Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: maart, 2016

De Judaskus

  
Er staat een olifant in de kamer. We krijgen hem de deur niet meer uit, en dus doen we alsof hij er niet is. Die olifant is natuurlijk de islam. Hoe groter hij wordt, des te hardnekkiger ontkennen we zijn bestaan. De islam is niet hetzelfde als ‘de moslims’. Moslims zijn mensen en mensen kunnen veranderen. De islam kan dat niet, want de koran is het woord van God. En aangezien Mohammed het zegel der profeten is, zal God niet meer spreken en blijft zijn woord voor eeuwig en drie dagen gelden. Zoals het in de koran staat, zo moet het zijn en zo moet het blijven. Dat is in een paar woorden de olifant waar we onze ogen voor dichtknijpen in de hoop dat hij dan zal verdwijnen. Is die hoop gerechtvaardigd? Zal de islam uit Europa verdwijnen als we maar heel hard doen alsof hij er niet is? We doen dat nu al tientallen jaren, en het enige resultaat is dat de olifant alsmaar groter wordt. Het zal niet lang meer duren voor de grote Europese steden hoofdzakelijk bewoond worden door moslims. Bovendien stromen ze ook nog eens met honderdduizenden toe uit de oorlogsgebieden. Allemaal moslims, allemaal gelovige mensen die er niet over peinzen om iets te veranderen aan het woord van God. 

We zijn nu al aan de derde of vierde generatie moslims toe en in plaats van seculier te worden zoals de Europeanen, worden ze alsmaar geloviger. Jonge moslima’s die hier geboren en getogen zijn, dragen steeds vaker en met steeds grotere overtuiging een hoofddoek. Jonge moslims die nooit een ander dan een Europees land hebben gekend, gaan vechten in Syrië om de islam te verdedigen. De islam wordt steeds belangrijker voor hen en volgens sommige peilingen vindt niet minder dan 70% van de Europese moslims dat de sharia belangrijker is dan de wetten van het land waar ze leven. 80% procent vindt dat de koran strikt moet nageleefd worden en dat er geen nieuwe interpretatie mogelijk is. Veel meer Europese moslims dan we denken zijn fundamentalistisch, iets wat we ook kunnen afleiden uit de talrijke hoofddoeken in onze straten én de verbetenheid waarmee ze gedragen worden. De hoop dat de olifant vanzelf zal verdwijnen, is dus zeker niet gebaseerd op de realiteit. Het is een zuivere wensdroom. We kunnen er alleen in geloven omdat we onze ogen dichtknijpen. 

Het is bij momenten hallucinant om de reacties in de media te lezen. Tine Hens, die ons kort geleden nog uitlachte met onze angst voor aanslagen, schrijft het volgende: ‘Wanneer hou je in dit land op een buitenstaander te zijn? Moslims kunnen zich in onze ogen nooit genoeg excuseren. Zelfs als ze hun hoofddoek afleggen, openlijk een Koran verbranden, lachen met cartoons van de profeet en een varken opeten, dan nog zal het niet voldoende zijn.’ Het klinkt alsof moslims zich aan de lopende band excuseren voor wat er in naam hun religie wordt gedaan, alsof ze reeds alles geprobeerd hebben om toch maar door ons aanvaard te worden. En dát zegt Tine Hens op het moment dat drie ‘lieve moslimjongens van bij ons’ een bloedbad hebben aangericht. Dat zegt ze op het moment dat moslima’s steeds ostentatiever weigeren hun hoofddoek af te doen, op het moment dat moslims eisen dat er geen varkensvlees meer wordt geserveerd in scholen, op het moment dat geen enkele cartoonist de Profeet nog durft af te beelden uit vrees voor zijn leven, op het moment dat zelfs een niet-moslim die de koran zou verbranden hoogstwaarschijnlijk achter de tralies vliegt.

