Antroposofie en sexualiteit (5)

door lievendebrouwere

  

Wie het thema ‘antroposofie en sexualiteit’ met succes wil aanpakken, moet eigenlijk over een grondige kennis van de menskunde beschikken, anders kan hij de schaarse mededelingen van Rudolf Steiner over dit onderwerp niet tot leven wekken. Zo’n kennis blijft voor de meesten onder ons echter een vrome wens, dat beseft iedereen die al eens ‘Algemene Menskunde’ gelezen heeft. Maar Ahriman, die ons voortdurend onze kleinheid en ontoereikendheid inpepert en ons op die manier verleidt om alles aan anderen over te laten, is vandaag een groter gevaar dan Lucifer die ons in de waan brengt dat we het allemaal zelf kunnen. De gulden middenweg loopt dan ook niet precies halverwege tussen beide. Dat wist Odysseus al toen hij op Scylla aanstuurde en zware averij opliep, maar daardoor wel ontsnapte aan de alles verzwelgende Charybdis. Het feit dat de spiritueel-antroposofische benadering van de sexualiteit nog in haar kinderschoenen staat mag ons niet beletten de eerste stuntelige stappen te zetten. Dat geldt trouwens voor de antroposofie in het algemeen: we staan nog maar aan het begin van een heel lange weg. Het vallen en opstaan mag ons niet afschrikken. 

Hoe uitgebreid het werk van Rudolf Steiner ook is, het biedt ons niet meer dan algemene richtlijnen voor de omgang met de reële geestelijke wereld. De antroposofie is als een geraamte dat we moeten bekleden met vlees en bloed. De sexualiteit is net het omgekeerde: het is een wereld van louter vlees en bloed waarin we een ‘geraamte’, dat wil zeggen een begrippelijke structuur, moeten aanbrengen. In die zin vormen antroposofie en sexualiteit een polariteit: ze staan tegenover elkaar als een (dode) bovenpool en een (levende) onderpool die met elkaar verzoend moeten worden in de middenpool van het hart. Net als bij het bouwen van een brug gebeurt dat vanuit beide polen naar het midden toe: we proberen de abstracte begrippen van ons denken langzaam tot leven te wekken, en het uiterst complexe en (daarom) duistere wilsleven proberen we te ‘doden’ tot een geraamte. Aan het ene uiterste van deze polariteit staat de Filosofie der Vrijheid, de meest abstracte uitdrukking (en daarom de meest betrouwbare en blijvende basis) van de antroposofie, aan de andere kant staat de sexualiteit, de meest zinnelijke uitdrukking (en de uiteindelijke grondslag) van het concrete aardse leven. 

De antroposofie zal haar doel pas bereiken wanneer tussen beide uitersten een brug geslagen wordt, wanneer de abstracte antroposofische gedachtenwereld tot een onweerstaanbaar instinct wordt, en de sexualiteit tot een bewuste en vrijwillige ken-daad. Dat is uiteraard nog lang niet voor morgen, maar we kunnen er wel een begin mee maken – bijvoorbeeld door uit te gaan van wat in Steiners schaarse beschouwingen over de sexualiteit steeds weer terugkeert: de ‘omgekeerde’ geslachtelijkheid van het etherlichaam. Hier vinden we reeds een samengaan van een heldere tweedeling enerzijds en een duistere complexiteit anderzijds. Het eenvoudige gegeven dat het etherisch lichaam van de man vrouwelijk is en dat van de vrouw mannelijk, stelt ons inderdaad voor grote raadsels wanneer we er beginnen over na te denken. Dat begint al met de vaststelling dat we ons een beeld moeten vormen van de etherische wereld, en laat dat nu juist een bijzonder mysterieuze wereld zijn, een wereld waar we altijd overheen kijken. Bovendien is deze etherische wereld vrouwelijk van aard ten opzichte van de (meer mannelijke) fysieke wereld, wat de zaken nog gecompliceerder maakt. 

