Geloof of wetenschap?

door lievendebrouwere

  

Ha Vinh Tho, een boeddhistische leraar uit Bhutan, zegt over antroposofie het volgende: ‘Enerzijds beklemtoont iedereen dat het GEEN religie is maar een geesteswetenschap, anderzijds gaan de meeste antroposofische inhouden ieders petje te boven en moeten ze dus gewoon geloofd worden. De methode die Steiner voorstelt, is inderdaad voor iedereen toegankelijk, maar de resultaten van zijn onderzoek zijn dat alleen voor iemand die ingewijd is of helemaal verlicht. Er lijkt verwarring te bestaan tussen het propageren van een wetenschappelijke methode die de spirituele dimensie van mens en wereld omvat, en het cultiveren van inhouden die in de ogen van niet-antroposofen alleen beschouwd kunnen worden als openbaringen van een verlicht meester. Met dat laatste heb ik geen probleem, maar men kan deze openbaringen onmogelijk voorstellen als wetenschappelijke resultaten die iedereen zich eigen kan maken.’ 

Zoals dat wel meer het geval is met uitspraken van boeddhisten, klinken de woorden van Ha Vinh Tho nuchter en wijs. Toch ben ik het er niet mee eens. In de praktijk is het inderdaad zo dat veel antroposofische inhouden ons petje te boven gaan en niet op eigen kracht kunnen gevonden worden. Ze worden gewoon geloofd, dat wil zeggen ‘op het gevoel’ aangenomen. Dat kan ook niet anders. Het wordt nogal eens vergeten dat de antroposofie in eerste instantie een gevoelsaangelegenheid is. Je moet eerst voelen dat antroposofie waar is (of een kern van waarheid bevat) vóór je er begint over na te denken. Dat ‘waarheidsgevoel’ kan de theoretische inhouden van de antroposofie betreffen of de praktische toepassingen, maar zonder dat gevoel kom je niet tot de antroposofie. Wie kan immers beweren vanuit zuiver inzicht tot de antroposofie te zijn gekomen?

Dat wil echter nog niet zeggen dat dit geloof of waarheidsgevoel zich niet kan ontwikkelen tot echt inzicht. Het is niet omdat de antroposofie in de praktijk voor de meeste antroposofen een geloof is, dat ze dat ook in theorie is en dus geen wetenschap genoemd kan worden. We vergeten gemakkelijk dat de wetenschap zoals wij die vandaag kennen, ook begonnen is als een geloof: het geloof in de begrijpelijkheid van de wereld. Het is niet eens zó lang geleden dat mensen voor het eerst echt begonnen na te denken over de wereld. Waarom deden ze dat? Omdat ze het gevoel hadden dat er een relatie bestond tussen hun gedachten en de wereld waarin ze leefden. Misschien was dat gevoel wel opgewekt door de eerste mens die begon na te denken, een pionier zoals ook Rudolf Steiner dat was. In ieder geval, ze gingen dat denken uitproberen zoals ook een klein kind dat op een gegeven ogenblik begint te doen. 

Dat eerste kinderlijke denken heeft iets aandoenlijks: het is nog een ‘fantastisch’ denken, een denken vol gevoel en verbeeldingskracht. Het lijkt in de verste verte niet op wetenschappelijk denken, en toch is het er het begin van. Albert Einstein en Niels Bohr zijn allebei op die manier beginnen denken en er is zelfs veel voor te zeggen dat ze zo’n grote wetenschappers zijn geworden omdat ze iets van dat kinderlijke fantasievolle denken bewaard hebben. Ook de antroposofie is in haar huidige stadium nog een ‘kinderlijke’ bedoening. Antroposofen mogen dan misschien heel gewichtig klinken, alsof ze reeds een doctorstitel in de geesteswetenschap behaald hebben, maar in wezen zijn ze stuntelende peuters die iets uitproberen omdat ze het gevoel hebben dat ze op die manier iets te weten zullen komen over de geestelijke dimensie van mens en wereld. 

Het is onzin om te zeggen dat die peuters altijd peuters zullen blijven en dat antroposofen zich nooit zullen ontwikkelen tot echte (geestes)wetenschappers zoals Rudolf Steiner. Dat is eigenlijk wat Ha Vinh Tho beweert. Hij zegt dat antroposofie geen wetenschap is, dat ze niet bestaat uit ‘resultaten die iedereen zich eigen kan maken’. Dat mag nu nog wel het geval zijn, maar het hoeft niet zo te blijven. Wat nu nog (gevoelsmatig geaccepteerde) openbaring is, kan over afzienbare tijd heel goed een ‘wetenschappelijk resultaat worden dat iedereen zich kan eigen maken’. Waarom niet? Het is gewoon een kwestie van oefening, inspanning en tijd. Trouwens, wie kan zeggen dat hij zich de resultaten van de moderne wetenschap eigen kan maken? Ik alvast niet. Ik begrijp nog de eerste letter van een wetenschappelijk leerboek niet. En ik las ooit bij Maarten ’t Hart dat de basisexperimenten van de wetenschap in de praktijk nooit de veronderstelde resultaten opleveren.

