Goethe en de natuurkunde

door lievendebrouwere

   

Als de natuur een geschiedenis heeft, betekent dat voor Goethe ook dat zij nog helemaal niet klaar is met zichzelf. Dat de mens de ogen opslaat en haar kan kennen, is het jongste hoofdstuk in deze geschiedenis. In ons heeft de natuur voor zichzelf een kennisorgaan gecreëerd om zichzelf te kunnen waarnemen en kennen. Deze kennisact is voor Goethe een soort liefdesrelatie. Vandaar zijn insisteren op het gebruik van de zintuigen. Een professioneel geleerde acht ik in staat zijn vijf zintuigen te loochenen. Het is zo iemand meestal niet om het begrip van de zaak te doen, maar om wat men erover heeft gezegd, schrijft hij aan Merck. Kennis van de natuur maakt deel uit van heel de persoon en blijft daarom verbonden met de overige neigingen en vaardigheden, zoals tekenen en dichten. Dichten en kennen zijn voor Goethe nog niet zo gescheiden als in de latere wetenschapscultuur het geval zal zijn. Hij streefde als dichter én als natuuronderzoeker naar een waarheid waarbij zien en horen juist niet vergaat. Later, als hij werkt aan zijn kleurenleer, zal hij in discussie met Newton van leer trekken tegen apparaten die het licht breken. Het ging er volgens hem om de fenomenen eens en voor al uit de duistere empirisch-mechanisch-dogmatische martelkamer te bevrijden. De mens op zich, in zoverre hij zich van zijn gezonde zintuigen bedient, is het grootste en nauwkeurigste natuurkundige apparaat dat er kan bestaan. 

(Rudiger Safranski, Goethe. Kunstwerk des Lebens, p. 306, 307)

Advertenties