Titanic (7)

door lievendebrouwere

  

Rubens en James Cameron hebben heel wat dingen gemeen. Het zijn allebei grote kunstenaars en succesrijke bedrijfsleiders. Ze hebben allebei de wereld veroverd met hun kunst en zijn er rijk van geworden. Die kunst is in beide gevallen grootschalig en overweldigend, realistisch en idealiserend, zintuiglijk meeslepend en zorgvuldig gestructureerd, and last but not least: ze bezit ook een esoterische dimensie. Als het niet zo’n dooddoener was zou men kunnen zeggen: als Rubens in onze tijd had geleefd, zou hij James Cameron zijn geweest. Maar afgezien van het feit dat ze gescheiden worden door vier eeuwen, is er ook een essentieel verschil tussen beide. Rubens heeft (sommige van) zijn schilderijen een esoterische betekenis meegegeven en hij heeft dat bewust gedaan. Het is volstrekt onmogelijk dat het ‘per ongeluk’ is gebeurd, zonder dat hij er weet van had. Bij James Cameron is het net omgekeerd: het is om meerdere redenen uitgesloten dat hij bewust een spirituele ‘boodschap’ in Titanic zou verborgen hebben. Hij heeft dus een esoterische film gemaakt zonder het te beseffen. 

Algemeen wordt aangenomen dat er slechts twee manieren zijn waarop die spirituele dimensie in Titanic kan zijn terechtgekomen. De ene is doordat niet James Cameron maar de kijker ze erin heeft gelegd. Het esoterische karakter van Titanic wordt dan gewoon op de film geprojecteerd en bestaat alleen in de gedachten van de kijker. De andere manier is de mediamieke: James Cameron is het onbewuste doorgeefluik geworden van een of andere geest die de mensheid een boodschap wilde brengen. Voor een antroposoof zijn geen van beide manieren acceptabel. In het ene geval stapelt men fictie (een esoterische interpretatie) op fictie (een film) en is men een fantast die zichzelf (en anderen) iets wijsmaakt. Men kan dan niet beschouwd worden als een ernstig geesteswetenschapper, want die hecht geen geloof aan ‘spirituele boodschappen’ die niet bewust, via een scholingsweg, zijn verkregen. Voeg daarbij nog eens de negatieve uitlatingen van Rudolf Steiner over film en het wordt duidelijk dat er een diepe kloof gaapt tussen de antroposofie en de zogenaamde ‘esoterische’ Hollywoodfilms. 

Aangezien eigenlijk alleen antroposofen beschikken over de bagage om deze films te ‘decoderen’ betekent deze kloof dat de esoterische (film)kunst van onze tijd volkomen onopgemerkt blijft. Het is altijd jammer als meesterwerken miskend worden, maar in dit geval zal niemand daar wakker van liggen, om de eenvoudige reden dat niemand het beseft, zelfs de makers niet. Er is echter nog een andere reden waarom de miskenning van deze esoterische kunst een spijtige zaak is. Daarvoor moeten we even terug naar het verleden. Kort voor zijn dood doet Rudolf Steiner een merkwaardige voorspelling. Hij zegt dat zijn leerlingen bijna onmiddellijk na hun dood weer zullen reïncarneren, want er staat hen een belangrijke taak te wachten, een taak waarvoor al de rest slechts voorbereiding is. In de tweede helft van de 20ste eeuw zullen namelijk ook de ‘leraren van Chartres‘ opnieuw geïncarneerd zijn. Voor het eerst zullen zowel de platonische als de aristotelische leiders van het esoterische christendom samen op aarde zullen zijn, en van hun samenwerking hangt niets minder dan het voortbestaan van onze beschaving af. 

