Over de haat en de liefde

door lievendebrouwere

  

Wat al onze premiers en minister-presidenten de volgende dagen moeten doen, is hun rug rechten en spreken zoals de Noorse premier Stoltenberg deed na de aanslagen door Anders Breivik in 2012: ‘Wij zijn geschokt door wat gebeurd is, maar we zullen onze waarden niet opgeven. Ons antwoord is meer democratie, meer openheid en meer menselijkheid. Wij zullen haat beantwoorden met liefde.’ Het is één van de vele berichten die ik op Facebook las naar aanleiding van de aanslagen in Brussel, berichten die bijna allemaal dezelfde teneur hebben: laten we lief zijn voor elkaar. Het zijn heel mooie woorden, heel abstracte woorden ook. Want op hetzelfde moment dat we tot liefde oproepen, zaaien we ook haat. Onze liefde geldt immers niet iedereen. Ze geldt bijvoorbeeld niet Donald Trump, die de laatste weken het doelwit is van iedereen die ‘het goed voorheeft met de wereld’. Ze geldt ook niet Geert Wilders, die in Nederland terechtstaat omdat hij haat gezaaid heeft. Nee, onze liefde strekt zich niet uit tot de haatzaaiers. We trekken een scherpe grens tussen de haat en de liefde. En achter die grens verschuilen we ons. Dat is wat we dezer dagen massaal doen: schuilen achter de grens tussen haat en liefde. We zoeken uiteraard dekking aan de goeie kant van die grens, de kant waar de liefde woont, want met de verzengende, bloeddorstige haat aan de andere kant, willen wij niets te maken hebben. Nee, wij zijn tegen de haat, wij … haten de haat. 

Naar aanleiding van de aanslagen in Brussel verscheen op Facebook een bericht van de Communistische Jongeren (ja, die bestaan nog altijd!). Het riep op tot verdraagzaamheid en gesprek. ‘Dat ik dat nog mag meemaken’, reageerde ik, ‘links wil in gesprek gaan met rechts!’ Maar dat had ik natuurlijk helemaal verkeerd begrepen. Rechts waren degenen die opriepen tot onverdraagzaamheid, en daar was links juist tegen. Ik antwoordde: ‘Juist ja, de onverdraagzamen zijn de anderen, óns hart daarentegen is vervuld van louter liefde.’ Daarmee was het gesprek afgelopen, want de dag dat links in eigen boezem kijkt en daar de haat aantreft die het rechts aanwrijft, zal ik wel niet meer meemaken. Is rechts dan niet haatdragend, polariserend en gewelddadig? Zeker wel. Maar het punt is dat ze het – in hun wederzijdse afkeer – allebei zijn: links én rechts. Zolang ze dat niet inzien, zal de haat alleen maar toenemen, want we leven in een wereld die steeds meer één wordt en waarin de tegenpolen elkaar niet meer kunnen ontwijken. Ze worden gedwongen samen te leven en de haat die tussen hen leeft wordt als het ware samengeperst tot ze … explodeert. Waren de terroristen in Brussel vervuld van louter haat? Natuurlijk niet, ze waren ook vervuld van liefde: liefde voor de profeet, liefde voor de islam, liefde voor hun onderdrukte volk. 