Wanneer de mens geslachtsrijp wordt (omstreeks het 14de levensjaar), neemt het etherlichaam de vorm aan van het fysieke lichaam van het andere geslacht. Aldus Rudolf Steiner. Hij noemt ook twee eigenschappen die verband houden met dat etherlichaam: de opofferingsbereidheid van de vrouw en de eerzucht van de man. De mannelijke eerzucht gaat uit van zijn vrouwelijke etherlichaam, de vrouwelijke opofferingbereidheid van haar mannelijke etherlichaam. We mogen ervan uitgaan dat Rudolf Steiner deze twee eigenschappen niet zomaar noemt. Ze moeten iets essentieels tot uitdrukking brengen. Maar wát precies? Hoe kunnen we een eigenschap als opofferingsbereidheid in verband brengen met de etherische man-in-de-vrouw? En wat die houdt etherische mannelijkheid in? Steiner zegt dat het etherlichaam van de vrouw ganz gleich dem physischen Leib des Mannes gestaltet wordt. Het krijgt dus de gestalte of de vorm van het fysieke lichaam van de man. Maar dat mannelijke lichaam straalt precies het omgekeerde uit van opofferingsbereidheid: het heeft – vergeleken met het vrouwenlichaam – iets dreigends, iets intimiderends, iets dierlijks. 

Juist die vergelijking met de dierenwereld kan echter een tipje van de sluier oplichten. Het dier dat als geen ander de mannelijke fysieke kracht belichaamt, is de stier. Zijn indrukwekkende en massieve lijf is geheel en al prijsgegeven aan de zwaartekracht. Stieren verroeren zich nauwelijks, ze staan onwrikbaar als standbeelden in de wei. Maar ze beschikken over een enorme ‘oprichtende’ kracht: een woedende stier kan een paard op de horens nemen en de lucht in gooien. Geen enkel ander dier is tegen hem opgewassen, behalve de olifant, maar die is – met zijn slurf en zijn slagtanden – al even mannelijk als de stier. Nu staan beide dieren – en dan vooral het rund – bekend om hun … opofferingsbereidheid. Om die reden geldt de koe in India als een heilig dier. Geen ander dier stelt zich zo onzelfzuchtig ten dienste van de mens. Zonder de koe had de mens zich nooit boven het dierlijke niveau kunnen verheffen. De Europese mensheid heeft ‘op de rug van de stier’ haar beschaving uitgebouwd. Het klinkt dan ook logisch als Rudolf Steiner beweert dat het mannelijke lichaam afstamt van wat hij de ‘Stiermensheid’ noemt (één van de vier groepszielen waaruit de mensheid heel lang geleden bestond). 

Het vrouwelijke lichaam stamt volgens hem dan weer af van de ‘Leeuwmensheid’. Ook dat zal niemand verbazen: de katachtigen zijn onmiskenbaar ‘vrouwelijk’ van aard. Hun soepelheid, hun gratie en hun aaibaarheid staan in schril contrast tot de logheid, de zwaarte en het kom-niet-te-dichtbij van de mannelijke stier. Er is echter nog een ander fundamenteel verschil tussen beide dieren. Samen met het paard, het varken en het schaap behoort de stier tot de dieren die altijd bij de mens zijn gebleven en niet verwilderd zijn. Anders dan doorgaans wordt aangenomen zijn deze dieren dus niet gedomesticeerd, maar hebben ze hun oorspronkelijke vreedzame natuur bewaard, terwijl de andere dieren ‘verwilderd’ zijn. De leeuw is een typisch voorbeeld van zo’n verwilderd dier: men kan een leeuw wel temmen, maar de ‘wildheid’ gaat er nooit meer uit. Dat is trouwens een van de grote aantrekkelijkheden van de kat: hoe dicht ze ook bij de mens leeft, ze past zich niet aan, ze gaat haar eigen gang. Ze laat zich niet bevelen zoals een hond, en met haar ‘zeven levens’ is ze het tegendeel van een offerdier. De kat is even mysterieus, ondoorgrondelijk en onberekenbaar als een … vrouw. 

De opofferingsbereidheid van de vrouw kunnen we dus afleiden uit de dierlijke afstamming van het mannelijke lichaam, net zoals we de eerzucht van de man kunnen afleiden uit de oorsprong van het vrouwelijke lichaam. Er is immers niets onzelfzuchtigs aan de leeuw. Dit trotse en koninklijke dier is als het ware de belichaming van het menselijk ‘ego’ dat zichzelf als het centrum van de wereld beschouwt en als vanzelfsprekend alle aandacht naar zich toetrekt. We herkennen dit op-zichzelf-gericht-zijn in het vrouwelijke lichaam dat als het ware gemaakt is om bekeken te worden. Vandaar de bijna lichamelijke behoefte van de vrouw om zich mooi te maken (en voor een kat om voortdurend zijn pels schoon te likken). Mannen bezitten die behoefte niet. Ze trekken zich niks aan van hoe ze eruit zien. Hun aandacht is geheel en al naar buiten gericht, op de hen omringende wereld. In lichamelijk opzicht denken ze niet aan zichzelf. De vrouwelijke aandacht is veel meer naar binnen gericht, op haar eigen persoonlijke zelf en alles wat daarmee verband houdt, zoals kinderen, familie, relaties en huishouding. De vrouw creëert haar eigen kleine wereld waarvan zij het onbetwiste middelpunt is. 