Men zou eens moeten nagaan in hoeverre de moderne wetenschap nog bestaat uit ‘resultaten die iedereen zich eigen kan maken’ dan wel een kwestie van blind geloof is geworden. Is de moderne klimaatwetenschap bijvoorbeeld zoveel wetenschappelijker dan de antroposofie? Wie kan haar resultaten controleren, wie kan ze opnieuw berekenen? Worden ze niet stomweg geloofd en vormen klimaatactivisten niet veel meer een sekte dan antroposofen? Om tot haar resultaten te komen – die worden voorgesteld als ‘de waarheid’ – eist de wetenschap een strenge moraliteit van de wetenschapper: hij dient zijn denken te zuiveren van alle persoonlijke en subjectieve elementen, van alle egoïsme dus. Dat lijkt in de klimaatwetenschap niet meer te lukken en dat geldt ongetwijfeld ook voor de andere wetenschappen. De persoonlijke gevoelens laten zich niet langer onderdrukken, ze mengen zich (ongevraagd) in het wetenschappelijke bedrijf.

Dit falen van de wetenschappelijke moraal wijst op de noodzaak van een nieuwe moraal, een moraal die niet alleen het denken zuivert maar ook het voelen. Er zit gewoon niets anders op. De toenadering tussen denken en voelen valt niet meer tegen te houden. Ze zijn als man en vrouw die onweerstaanbaar tot elkaar worden aangetrokken. Die wederzijdse aantrekkingskracht zal er niet minder op worden, wel integendeel. De tegenpolen willen zich met elkaar verenigen, overal en op ieder gebied, de hedendaagse actualiteit laat daar geen twijfel over bestaan. Voor de wetenschap betekent dat echter de doodsteek want de gevoelsmatige subjectiviteit die ongemerkt in haar binnendringt, maakt haar onbetrouwbaar en leugenachtig. Het enige wat deze verkrachting kan voorkomen, is de zuivering van de grensoverschrijdende gevoelens die het wetenschappelijk denken ongewenst penetreren. 

Dat is in wezen wat de antroposofie nastreeft: zij wil van een verkrachting een bevruchting maken, zij wil het ‘sexuele geweld’ tussen de mannelijke ratio en de vrouwelijke emotie transformeren tot een liefdesdaad. Daartoe moet zij enerzijds de zuiverheid van het wetenschappelijke denken behouden en anderzijds de zuiverheid van het kunstzinnige, scheppende voelen bewerkstelligen. Die dubbele morele zuiverheid kan niet langer berusten op het oude ascetisme – dat de gevoelens bande uit de wetenschap en de gedachten uit de kunst – maar moet het product zijn van een geheel nieuwe, intense en liefdevolle omgang tussen beide. Dat betekent een enorme omwenteling, zowel voor de wetenschap als voor de kunst. Zowel het denkleven als het gevoelsleven van de moderne mens moet een ingrijpende verandering ondergaan. Daarom spreekt Rudolf Steiner ook over ‘het grootste keerpunt ooit in de mensheidsontwikkeling’. 

Pas in het licht van deze Grote Omkering kan begrepen worden dat de antroposofie vandaag niets anders kan zijn dan een stuntelig begin. Het feit dat geen enkele antroposoof (zelfs niet bij benadering) in staat is tot wat Rudolf Steiner kon, mag ons echter niet verleiden tot de overtuiging dat de antroposofie geen wetenschap maar een geloof is. Ook al vertoont ze heel wat kenmerken van dit laatste, het geloofsaspect is slechts de buitenkant van de antroposofie, de baarmoeder waaruit – met veel moeite en pijn – het drieledige kind zal geboren worden: een levende wetenschap die tegelijk ook een kunst is en daardoor tevens een religie. Dat ‘kind’ is vooralsnog slechts in één mens geboren: Rudolf Steiner. Maar zo gaat het altijd: één iemand moet de spits afbijten en de weg openen voor de anderen. Geleidelijk aan zal het kind ook in meerdere mensen geboren worden tot het uiteindelijk, zoals de moderne wetenschap nu, gemeengoed zal zijn.

Advertenties