We zijn allemaal vervuld van liefde én van haat. Van de liefde zijn we ons zeer bewust, van de haat heel wat minder. Het mooiste voorbeeld zijn de moslims. Ze zijn er heilig van overtuigd dat de islam de godsdienst van de vrede is, hoewel er geen dag voorbij gaat zonder dat moslims ergens ter wereld dood en vernieling zaaien. Hun ontkenning van het geweld waarmee de islam reeds 13 eeuwen gepaard gaat, is zo goed als totaal. Maar deze dissociatie kenmerkt niet alleen moslims. Amerikanen zeggen 100 keer per dag I love you, en gooien vervolgens 100 bommen per dag op mensen die ze niet kennen. Maar we hoeven het zover niet te zoeken. Dezer dagen bulken de sociale en andere media van louter liefde en solidariteit. Iedereen is vastbesloten om haat met liefde te vergelden. Tot een dakloze het feestje verstoort. Dan is het meteen afgelopen met de liefde en wordt hij in de boeien geslagen. Misschien riep hij wel: ‘Waar waren jullie liefde en solidariteit toen ik deze winter honger had en kou leed?’ Ook op Facebook moet men het niet wagen het ‘feest der liefde’ te verstoren met een kritisch woord. Terstond verschijnt dan het grimmige gelaat van de haat, de verborgen keerzijde van al die abstracte liefde. Dat is dus wat we doen als we geconfronteerd worden met haat en geweld: we kruipen allemaal bijeen in een luchtbel van liefde, en wee degene die ze durft te doorprikken!

Onze liefde en solidariteit zijn puur luciferisch van aard. Het zijn gewoon vormen van eigenliefde. Wat we vandaag in de media meemaken is een festival van zelfgenoegzaamheid: we pronken met onze liefde, onze menselijkheid, ons medeleven. We laten elkaar zien hoe geweldig we wel zijn, hoe moedig, hoe begripsvol. De voorwaarde is natuurlijk dat iedereen meedoet, anders wordt de illusie verbroken, anders worden we weer geconfronteerd met de realiteit. En dat willen we niet. We sluiten er onze ogen voor in de hoop dat ze dan zal verdwijnen. We omhelzen moslims en moslima’s om hen te tonen hoe solidair we wel zijn, en we vergeten dat dát juist de manier is waarop die bloederige aanslagen mogelijk zijn geworden. Want er wordt op gewetenloze wijze misbruik gemaakt van onze medemenselijkheid. We vergeten dat we de terroristen aan onze borst hebben gekoesterd, niet omdat we hen liefhadden, maar omdat we onszelf liefhadden, omdat we verblind waren door eigenliefde en niet zagen welk koekoeksjong we grootbrachten. Luciferische liefde is blinde liefde, het is liefde die geen oog heeft voor de buitenwereld, die helemaal opgesloten zit in de eigen wereld. O, wat voelen we ons vandaag weer eendrachtig en Belgisch! Bruxelles, je ’t aime! Maar de wereld ziet een heel ander België, ze ziet een Brussel dat de Europese broedplaats is voor terroristen. 

Maar daar trekken we ons niks van aan. We zitten veilig in onze cocon van liefde, en ons leed gebruiken we om de wereld te dwingen de ogen te sluiten voor onze wereldvreemdheid. Ons leed? We zijn maar al te opgelucht dat de bommen óns niet hebben getroffen. De slachtoffers? Daar denken we over enkele weken al niet meer aan. Waar zal onze liefde en solidariteit zijn als zij moeizaam herstellen van hun wonden? Zullen wij hen met warmte en menselijkheid omringen als zij verminkt door het leven moeten gaan, als zij niet meer kunnen gaan werken, als de angst hen verlamt? Waar zullen wij dan zijn? Zullen wij massaal op ‘leuk’ klikken als ze hun profielfoto op Facebook hebben bijgewerkt? De waarheid is dat heel onze liefdevolle wereld, de wereld van de mensenrechten, van de solidariteit, van de verdraagzaamheid en de gelijkheid, één grote luciferische poging is om de harde werkelijkheid niet onder ogen te moeten zien, de werkelijkheid waar Ahriman heerst en ons langzaam wurgt. Ik weet niet wat het ergste is: de aanslagen of onze reactie erop. Ze horen dan ook samen: het niets ontziende geweld van Ahriman en de niets ziende eigenliefde van Lucifer. Het zijn zijden van een zelfde medaille, en die medaille zijn wijzelf. Er zit in ieder van ons een keiharde Ahriman en een melige Lucifer. De ene is vervuld van haat, de ander is vervuld van eigenliefde. En of het kop of munt wordt, hangt van het toeval af. 

