De gulden lijdensweg

door lievendebrouwere

  

Onlangs verkondigde Etienne Vermeersch ergens dat vrijheid van meningsuiting absoluut moet zijn. Racistische en negationistische uitspraken moeten volgens hem kunnen. Uiteraard kwam daar reactie op. Onder meer van iemand die betoogde dat meningen wel vrij zijn, maar daden niet. En een mening die wordt uitgesproken is een daad. Dus kan vrijheid van meningsuiting nooit absoluut zijn. Het klinkt als een plausibele redenering want spreken of schrijven is inderdaad een daad (sic). Het is iets helemaal anders dan alleen maar in gedachten een mening vormen. Maar volstaat dat onderscheid om te besluiten dat meningsuiting nooit helemaal vrij kan zijn? 

Een mening uitspreken is een daad, daar kan geen twijfel over bestaan. Maar is een mening vormen dat dan niet? Is denken geen daad? Voor mij is het dat alleszins wel: het kost me heel wat moeite. Denken en spreken zijn dus allebei vormen van doen. Ze verschillen alleen doordat de ene onzichtbaar is en de andere niet. Maar is dat het enige onderscheid dat je tussen daden kunt maken? Er is toch zeker wel een groot verschil tussen een gesproken woord en mes tussen de ribben? Het zijn allebei daden, maar je kunt ze toch niet met elkaar vergelijken. Er moeten dus minstens drie soorten daden worden onderscheiden: geestelijke daden, fysieke daden en gesproken daden. 

Gesproken daden – meningsuitingen dus – vormen een middengebied tussen geestelijke en fysieke daden. Ze kunnen zeer zeker kwetsend zijn, maar alleen voor de ziel, die geest en lichaam met elkaar verbindt. Wanneer we spreken over vrije meningsuiting moeten we er rekening mee houden dat die meningsuiting zich afspeelt op een specifiek gebied dat niet herleid kan worden tot beide andere. We zouden het een kunstzinnig gebied kunnen noemen, juist omdat het het midden houdt tussen geest en materie. En ten aanzien van kunst geldt dat ze vrij moet zijn. Je kunt niemand dwingen om kunst te maken, dat is gewoon onmogelijk. 

Ten aanzien van kunst geldt echter ook dat je niet gedwongen kunt worden om ze mooi te vinden, zelfs niet om ernaar te kijken of te luisteren. Zoals de kunstenaar de vrijheid heeft om te scheppen wat hij wil, zo heeft de kijker of de luisteraar de vrijheid om over die schepping te oordelen zoals hij wil. Hij mag er zelfs vernietigend over oordelen en zeggen dat hij het afschuwelijk vindt en er nooit meer wil naar kijken of luisteren. Dat zijn de regels van het artistieke spel: kunstenaar en toeschouwer laten elkaar vrij. De prijs die ze voor die vrijheid betalen, is dat ze het risico lopen gekwetst te worden: de kunstenaar door het oordeel van de toeschouwer, de toeschouwer door het kunstwerk. 

Het spreken van de mens – en dus ook de meningsuiting – behoort tot het kunstzinnige gebied. En kunst is niet denkbaar zonder lijden. Een kunstenaar moet lijden, zoals een moeder moet lijden als ze een kind op de wereld wil zetten. Zo zit de wereld nu eenmaal in elkaar. Een samenleving die de vrijheid van meningsuiting verdedigt, is in wezen een kunstzinnige samenleving, een samenleving die het lijden accepteert als een kreatieve kracht. En een dergelijke samenleving kan ook alleen maar christelijk zijn, want het christendom is de enige religie waar het lijden centraal staat en positief gewaardeerd wordt. We zien dan ook dat christelijke samenlevingen kreatieve samenlevingen zijn.

Ze staan in schril contrast met de islamitische samenlevingen, die allesbehalve kreatief zijn en zelfs vijandig staan tegenover kunst. Logischerwijze staan staan moslims ook vijandig tegenover de vrije meningsuiting en willen ze absoluut niet gekwetst worden door andere meningen. Ze reageren daarop door fysiek te kwetsen, denken we maar aan de bloederige strijd tussen soennieten en de sjiieten, een strijd over relatief kleine meningsverschillen binnen de islam. Moslims maken geen onderscheid tussen kunstzinnige daden (het uiten van een mening) en fysieke daden (een mes tussen de ribben). Gevoelsmatig gekwetst worden en fysiek gekwetst worden is voor hen hetzelfde. 

We kunnen ons nu wel de vraag stellen wát het precies is dat gekwetst wordt door een andere mening. Als iemand mij bijvoorbeeld verwijt dat ik gierig ben en ik weet absoluut zeker dat ik dat niet ben, dan zal zijn mening mij niet kwetsen. Ik zal erom moeten lachen. Ze zal mij ook niet kwetsen als ik absoluut zeker weet dat ik wel gierig ben. Ik zal dan zeggen: inderdaad, je hebt gelijk. Anders gezegd: wanneer ik de waarheid ken, kunnen meningen mij niet raken. Dat doen ze alleen wanneer ik de waarheid niet ken en bijvoorbeeld een verkeerd beeld heb van mezelf. Het is dan mijn ego dat gekwetst wordt omdat het in illusies verkeert omtrent zichzelf. 

Het lijden is dus een manier om de waarheid te leren kennen, om het Ik te bevrijden uit de (luciferische) illusies van het ego. Het gekwetst worden van dat ego is derhalve een vorm van genezing. Het is als met een gebroken been: als het weer geheeld is, is het sterker dan voorheen. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat men beenderen – of ego’s – naar hartelust kan verbrijzelen. Wil het lijden vruchtbaar zijn, dan moet het in verhouding staan tot de genezende krachten. Een ego dat zo diep gekwetst wordt dat het zich niet meer kan herstellen, zal geen Ik worden. Maar een ego dat niet gekwetst wordt, zal zich alsmaar verder opblazen tot het uit elkaar spat en iedere kans op een Ik-ontwikkeling verkeken is.

Het is genoegzaam bekend dat het (vooral arabische) moslim-ego buitensporige afmetingen heeft. Dat maakt het buitengewoon kwetsbaar en wel op twee manieren. Enerzijds is het overgevoelig en verdraagt het geen andere meningen, anderzijds dreigt het zichzelf op te blazen (en aangezien moslims geen onderscheid maken tussen ziel en lichaam doen ze dat ook letterlijk). We moeten dus voorzichtig zijn met dit ‘explosieve’ ego, maar niet in die mate dat we het niet meer durven kwetsen. We mogen niet vergeten dat ook moslims een Ik hebben (of zijn) en dat het dit Ik is dat naar het christelijke Europa komt om bevrijd te worden van het opgeblazen ego waarin het gevangen zit. 

Vrije meningsuiting kan dus niets anders dan een kunst zijn, een zoeken naar de gulden middenweg, de weg naar de waarheid van het Ik. Dat moeten we goed beseffen en daarom moeten we duidelijk onderscheid maken tussen kunst en werkelijkheid, tussen ziel en lichaam, tussen een gesproken daad en een fysieke daad, tussen een kwetsend woord en een mes tussen de ribben. Zolang we dat niet doen, zitten we gevangen in de dualistische mensvisie van de islam, die geen derde middenpool erkent, die geen kunst erkent, die geen ontwikkeling van ego naar Ik erkent. En dan hebben we geen terroristische aanslagen nodig om onze samenleving op te blazen, dan doet ze dat zelf wel.

Advertenties