De realiteit is dat moslims zich helemáál niet excuseren (behalve dan op zo’n manier dat het meer een belediging is dan een verontschuldiging). Ze worden zelfs kwaad als men van hen een teken verwacht dat ze niet instemmen met de aanslagen. Wat hebben wij met die terroristen te maken! roepen ze verontwaardigd uit. Alsof het volstrekt belachelijk is een verband te leggen tussen de islam en geweld. Nochtans is dat verband bijna spreekwoordelijk. Het is vastgelegd in de koran en het werd in de praktijk gebracht door de Profeet, hét voorbeeld voor alle moslims. Ieder mens ter wereld weet wat de kreet ‘Allahu Akbar’ betekent. Geen enkele moslim kan dus nog beweren dat hij niet begrijpt waarom de islam steeds weer met geweld geassocieerd wordt. En toch zijn moslims verontwaardigd als men dat verband zelfs maar suggereert. Toch reageren ze geërgerd als men hen vraagt om er afstand van te nemen als moslims wéér eens bloed hebben doen vloeien. Toch doen ze alsof ze in de verste verte niet weten wat ons op het idee zou kunnen brengen dat de islam iets met geweld te maken heeft. Met andere woorden, ook zij knijpen hun ogen stijf dicht voor de olifant. 

Men zegt wel eens dat moslims zelf het grootste slachtoffer zijn van het moslimterrorisme en dat is ook zo. Maar juist dát maakt het probleem zo groot. Moslims zijn ongelooflijk gehecht aan datgene waarvan ze het slachtoffer zijn: de islam. Want hoe je het ook draait of keert, de islam roept op tot geweld. Je moet de koran al zwaar verminken om er een vredelievend boek van te maken, en geen enkele moslim is bereid om dat te doen. Moslims beschouwen het woord van God als onaantastbaar en dat woord gebiedt hen om geweld te gebruiken tegen ongelovigen. Om dat te ontkennen – en tegelijk te ontkennen dát ze het ontkennen (want het is natuurlijk een grote zonde om het woord van God te loochenen) moeten moslims zich in alle mogelijke bochten wringen. Hun gedachtengangen zijn dan ook even krom als de halve maan of het arabische schrift: er is geen rechte lijn aan te vinden. Toen ze nog in moslimlanden woonden konden ze rechtlijnig zijn. De ongelovigen waren ver weg (en bovendien veel te sterk), dus aan oorlog hoefden ze niet te denken. Ze konden rustig in vrede leven. Maar toen waren de ongelovigen opeens dichtbij en dat herinnerde hen aan wat God over hen gezegd had. 

Na 28.000 bloederige aanslagen sinds 9/11 (een gemiddelde van 5 per dag) wordt het wel héél moeilijk om nog vol te houden dat de islam de religie van de vrede is en dat zij niets te maken heeft met terrorisme. Maar het blijft voor moslims nagenoeg onmogelijk om tegen de islam in te gaan. Ze reageren dan ook steeds agressiever als ze geconfronteerd worden met het verband tussen islam en geweld. Want ze zitten in een fuik: ze bewandelen hun kronkelige pad al veel te lang om nu nog rechtsomkeer te kunnen maken. Er zou van hun zelfgevoel niks meer overschieten als ze dat deden. Maar eigenlijk bevinden de politiek-correcten zich in precies dezelfde situatie: ze roepen nu al tientallen jaren dat moslims vredelievende mensen zijn en Vlamingen onverdraagzame racisten, en ook zij kunnen niet meer terug. De schaamte en het schuldgevoel zouden ondraaglijk zijn als ze toegaven al die tijd verkeerd te zijn geweest. Want het is beschamend hoe ze tekeer zijn gegaan (en nog altijd gaan) tegen hun eigen landgenoten, en ze zijn medeschuldig aan het moslimgeweld dat nu ons land treft (en nog zal treffen). Ze zijn minstens even verantwoordelijk als de moslims voor de olifant die in de kamer staat. 