We zijn hulpeloos overgeleverd aan het lot omdat we ons niet bewust zijn van de grens die we voortdurend overschrijden, de grens tussen haat en liefde. We putten ons op Facebook en Twitter uit in de meest liefdevolle en solidaire bewoordingen, maar van zodra iemand onze luciferische illusie komt verstoren, draaien we als een blad aan een boom en beginnen te schelden. In een oogwenk maakt de liefde plaats voor de haat en … we beseffen het niet. Van zodra we in de ahrimanische haat schieten, zijn we vergeten dat we daarnet nog één en al liefde waren. En wanneer we daarna weer een selfie posten en ons koesteren in de bewondering van onze internetvrienden, zijn we vergeten dat ons hart daarnet nog vervuld was van haat. De grens tussen liefde en haat is onze Lethe, onze stroom van vergetelheid. Van zodra we ze oversteken, vergeten we vanwaar we gekomen zijn. Gaan we naar het land van de haat, dan verdwijnt de liefde alsof ze er nooit geweest was. Gaan we naar het land van de liefde, dan lost de haat op zonder een spoor achter te laten. En we staan nooit stil, we overschrijden voortdurend de grens tussen die twee werelden. En iedere keer weer opnieuw wordt onze herinnering uitgewist. De Bart Eeckhouts dezer wereld fulmineren onophoudelijk tegen de bange blanke man – tot er een aanslag wordt gepleegd. Dan is hij opeens hun grote vriend en drukken ze hem aan het wankelmoedige hart. 

Al die mensen die zich vandaag zo liefdevol en solidair tonen, zijn vergeten hoe ze zich gisteren gedroegen. En als ze morgen opnieuw kil en haatdragend worden, zullen ze vergeten zijn hoe warm hun hart vandaag klopte. Het is niet fraai, die luciferische eigenliefde waarin iedereen zich vandaag wentelt. En nog minder fraai is de ahrimanische haat die daarachter schuilgaat en morgen weer de kop zal opsteken als ‘de rook om ons hoofd is verdwenen’. Maar ze horen bij ons. Kunnen we ons een wereld voorstellen zonder de dromen en idealen van Lucifer? En wat zouden we zijn zonder Ahriman die ons hoofd uit de wolken trekt en ons met beide voeten op de grond zet? We hebben ze allebei nodig, de liefde én de haat. Maar wat we nog meer nodig hebben, is een bewustzijn dat geen kopje onder gaat als het de Lethe opvaart en de grens tussen beide oversteekt. Wat we vandaag nodig hebben is een grensbewustzijn dat leert zwemmen in die ‘etherische’ stroom, en dat is buitengewoon moeilijk. Want wie zich ‘in het midden’ waagt, krijgt zowel Lucifer als Ahriman tegen zich. Hij kan zich niet meer in de wollige armen van Lucifer werpen als de ahrimanische realiteit hem te hard wordt. En hij kan zich evenmin in de vrieslucht van Ahriman begeven om te ontsnappen aan de verstikkende luciferische meligheid. Hij kan niet meer vluchten, hij kan alleen nog lijden. 