Nooit heeft Rudolf Steiner met meer nadruk en dringendheid gesproken dan over de grote taak die de antroposofen te wachten stond. Hij plakte er zelfs een deadline op: de opdracht moest vóór het eind van de 20ste eeuw vervuld zijn, anders zou de menselijke beschaving ‘aan de rand van het graf’ komen te staan. De tegenmachten zouden immers al hun duivels ontketenen: Ahriman zou incarneren en Sorat zou voor de derde keer toeslaan. Tegenover dat duivelse geweld moest de antroposofie een krachtige spirituele impuls plaatsen die zou ontstaan uit de samenwerking van platonici en aristotelici. Op geen enkele andere manier, aldus Rudolf Steiner, kon de ondergang worden afgewend. Deze apocalyptische voorspelling herhaalde hij niet minder dan vijf keer. Het was als het ware zijn testament, een laatste krachtige aansporing over de dood heen. Het heeft niet mogen baten. Onmiddellijk na zijn deadline sloegen de tegenmachten toe: 9/11 kwam als een donderslag bij klaarlichte hemel en de War on Terror brak los. Wat daar de gevolgen van zijn, wordt met de dag duidelijker.  

De antroposofische beweging is dus niet opgewassen gebleken tegen haar ‘grote taak’. Ze is er niet in geslaagd de antroposofie tot een hoogtepunt te brengen, zoals Rudolf Steiner verwachtte. In plaats daarvan beleefde ze een dieptepunt: instellingen moesten de deuren sluiten, antroposofen kwamen in opspraak, Steiner werd beschuldigd van racisme, er heerste een algemene sfeer van vermoeidheid en verslagenheid. Van de zo cruciale samenwerking tussen platonici en aristotelici was niets te merken. Niet alleen werd er met geen woord over gesproken, de meeste antroposofen wisten niet eens wat die twee begrippen betekenden. Het antroposofische falen was met andere woorden totaal. Of toch niet? Want uitgerekend in dat beslissende laatste decennium van de 20ste eeuw verschenen in de bioscoop de grote esoterische films waarvan Titanic de laatste is. De filmkunst kwam op een even onverwachte als schitterende manier tot bloei en maakte wereldwijd talloze miljoenen mensen enthousiast met mysteriedrama’s die een onmiskenbaar christelijk-michaëlisch stempel droegen. 

Wat deze mysteriedrama’s gemeen hebben, is de coniunctio oppositorum: het samenvallen van de uitersten. De esoterische dimensie van deze films valt zo volkomen samen met hun exoterische dimensie dat er niets van te merken is. We treffen dat samenvallen ook aan in de persoon van James Cameron: enerzijds bezit hij de kwaliteiten van een bedrijfsleider of een generaal, anderzijds is hij een geweldig kunstenaar, en daarbovenop is hij ook nog eens een esotericus van formaat. Dat is een zo unieke combinatie dat men zich afvraagt hoe zoiets mogelijk is. Het antwoord ligt in het feit dat Cameron zich niet bewust is van zijn diepe spiritualiteit. Nergens immers in de moderne wereld is er een voorbeeld van iemand die dergelijk grote materiële en geestelijke kwaliteiten bewust in zich verenigt, of het zou Rudolf Steiner moeten zijn. De moderne mens is daar nog (lang) niet toe in staat. Daarom verwachtte Rudolf Steiner het culmineren van de antroposofie ook niet van de eenwording van platonische en aristotelische kwaliteiten in één mens maar van de samenwerking tussen verschillend geaarde mensen.

Nu is er één kenmerk dat de filmkunst onderscheidt van alle andere kunsten (de opera uitgezonderd) en dat is haar ‘sociale’ karakter: ze is niet het werk van één individu maar ontstaat door samenwerking van veel individuen. Rudolf Steiner zegt in dit verband dat wanneer mensen samenwerken er een hogere inspiratie mogelijk is dan wanneer ze alleen werken. De inspiratie die we in de esoterische films van het eind van de 20ste eeuw aantreffen, is in geen enkele andere kunstvorm te vinden (behalve misschien in het werk van Richard Wagner). Er is dan ook veel voor te zeggen dat ze mogelijk is gemaakt door een samenwerking tussen christelijke platonici en aristotelici, want het michaëlische karakter van deze meesterwerken is onmiskenbaar. Wat op bewust-antroposofisch, geesteswetenschappelijk vlak onmogelijk is gebleken, heeft dus blijkbaar wél plaatsgevonden op onbewust-antroposofisch, kunstzinnig gebied. Hier is er een antroposofische impuls ontstaan die is doorgedrongen tot in alle hoeken van de aarde en die overal met groot enthousiasme ontvangen werd. 