Niemand krijgt die olifant de deur uit en iedereen doet alsof hij er niet is, moslims zowel als Westerlingen. Van de moslims valt dat nog te begrijpen. Zij zitten in de olifant en kunnen er niet uit zonder hun leven te riskeren of uit de gemeenschap te worden gestoten. Het is voor moslims dus bijna onbegonnen werk om uit de islam te stappen en er tegenover te gaan staan zoals wij dat hier met het christendom gedaan hebben. Voor Westerlingen liggen de zaken heel anders. Zij staan sowieso tegenover de islam (of tegenover gelijk welke godsdienst) en kunnen er zich zonder problemen een objectief beeld van vormen. Dat beeld is misschien niet volledig (omdat de innerlijke beleving ontbreekt) maar het gewelddadige aspect van de islam kunnen ze heel nuchter en duidelijk waarnemen. En toch doen ze het niet. Met name degenen die er alle gelegenheid en alle middelen voor hebben – de Westerse intellectuelen – doen het niet. Wel integendeel. Iedere poging van de gewone bevolking om de gewelddadigheid van moslims aan te kaarten (een gewelddadigheid die ze aan den lijve ondervindt), wordt door hen ongenadig de kop ingedrukt. Ze dwingen iedereen om hetzelfde te doen als zij: de ogen te sluiten voor de olifant. 

In plaats van te luisteren naar de bevolking en begrip op te brengen voor haar (terechte) grieven, wordt ze bestempeld als racistisch, onverdraagzaam, verzuurd en haatdragend. Uit de niet aflatende beschuldigingen spreekt zoveel viscerale afkeer voor de ‘gewone mens’ dat je niet anders kunt dan vaststellen dat de Westerse intelligentsia de strijd heeft aangebonden met het eigen volk. En dat is buitengewoon tragisch, want het is tegelijk ook een strijd tegen de democratie en tegen de vrije meningsuiting, precies de zaken dus die het de intelligentsia mogelijk hebben gemaakt om intelligentsia te wezen. Zonder deze – zelfvernietigende – strijd zou er vandaag hoogstwaarschijnlijk geen olifant in de kamer staan. Als de bevolking een stem had gehad, zou er nooit een zo’n massale immigratie van moslims hebben plaatsgevonden. Als ‘de man in de straat’ iets in de pap te brokken had gehad, zouden de Europese moslims veel vroeger en veel kordater op hun plichten zijn gewezen. Er zou komaf zijn gemaakt met hoofddoeken, halal-eisen, scheiding van mannen en vrouwen, en andere sharia-elementen. De huidige radicalisering van jongeren zou niet mogelijk zijn geweest. 

Het loont de moeite om dat goed tot ons te laten doordringen: zonder deze trahison des clercs, zonder intellectuelen die zich tegen hun eigen bevolking keren, zouden we vandaag in een andere wereld leven, in een vrijer en vreedzamer Europa. Laten we niet vergeten dat het deze intellectuelen waren – de ‘slaapwandelaars’ – die Europa naar de eerste wereldoorlog hebben geleid. Laten we ook niet vergeten dat ze de eersten waren om te vallen voor het nazisme en het communisme. Hun verraad kan niet genoeg beklemtoond worden, het is iets wat onze hedendaagse tijd méér bepaalt dan wat ook. Het is de oorzaak van het infernale geweld dat de moderne wereld teistert en dat dagelijks aangewakkerd wordt in de kranten, in de media, en overal waar intellectuelen hun stem verheffen. Het zijn deze Westerse intellectuelen – méér dan de moslims – die verantwoordelijk zijn voor de olifant die vandaag in onze kamer staat en die steeds groter wordt. We zouden met enige overdrijving zelfs kunnen zeggen dat er vandaag geen ander probleem is dan juist deze trahison des clercs. En deel van dat probleem is dat we er niet voor te rade kunnen gaan bij onze intellectuelen want zij zijn juist het probleem. 