Lucifer en Ahriman zijn leugenaars, ze tonen ons maar de helft van de werkelijkheid. Hun leugens zijn zo verleidelijk omdat het halve waarheden zijn. Hebben we ongelijk door uiting te geven aan onze solidariteit, door kaarsjes te branden en lief te zijn voor elkaar? Natuurlijk niet. Maar als we tegelijk uiting geven aan onze afkeer voor de onverdraagzamen en de haatzaaiers, dan is onze liefde een leugen en wordt ze tot schijnheiligheid. Hebben we ongelijk door uiting te geven aan onze afkeer voor de islam en de moslims woedend te wijzen op hun plichten? Natuurlijk niet. Tenslotte maken ze zich overal ter wereld schuldig aan de vreselijkste misdaden. Maar als we tegelijk de ogen sluiten voor onze eigen medeplichtigheid dan maken we van onze realiteitszin een leugen die de wereld verdeelt. Waarheden worden tot leugens doordat we ze in twee delen. En liefde zonder waarheid is niet mogelijk. Het zijn de leugens die liefde in haat doen verkeren. Wij haten niet omdat we slecht zijn, we haten uit liefde. De moslimterroristen handelen uit liefde, liefde die misleid is door leugens. De moslimhaters handelen eveneens uit liefde, liefde voor de vrede en het goede leven dat verdween toen de moslims kwamen. En ook degenen die hun woede koelen op de moslimhaters handelen uit liefde. Maar in al deze gevallen is de liefde verblind door leugens en halve waarheden.

De liefde heeft de waarheid nodig, nu meer dan ooit. Het ergste wat dan ook kan gebeuren, is dat we de vrije meningsuiting aan banden leggen, de vrije meningsuiting van moslimjongeren die de aanslagen toejuichen, de vrije meningsuiting van mensen die de islam als de bron van alle kwaad beschouwen, de vrije meningsuiting van iedereen, zonder uitzondering. Want zonder die vrijheid kan de waarheid nooit gevonden worden, en zonder waarheid kan de liefde niet bestaan. Tegengestelde meningen zijn kwetsend, daar kan geen twijfel over bestaan. Zij doen ons lijden, ze vervullen ons met wanhoop, onmacht en onbegrip. Maar daarin ligt juist onze opgave: in het lijden. We kunnen er niet meer naast kijken: de mensheid lijdt. Ze lijdt massaal. We hoeven maar te kijken naar beelden van vluchtelingen die in de modder leven. Maar we verminderen hun lijden niet door te zwaaien met borden ‘Welcome Refugees‘. We maken het alleen maar groter als blijkt dat onze liefde een leugen is. En ze is een leugen omdat we niet willen lijden. We willen ons alleen maar goed voelen. Daarom zijn we vandaag zo ‘solidair’, daarom branden we kaarsen en delen we witte rozen uit, daarom verketteren we de onverdraagzamen en de haatzaaiers. Omdat we ons dan goed voelen. Omdat we niet geconfronteerd willen worden met de haat, zelfs niet in de vorm van een andere mening. Want we willen niet lijden. 

Omdat we niet willen lijden, zelfs niet in gesprekken met andersdenkenden, worden we verplicht te lijden. Door bomaanslagen, door moslims die ostentatief hun afkeer tonen voor onze manier van leven en er op brutale wijze een eind aan willen maken. Zij brengen ons het lijden dat we niet willen. Zij doorprikken de luciferische luchtbel waarin we onszelf opgesloten hebben om ons goed te voelen. Zij houden ons een spiegel voor waarin we de haat zien waar we niets mee te maken willen hebben, de haat die we voortdurend buiten onszelf projecteren en die van ons wandelende leugens maakt. Als we werkelijk willen liefhebben – en is dat niet wat we vandaag aan de hele wereld verkondigen? – dan kunnen we niet blind blijven voor de haat. Want ze is overal. Ze is zelfs op Facebook, het digitale Land van de Liefde. Eén prikje en de haat komt als etter tevoorschijn. Onze liefde is ziek want ze wordt verteerd door haat. Die haat moet eruit, en dat kan op twee manieren. Ofwel gaan we door zoals we bezig zijn en dan is het gewoon wachten tot het gezwel barst en de haat ons overspoelt. Ofwel prikken we in dat gezwel en laten er zoveel haat uit als we kunnen verdragen. Die haat zal ons doen lijden, maar ze zal onze eigenliefde ook zuiveren. Stap voor stap zal onze blinde liefde ziend worden, en dat zal haar niet zwakker maken, want de waarheid en de liefde zijn één. Het is de waarheid die de liefde heelt.  

Advertenties