Het is dus heel goed mogelijk om de twee eigenschappen die Rudolf Steiner noemt – de opofferingsbereidheid van de vrouw en de eerzucht of ambitie van de man – in verband te brengen met eigenschappen van het fysieke lichaam. Maar dan wel van het andere geslacht. Om het innerlijk van de vrouw te leren kennen, moeten we dus kijken naar het uiterlijk van de man, en omgekeerd. Dat is … verwarrend. En het wordt nog verwarrender wanneer we bedenken dat de offerbereidheid van de vrouw net zo goed in verband kan worden gebracht met haar eigen lichaam. Dat vrouwelijke lichaam is namelijk veel minder dan het mannelijke in staat om zich te beschermen, en dus wordt het veel gemakkelijker (slacht)offer. Bovendien is dat lichaam ook zodanig gebouwd dat het zich helemaal ten dienste stelt van het kind. Het is dus in alle opzichten een ‘offerlichaam’ dat zich ertoe leent om gebruikt en misbruikt te worden, iets wat we zeker niet kunnen zeggen over het mannelijke lichaam. En toch schrijft Rudolf Steiner de opofferingsbereidheid van de vrouw en de eerzucht van de man niet toe aan hun fysieke lichaam. Hij schrijft die typische eigenschappen toe aan hun etherische lichaam.

Het is dus verre van eenvoudig om onderscheid te maken tussen het fysieke en het etherische lichaam. Eigenschappen die we geneigd zijn toe te schrijven aan het fysieke lichaam, blijken afkomstig te zijn van het etherische lichaam. De eerzucht van de man bijvoorbeeld is niet afkomstig van zijn stoere mannelijke lichaam, maar van zijn kwetsbare vrouwelijke etherlichaam. In de sportman die een doelpunt scoort en zich brullend op de borst slaat, zien we een etherische vrouw aan het werk. En een vrouw die zich verlegen terugtrekt wanneer ze door een man wordt benaderd, toont ons het gedrag van haar etherische man. Bijzonder verwarrend allemaal. En dan spreken we nog niet over de rol van het astrale lichaam en het Ik. Zonder die twee zou de mens eruitzien als een … plant, en daar lijkt hij in de verste verte niet op. Hij lijkt zelfs niet op de meeste dieren. De vorm van zijn fysieke lichaam is dan ook afkomstig van zijn Ik. Het meest zichtbare aan de mens is paradoxaal genoeg wat het meest geestelijk aan hem is. Dat wordt overigens bevestigd door het feit dat er in het materialisme geen enkele betekenis wordt gehecht aan de menselijke gestalte.

Steeds weer horen we vertellen dat er nauwelijks verschil is tussen mens en dier, ja dat de mens voor 95 percent identiek is aan de worm. Zo’n absurde uitspraak is alleen mogelijk als men volkomen abstractie maakt van de fysieke gestalte van de mens. Zelfs tussen de mens en de aap – het dier dat het dichtst bij de mens staat – is er louter uiterlijk gezien een wereld van verschil. Maar dat lijkt men niet op te merken. Het meest voor de hand liggende wordt over het hoofd gezien. Dat is wat het materialisme met ons doet: het maakt ons blind voor de wereld zoals hij aan ons verschijnt. We ruilen hem in voor de wereld zoals we denken dat hij is. Doordringen tot de geestelijke dimensie van de werkelijkheid betekent dus: opnieuw leren kijken en aandacht geven aan de vorm van die werkelijkheid. Het betekent: de wereld als een beeld zien, een metafoor, een gelijkenis. En nergens is de wereld méér beeld en vorm dan in de sexualiteit. Juist het feit dat we op fysiek vlak man of vrouw zijn – en dus als mens nergens (helemaal) zichtbaar – doet ons als vanzelf zoeken naar de geest achter deze twee oervormen. Het enige wat ons dat belet, is het materialisme dat ons influistert dat die vormen helemaal niks te betekenen hebben.