Het lijdt geen twijfel dat zoiets in de gegeven omstandigheden op bewust vlak volstrekt onmogelijk zou zijn geweest. De antroposofie-in-woord-en-daad heeft zich weliswaar verspreid over de hele wereld, maar op zo kleine schaal dat het onmogelijk vergeleken kan worden met de massale verspreiding van de antroposofie-in-beelden zoals de wereldberoemde Hollywoodfilms die voor mekaar hebben gebracht. Op die manier is alsnog bereikt wat aan het eind van de 20ste eeuw door de antroposofische beweging bereikt had moeten worden, zij het op een andere, veel minder bewuste manier. De beelden van films als Titanic zijn deel gaan uitmaken van het collectief onderbewuste van de moderne mensheid en oefenen daar hun onzichtbare werking uit. Hoe groot die werking is, valt niet te becijferen, maar het lijkt zeer onwaarschijnlijk dat ze in staat is de ondergang van onze beschaving af te wenden. Daarvoor werken beelden te traag, en tijd is nu juist wat er niet is. Dat heeft Rudolf Steiner wel duidelijk gemaakt met zijn deadline, en dat bevestigen de actuele gebeurtenissen in de wereld.          

Hoe groot de verspreiding van filmbeelden ook is in de ruimte, des te kleiner is ze in de tijd. Niet alleen worden films vaak maar één keer bekeken, maar ze verouderen ook snel. Wie kijkt vandaag nog naar films van twintig, dertig jaar geleden? En nieuwe esoterische films komen er niet meer bij. Hun verschijnen is beperkt gebleven tot de periode aan het eind van de 20ste eeuw, de periode die door Rudolf Steiner als cruciaal werd beschouwd. Dat betekent dat het niet lang zal duren voor ze in de vergetelheid verdwijnen. Hier ligt dus een opgave voor de hedendaagse antroposofie. Ze is er niet in geslaagd om als aristotelische beweging samen te werken met de platonici van Chartres, maar ze krijgt nu de kans om zich bewust te worden van de samenwerking die wél heeft plaatsgevonden, zij het niet onder haar auspiciën. Op die manier kan ze er alsnog in slagen iets van de meubelen te redden. Het ‘huis van de beschaving’ is verloren, daar is Rudolf Steiner heel duidelijk over geweest en zijn voorspellingen komen altijd uit. Maar juist daarom is het belangrijker dan ooit dat het essentiële bewaard wordt.

Men kan zich de vraag stellen of de ondergang van onze beschaving werkelijk vermeden had kunnen worden. Volgens Rudolf Steiner wel. Maar als we zien hoe de antroposofische beweging drie keer gefaald heeft en hoe dat telkens resulteerde in het uitbreken van een wereldoorlog, dan rijst toch de vraag hoe groot die kans was. Bovendien heeft dat drievoudige falen iets wetmatigs. Petrus verloochende Christus drie keer, en ook in sprookjes wordt er regelmatig drie keer gefaald. Er is dus geen reden om verlamd te worden door het mislukken van de antroposofie – tenslotte is het christendom ontstaan uit de grootste ‘mislukking’ aller tijden: de kruisdood van Christus. Er is echter des te meer reden om dat antroposofische falen onder ogen te zien, want wie er de ogen voor sluit, blijft ook blind voor wat er wél gelukt is. We kunnen de samenwerking tussen platonici en aristotelici maar herkennen in de kunst van onze tijd wanneer we erkennen dat ze niet in de schoot van de antroposofische beweging heeft plaatsgevonden. Pas dan kunnen we ze vinden buiten de antroposofische wereld. 

Advertenties