Als we dit probleem willen oplossen of het op zijn minst begrijpen, dan zullen we het zelf moeten doen. We zullen zelf moeten denken. Er schuilt een macabere wijsheid in de onthoofdingswoede van de Islamitische Staat: het is alsof de jihadi’s instinctief weten dat het Westerse ‘hoofd’ het grote kwaad is. De mensheid heeft simpelweg een ander hoofd nodig, want van het oude valt geen heil meer te verwachten, wel integendeel. We moeten een nieuw hoofd ontwikkelen, of beter: we moeten van ons hart een hoofd maken, een warmbloedig hoofd, een hoofd dat zich niet vol afschuw wil losmaken van het lichaam, maar dat er uit liefde het middelpunt van is. We moeten met andere woorden met ons hart leren denken want, zoals Rudolf Steiner al zei, het intellect zal alleen maar kwaadaardiger worden. Dit kwaadaardige, ahrimanische intellect is onze grootste vijand. Met name moslim-intellectuelen maken er schaamteloos gebruik van, zij zijn de meesters van het harteloze denken. Maar zij doen niets anders dan ons spiegelen. Dat is de historische rol van de moslimwereld vandaag: het Westen weerspiegelen. En zowel hun als onze enige hoop ligt erin dat het Westen – en dan vooral Europa – zichzelf in die spiegel herkent. 

Het is geen toeval dat deze spiegel uitgerekend in de Lijdensweek verschijnt, in Brussel, het wanstaltige hoofd van Europa, de ‘schedelplaats’ van onze tijd. Het verraad van de drie moslims is een weerspiegeling van onze trahison des clercs, die op zijn beurt een uitvergroting is van het verraad van Judas. De liefde waarmee onze intelligentsia vervuld beweert te zijn, is de liefde waarmee Judas Jezus kuste en hem overleverde aan de beulsknechten. Al die schijnheilige liefde en verdraagzaamheid die vandaag in België tentoongespreid wordt, is niets anders dan één grote Judaskus. Om dat allemaal te begrijpen, moeten we ons de vraag stellen: wat bezielde Judas om zijn meester te verraden? Judas was de jood par excellence onder de apostelen. De meesten waren eenvoudige vissers uit Galilea, maar Judas was (zoals zijn naam al zegt) een Judeëer: hij vertegenwoordigde het intellectuele element. Bovendien was hij de penningmeester van de apostelen én hij was ‘sociaal voelend’. Wanneer Maria Magdalena aan de vooravond van de Lijdensweek kostbare olie gebruikt om Jezus te zalven, barst hij in woede uit: dat geld had men veel beter kunnen gebruiken om aan de armen te geven!

Het is niet moeilijk om hierin de moderne (linkse) intellectueel te herkennen. En omdat we vandaag allemáál in meer of mindere mate intellectueel én sociaal voelend zijn, is Judas de apostel waarop we het meest gelijken. Van hem wordt in het evangelie gezegd dat hij een dief is. Zijn verontwaardiging over de ‘verspilling’ van Maria Magdalena is het gevolg van een onbewuste herkenning: hij is zelf iemand die geld aan de armen onthoudt. Het verschil is dat Maria dat doet uit liefde voor Jezus (die zelf zegt: de armen hebt ge altijd bij u, maar Mij hebt ge niet altijd) terwijl Judas het uit egoïsme doet. Dat maakt van hem niet alleen een dief maar ook een schijnheilige. Zijn ‘sociale bewogenheid’ is slechts een dekmantel voor een hardvochtig materialisme. Judas is met andere woorden een communist avant la lettre. In uiterst beknopte bewoordingen schetst het evangelie in Judas een beeld van de moderne intellectueel, het meest problematische mensentype dat er bestaat. Dat beeld vertelt ons waarom we de olifant-in-de-kamer niet willen zien: omdat we in een spiegel kijken, omdat we daarin een geslepen, verraderlijke intellectueel zien wiens hart vervuld is van (eigen)liefde en wiens hoofd vol van haat is. 

