kroniek, een scheppingsgeschiedenis: alle handelingen van de geest, van de eerste tot de laatste, zijn erin vastgelegd. Alles is erin bewaard gebleven en kan door de aandachtige kijker – de wetenschapper – weer tevoorschijn worden gehaald.

Dankzij het kunstwerk kan de wetenschapper de methode van de kunstenaar leren kennen. Een andere weg is er niet. Niemand komt tot de kunstenaar dan door zijn werk. Het is onmogelijk om de scheppende geest rechtstreeks te leren kennen, om de eenvoudige reden dat ieder contact de ‘kenner’ doet verdwijnen. Deze laatste is niet sterk genoeg om stand te houden in de wereld van de scheppende krachten. Hij kan deze wereld alleen onrechtstreeks benaderen, via het kunstwerk. Op deze kennisweg heeft de kunstwetenschap nog maar een eerste, aarzelende stap gezet. Ze staat nog in haar kinderschoenen, en struikelt dat het een aard heeft. Ze gaat namelijk uit van twee kapitale vergissingen (zoals we van Rudolf Steiner weten). Ze probeert dus te lopen op benen die haar niet kunnen dragen. Het geeft een idee van het perspectief waarin we de antroposofie – deze uitgebreide kunstwetenschap – moeten zien: ze is een allereerste stuntelige begin, een kinderlijke poging van de mens om zich op te richten en op eigen benen te gaan staan. 

Het kunstwerk onderscheidt zich van de rest van de werkelijkheid doordat we weten dat het een product is van de geest. Dat ligt in het begrip zelf besloten: een kunstwerk is gemaakt door een kunstenaar, door een scheppend bewustzijn. De moderne (materialistische) wetenschap kent dat uitgangspunt niet. Ze ziet de wereld niet als de schepping van een bewust wezen. Ze vindt dat zelfs een bespottelijk idee. De kunstwetenschap weet dan ook niet hoe ze moet omgaan met dit a priori weten. Ze negeert het gewoon en doet alsof ze een wetenschap is als alle andere. Maar daardoor negeert ze ook de scheppende geest die aan het kunstwerk ten grondslag ligt, en bijgevolg ook het specifieke karakter van het kunstwerk. Ze blijft met andere woorden blind voor het drieledige wezen van de kunst, dat bestaat uit de kunstenaar, het kunstwerk en de kijker. Geen van die drie elementen kan weggelaten worden zonder dat de kunst ophoudt kunst te zijn (en de kunstwetenschap wetenschap).

Een kunstwetenschap die werkelijk wetenschap wil zijn, moet erkennen dat ze zelf deel uitmaakt van datgene wat ze onderzoekt. Daarin verschilt ze wezenlijk van de moderne wetenschap die doet alsof ze buiten haar studieobject staat. De natuurwetenschap beschouwt de natuur niet als een levend wezen waarmee ze in relatie moet treden als ze het wil leren kennen. Ze ziet haar als een dood voorwerp waar je als bewustzijn geen contact mee hebt en dat geen enkel gevoel in je oproept. Juist die afwezigheid van gevoel stelt de wetenschapper in staat om, zoals Francis Bacon het uitdrukte, de natuur op de pijnbank te leggen ten einde haar al haar geheimen te ontfutselen. Door de natuur te ‘folteren’ kan de moderne wetenschapper haar dwingen te doen wat hij wil, een beetje zoals een moslim zijn vrouw kan dwingen zich volledig te onderwerpen. Die vergelijking is trouwens minder misplaatst dan men denkt, want het arabisme heeft een cruciale rol gespeeld in het ontstaan van de moderne wetenschap.

Aan die ‘gevoelloze’ materialistische wetenschap heeft de moderne mens zijn vrijheid te danken. Door zijn emotionele band met de wereld van de scheppende geest los te maken, is hij een vrij wezen geworden. Daarvoor heeft hij van zijn hart wel een steen moeten maken (en van zijn hoofd een fanatieke moslim die alleen maar denkt in termen van onderwerping). Dat is de prijs die hij voor zijn vrijheid betaald heeft. Maar hij heeft die prijs niet vrijwillig betaald. Hij ging namelijk te werk als een … kunstenaar die zich niet bewust was van de ‘methode’ die hij hanteerde. Hij ‘vergat’ de agressieve en gevoelloze manier waarop hij de wereld benaderde omdat hij anders niet verder kon werken aan zijn kunstwerk: de vrije mens en de vrije wereld. De paradox is dus dat de moderne mens, die in de loop der eeuwen steeds wetenschappelijker werd en zich steeds meer losmaakte uit de geestelijke wereld, toch nog altijd in de eerste plaats een kunstenaar was, dat wil zeggen: iemand die zich niet echt bewust was van zijn wetenschappelijke methode.   

Om te kunnen scheppen moet een kunstenaar zich verbinden met de geestelijke wereld. Hij moet ‘de stem van zijn genius’ gehoorzamen en dat maakt hem onvrij. Door steeds meer afstand te nemen van deze wereld van de geest, verovert hij gaandeweg zijn vrijheid. Maar deze evolutie van kunstenaar naar wetenschapper maakt nog altijd deel uit van het kunstzinnige scheppingsproces. De kunstenaar wordt namelijk vanzelf steeds meer toeschouwer (of wetenschapper) naarmate zijn kunstwerk de voltooiing nadert. Hoe meer het in verschijning treedt en zichtbaar wordt, des te meer valt er te zien (en te beoordelen) en des minder valt er te scheppen. Dat maakt het voltooien van een kunstwerk soms zo moeilijk: de (innerlijke) wetenschapper dreigt de overhand te halen op de kunstenaar en diens scheppingskracht te verlammen. De (innerlijke) kunstenaar moet zich daartegen verzetten en op die manier ontstaat er een hevige strijd tussen de kunstenaar en de wetenschapper in de mens. 

Het is deze innerlijke strijd die we nu ook op het wereldtoneel zien verschijnen. We beleven immers de voltooiing van het ‘wereldkunstwerk’: de vrije mens is klaar om geboren te worden. Er komt met andere woorden een eind aan het kunstenaarschap van de mensheid en de omschakeling naar het toeschouwerschap vindt plaats. De vrije mens maakt zich los uit (de baarmoeder van) de geestelijke wereld: hij zet de stap van de scheppende naar de geschapen wereld. Zoals bij iedere geboorte gaat dat gepaard met een intense strijd tussen de scheppende krachten (die verder willen werken aan het kind) en de oordelende krachten (die het kind zichtbaar willen maken). De scheppende krachten willen de eenheid van moeder en kind behouden, de oordelende krachten willen beiden van elkaar onderscheiden. Hun onderlinge strijd is de bekroning van het scheppingsproces, hij zorgt ervoor dat het kind op het juiste moment geboren wordt, dat wil zeggen wanneer het voltooid is. 

Advertenties