Geloven en bewijzen

door lievendebrouwere

  

Antroposofen geloven dat de werkelijkheid een geestelijke dimensie heeft én dat het mogelijk is die dimensie wetenschappelijk te onderzoeken, net zoals dat met de materiële dimensie gebeurt. Het woordje ‘geloven’ is hier belangrijk, want het is niet zo dat antroposofen die geestelijke dimensie kunnen waarnemen. Ze nemen het bestaan ervan aan als een wetenschappelijke hypothese die ze vervolgens proberen te bewijzen. Dat ‘bewijzen’ verloopt uiteraard anders dan in de gewone wetenschap, die zich exclusief richt op de materiële werkelijkheid. De onderzoekende geest plaatst zich daar buiten de werkelijkheid die hij onderzoekt, want die werkelijkheid wordt geacht louter materieel te zijn. Een geesteswetenschap als de antroposofie daarentegen plaatst zich NIET buiten de onderzochte werkelijkheid, maar beschouwt zichzelf als een onderdeel ervan. Bewijzen kunnen hier geen louter materieel karakter hebben, ze moeten ook geestelijk van aard zijn. Ze staan met andere woorden niet los van de onderzoeker, zoals dat het geval is met een formule of een experiment, maar maken deel van hem uit, in de vorm van een persoonlijke en zelfs intieme beleving of ervaring. 

De reguliere, materialistische wetenschapper ontwikkelt een formule of zet een experiment op, en in theorie kan iedereen die formules narekenen of het experiment nadoen. Die herhaalbaarheid geldt dan als bewijs van de hypothese. Met de persoon van de wetenschapper of zijn ‘controleurs’ heeft dat bewijs niets te maken: het is van volkomen onpersoonlijke aard. In de geesteswetenschap ligt dat anders, want in tegenstelling tot de materiële wereld is de geestelijke wereld WEL persoonlijk van aard. De ‘bewijzen’ voor die wereld kunnen dus alleen bestaan uit persoonlijke waarnemingen, belevingen of ervaringen. Zo’n persoonlijke ervaring kan echter niet worden doorgegeven zoals een formule of experimentele opstelling in de gewone wetenschap. Toch is er geen wezenlijk verschil, er is alleen een verschil in moeilijkheidsgraad. Wanneer een reguliere wetenschapper een bewijs heeft gevonden, dan kan hij dat doorgeven aan anderen. Een e-mailtje volstaat. Maar die anderen moeten dat e-mailtje wel willen openen en zij moeten ook het bewijs willen controleren of het experiment herhalen, en zij moeten het ook nog eens ‘verwerken’, anders blijft het een dode letter en is er niks bewezen. 

In de geesteswetenschap is het niet anders. Rudolf Steiner heeft ons een indrukwekkend aantal onderzoeksresultaten meegedeeld, inzichten die hij (voor zichzelf) ‘bewezen’ heeft door ze persoonlijk te ervaren. Tegelijk heeft hij ook verteld hoe we tewerk moeten gaan om die inzichten ook zelf te kunnen ervaren, zodat ze ‘bewezen’ worden. Dat is in wezen geen andere praktijk dan in de reguliere wetenschap, want die bezit ook haar werkwijze en als we die niet kennen of niet willen toepassen, dan kunnen we nooit de meegedeelde formules narekenen en kan er ook niets bewezen worden. Deze wetenschappelijke werkwijze of methode hebben mensen gedurende eeuwen met heel veel moeite en inspanning ontwikkeld. Die inspanningen hebben hen langzaam veranderd, en vandaag veranderen ze de mens zelfs zeer snel nu iedereen zowat zijn hele jeugd besteedt aan het zich eigen maken van de wetenschappelijke manier van denken. Dat rationele, wetenschappelijke denken is voor de moderne mens tot een tweede natuur geworden. En als hij in contact komt met bijvoorbeeld moslim-immigranten dan kan hij vaststellen dat deze mensen die tweede natuur niet (in dezelfde mate) bezitten. 