De moderne intellectueel is een dief omdat hij zijn geestelijke rijkdom aan de armen (van geest) onthoudt. Nochtans heeft hij die rijkdom te danken aan de offerbereidheid van die armen, die voor hem werken en hem in staat stellen om zijn leven aan de geest te wijden. Maar dat offer betaalt hij niet met dank maar met stank. In plaats van zijn intellect ter beschikking te stellen van het volk, gebruikt hij het als wapen tegen dat volk. In plaats van zich weer te verbinden met het ‘moederlichaam’ dat hem vol liefde het leven schonk, keert hij er zich vol haat vanaf. En dat doet hij in naam van het volk, in naam van de liefde, in naam van de eenheid, de verbondenheid, de solidariteit. Is het dan zo verwonderlijk dat de ‘armen van geest’ – de moslims, de man in de straat, de voetbalsupporters, de ‘fascisten’ – vervuld zijn van woede tegen dit monster van schijnheiligheid? Hun woede zal niet afnemen wanneer we onze ogen dichtknijpen, wel integendeel. Het is juist onze blindheid die de woede opwekt. Als we ze willen kalmeren dan zullen we onze ogen moeten opendoen, dan zullen we in de spiegel moeten kijken en hem niet stuk slaan wanneer we daarin de kussende Judas zien verschijnen. 

Kunst en engagement

  

Het belangrijk om je vijand iets te geven waardoor die weet wie je bent. Je kunst is wie je bent en het is je plicht om hen te laten weten wie je bent. Daarom heb ik het niet graag dat ze me de ‘geëngageerde actrice’ noemen. Ja ok, ik ben geëngageerd, maar ik ben dat meer voor mijn kunst dan voor gelijk wat.

(Hiam Abbass)

’t Is beloofd!

  

Wij willen Willy weer

  
Ere wie ere toekomt: de eerste die bij ons nadrukkelijk heeft gewezen op het gevaar van het wereldwijde moslimterrorisme was Willy Claes. Dat was een jaar of vijfentwintig geleden, maar het duurt hier soms een tijd voor een verstandige mens gehoor krijgt. Bij een onverstandige gaat dat sneller, dank daarvoor aan onze media. ‘Ik versteek u niet’, sprak de toenmalige secretaris-generaal van de NAVO, ‘dat de grootste dreiging voor de wereldvrede komt van het islam-foendamentalisme.’ Iedereen rolde blauw van het lachen over de grond, uw Kaaiman het blauwst van allen. Ik versteek u niet! Foendamentalisme! Wie sprak zo? En de wereldvrede bedreigd door een sultan met een kromzwaard, mensen toch. Even later kwam het Agusta-schandaal aan het licht, moest Claes opstappen als NAVO-baas, en was de strijd tegen de islamterreur niet langer een prioriteit voor het Atlantisch bondgenootschap. Op 11 september 2001 kwam daar met een luide klap verandering in. Laat dit voor de hele wereld een les zijn: iets meer vertrouwen in het inzicht en de vakkennis van de Belgen zou geen kwaad doen. Potverdekke, it’s great to be a Belgian. Welke optimist zong dat ook weer? Die mens leeft waarschijnlijk niet meer.

(Koen Meulenaere)

Mattheuspassie

  
Paastijd is Mattheuspassietijd. Bachs meesterwerk is ongetwijfeld één van de hoogtepunten – en misschien wel hét hoogtepunt – van de Europese muziek. Als het niet zo oneerbiedig klonk, zou je het een verzameling schlagers en meezingers kunnen noemen. Maar dan van het allerhoogste niveau. Jammer genoeg heb ik de Mattheuspassie nog nooit in het echt gehoord. Gelukkig is er voor de simpele luiden Ahriman en zijn technologie. Ik heb 2 uitvoeringen: die van Herreweghe (oude versie) en die van Gardiner. De Engelse versie is veel levendiger en kleurrijker dan de Vlaamse, maar het is geen passiemuziek. Als je ernaar luistert, begrijp je waarom Handel zo populair was in Engeland. Ik luister dus altijd naar Herreweghe, zijn versie is gewoon beter, al duurt het wel een tijdje om te wennen aan het tempo. Het is het tempo van een begrafenis: stap vooruit, voet bijschuiven en stilstaan, stap vooruit, voet bijschuiven enzovoort. En de Mattheuspassie is natuurlijk begrafenismuziek, dat spreekt. Ingetogen, aangrijpend, maar niet deprimerend. De ‘kinderlijke’ natuur van Bach bereikt hier ongekende hoogten. Zijn muziek illustreert als geen ander het bijbelse woord: ‘wie niet wordt als de kinderkens …’

Zoek het verschil

  

It is the reaction we should fear

  
Think like the enemy. Let’s suppose I am an Islamic State terrorist. I don’t do bombs or bullets. I leave the dirty work to the crazies in the basement. My job is what happens next. It is to turn carnage into consequences, body parts into politics. I am a consultant terrorist. I wear a suit, not explosives. A blood-stained concourse is a means to an end. The end is power. This week I had another success. I converted a squalid psychopathological act into a warrior-evoking, population-terrifying, policy-changing event. I sent a continent into shock. Famous politicians dropped everything to shower me with cliches. Crowned heads deluged me with glorious odium. I measure my success in column inches and television hours, in ballooning security budgets, butchered liberties, amended laws and – my ultimate goal – Muslims persecuted and recruited to our cause. I deal not in actions but in reactions. I am a manipulator of politics. I work through the idiocies of my supposed enemies.

Textbooks on terrorism define its effects in four stages: first the horror, then the publicity, then the political grandstanding, and finally the climactic shift in policy. The initial act is banal. The atrocities in Brussels happen almost daily on the streets of Baghdad, Aleppo and Damascus. Western missiles and Isis bombs kill more innocents in a week than die in Europe in a year. The difference is the media response. A dead Muslim is an unlucky mutt in the wrong place at the wrong time. A dead European is front-page news. So on Tuesday the TV news channels behaved like Isis recruiting sergeants. Their blanket hyperbole showed not the slightest restraint (nor for that matter did that of most newspapers). Reacting to terrorist incidents otherwise, in ways that do not play into terrorism’s hands, may seem hard. A free media feels a duty to report events, as politicians feel a duty to show they can protect the public. That it’s hard to show restraint is no excuse for actively promoting terror. Everyone involved in this week’s reaction, from journalists to politicians to security lobbyists, has an interest in terrorism. There is money, big money, to be made – the more terrifying it is presented, the more money.

During the more dangerous and consistent IRA bombing campaigns of the 1970s and 1980s, Labour and Conservative governments insisted on treating terrorism as criminal, not political. They relied on the police and security services to guard against a threat that could never be eliminated, only diminished. On the whole it worked, and without undue harm to civil liberties. Those who live under freedom know it demands a price, which is a degree of risk. We pay the state to protect us – but calmly, without constant boasting or fearmongering. In his admirable manual, Terrorism: How to Respond, the Belfast academic Richard English defines the threat to democracy as not the “limited danger” of death and destruction. It is the danger “of provoking ill-judged, extravagant and counterproductive state responses”. The menace of Brussels lies not in the terror, but in the reaction to the terror. It is the reaction we should fear

Simon Jenkins (The Guardian)

Das Gebot der Zeit

  
‘Nein!’ fuhr Naphta fort. ‘Nicht Befreiung und Entfaltung des Ich sind das Geheimnis und das Gebot der Zeit. Was sie braucht, wonach sie verlangt, was sie sich schaffen wird, das ist – der Terror’.