De (gewone) wetenschap heeft de mens dus heel geleidelijk veranderd. Dat zal ook gebeuren met de geesteswetenschap als zij aanvaard en beoefend wordt: zij zal in de loop der tijden tot een tweede natuur worden. En juist omdat zij veel persoonlijker van aard is dan de onpersoonlijke materialistische wetenschap, zal zij de natuur van de mens grondiger veranderen dan de gewone wetenschap. Rudolf Steiner was daar een treffend voorbeeld van. De man was een wetenschapper, een denker die over een duizelingwekkende wetenschappelijke kennis beschikte. Hij kon met kennis van zaken spreken met wetenschappers van iedere discipline, of het nu de natuurwetenschap was, de geneeskunde, de landbouwwetenschap of de esthetica. Toch was de man geen klassieke professor of boekenwurm. Uit de verhalen komt hij naar voor als een eenvoudig en warmhartig mens die net zo goed kon spreken met boeren en arbeiders als met universiteitsprofessoren. Hij was een echte uomo universale. Hij wist niet alleen ontzettend veel, hij kon ook ontzettend veel, en hij was ontzettend veel. Hij was in de allereerste plaats een liefdevol mens: dát was het essentiële ‘bewijs’ van zijn antroposofie.

De onderzoeksresultaten van de geesteswetenschap (die tot nog toe grotendeels het werk zijn van Rudolf Steiner) kunnen dus wel degelijk bewezen worden. Maar daarvoor moet men natuurlijk bereid zijn zelf de onderzoeksmethode toe te passen waarvan zij het resultaat zijn, anders kunnen die resultaten niet ‘herhaald’ worden en zelf ervaren worden. Is de antroposofische onderzoeksmethode moeilijker dan de regulier-wetenschappelijke methode? Voor ons moderne mensen: alleszins. Wij worden vandaag al geboren met een natuur die reeds voor een stuk gevormd is door eeuwen wetenschapsbeoefening en rationeel denken. Daar komt nog eens bij dat ieder modern leven vandaag begint met een zeer doorgedreven wetenschappelijke training op de schoolbanken. En dan nóg is wetenschap voor ons heel moeilijk en inspannend. Hoe moeilijk moet het dan niet zijn om ons een volledig nieuwe methode eigen te maken, die bovendien nog strijdig lijkt met de reguliere wetenschappelijke methode. Het vergt al een zelfoverwinning om te geloven in die methode en ze te willen toepassen.  

Geloven is essentieel voor de antroposofische methode. Zonder geloof kan er helemaal niets bewezen worden. Waarom had Rudolf Steiner (zoveel) leerlingen die bereid waren zijn onderzoeksmethode toe te passen en zijn resultaten uit te proberen, ook al stonden ze haaks op alles wat in zijn (zeer materialistische) tijd als juist en zinvol werd beschouwd? Omdat zijn leerlingen in hem geloofden. Omdat hijzelf, als mens, het levende bewijs was van de geesteswetenschap die hij onderwees. Rudolf Steiner belichaamde de antroposofie. En dat moet ook het doel zijn van iedere antroposoof: de antroposofie belichamen, een levend bewijs worden voor de antroposofische inzichten, zodat ook andere mensen ze zich eigen willen maken. Dat maakt meteen duidelijk dat de geesteswetenschap nog in haar kinderschoenen staat. Er is nog maar een fractie ‘bewezen’ van de antroposofische ‘hypothesen’, in die zin dat er nog maar weinig antroposofen zijn die in zichzelf zoveel bewijzen hebben verzameld – lees: de abstracte antroposofische inzichten tot persoonlijke ervaringen en belevingen hebben gemaakt – dat ze hun menselijke natuur voldoende hebben veranderd om ook voor anderen ‘bewijskracht’ te hebben. 

Er zijn zelfs antroposofen die, door hun gedrag en aard, bewijs lijken te voeren tegen de antroposofie en die een zeer onaangename indruk maken door hun sektarisme en fanatisme. Daarmee raken we een cruciaal punt aan: de antroposofie noemt zichzelf niet voor niets een wetenschap: zij berust op het rationele denken van de mens. De belevingen en ervaringen die de antroposofische inzichten ‘bewijzen’ moeten steunen op helder inzicht. Hoe overtuigend een antroposoof ook is door zijn persoonlijke manier van zijn, hij moet altijd in de eerste plaats een nuchter en rationeel mens zijn. Dat is de hoeksteen van zijn wezen. Anders is hij een reus op lemen voeten, en is zijn ‘bewijskracht’ van twijfelachtige of zelfs bedrieglijke aard. Er zijn veel effectievere en snellere methoden om in contact te komen met de geestelijke dimensie van de werkelijkheid dan de antroposofische. Deze laatste vertrekt namelijk van het nuchtere, rationele denken en dat is de traagste en moeizaamste manier om tot ‘bewijzende belevingen’ te komen. Maar het is wel de zekerste en betrouwbaarste, want het is een methode die de vrijheid van de mens vrijwaart. En dat is het allerbelangrijkste. 

Advertenties