Thomas Mann (Der Zauberberg)

De goede en de slechte voetbalsupporter

  

We hebben een nieuwe vlag nodig (Philippe Van Parijs). Stoppen met splitsen (Bea Cantillon). Eén federale regering (Marleen Temmerman). Enzovoort. 

Een démasqué van jewelste (2)

  

Zoals te verwachten viel, toont Verzameld Links zich zeer verontwaardigd over het optreden van de ‘fascisten’ en ‘neonazi’s’ die op Paaszondag de vreedzame herdenking in Brussel brutaal kwamen verstoren. Zoals te verwachten viel, is hun berichtgeving over de incidenten nogal eenzijdig, om het zacht uit te drukken. Om te beginnen ging het helemaal niet om fascisten en neonazi’s maar om ‘casuals’. Dat is een subcultuur uit het voetbal, die voortgekomen is uit het vroegere hooliganisme. Ze zijn niet links of rechts (of ze zijn het allebei), ze willen gewoon stoer doen. Ze zijn ook niet louter blank, er zitten ook Turken en Marokkanen bij. Ze brengen ook geen Hitlergroet, maar steken wel hun arm(en) uit zoals je dat tijdens voetbalwedstrijden veel kunt zien. Of ze zingen dat ‘alle boeren homo’s zijn’ is niet bekend. Het feit dat de Linkse Pers deze stoere jongens meteen wegzette als fascisten en neonazi’s zegt iets over de diepe verbondenheid van Links met het gewone volk. Anders gezegd, ze weten er niks vanaf.

Ik weet er zelf ook niet veel vanaf, maar toen ik de beelden zag van die casuals dacht ik: waarom zouden zij niet mogen betogen? Ik vond het zelfs iets verfrissends hebben: eindelijk eens een stoere mannelijke stem na al dat mierzoete vrouwelijke gedoe met kaarsjes en liefdesverklaringen. Let wel, ik heb niks tegen ‘vrouwelijk gedoe’, maar teveel is teveel. Natuurlijk, als je extreem-mannelijk en extreem-vrouwelijk bij elkaar zet, stijgt de temperatuur algauw. Er werd geroepen en gescholden aan beide kanten. Dat viel op de beelden duidelijk te zien. Volgens wat de ‘casuals’ zelf vertelden in De Voetbalkrant hadden ze vreedzame bedoelingen – de supporters van Antwerp en Beerschot liepen zelfs broederlijk naast elkaar (wat een doorslaand argument is, want doorgaans staan ze elkaar naar het leven) – maar toen ze het Beursplein bereikten, werden ze uitgescholden, bespuwd en geprovoceerd. En dat kun je met deze stoere jongens natuurlijk beter niet doen. 

Het liep uit de hand, hoewel het bleef bij roepen, trekken en duwen, het gooien van blikjes bier en een occasionele mep. Toen de politie ingreep, dropen de casuals af. Op één van de filmpjes die op het internet circuleren, wordt nadrukkelijk ingezoomd op een omgevallen Vespa. Die moet blijkbaar dienen als bewijs van het schandalige gedrag van de ‘fascisten’. De inconvenient truth is dat er op die beelden weinig geweld of vernieling te zien is. De ‘hooligans’ hebben zich niet anders gedragen dan wanneer Links gaat betogen en op tegenstand stuit. Als ze schuld hebben aan de incidenten dan gaan de ‘vredelievenden’ evenmin vrijuit, want op de beelden is duidelijk te zien dat ze zich assertief tot agressief opstellen. Het is alsof ze zeggen: het Beursplein is van ons, jullie hebben hier niks te maken! Als er al haat was, dan werd ze alleszins niet met liefde en vergevingsgezindheid beantwoord, wel integendeel. En dat maakte van de incidenten op Pasen – hoe zei David Van Reybrouck het ook alweer? – een démasqué van jewelste.