Het Nederlandse referendum

door lievendebrouwere

  

René Cuperus in De Volkskrant, enkele dagen geleden: 

‘Hoogopgeleid tegenover laagopgeleid. Moslim tegenover niet-moslim. Volk tegen elite. Jong tegen oud. Mainstream tegen populisme. Het wijst allemaal in dezelfde richting: Nederland gaat in steeds meer gescheiden werelden de toekomst tegemoet. De splijtende krachten lijken het te winnen van de verbindende, overbruggende krachten. Het Oekraïne-referendum zal dus vrijwel zeker een herbevestiging opleveren van de ‘populistische scheidslijn’ die onze samenleving doorklieft. Het referendum drijft de botsing tussen establishment en anti-establishment op de spits.

De verhouding 60/40 komt vaker terug. Die verdeelsleutel suggereert dat we met het volgende fenomeen te maken hebben: een meerderheid van de bevolking verzet zich feitelijk tegen de koers, tegen de toekomstrichting, van de huidige samenleving. Zestig procent staat wantrouwend tegenover de Europese Unie, verzet zich tegen de algehele veronzekering van de naoorlogse verzorgingsstaatsbescherming, tegen toenemende ongelijkheid, heeft grote moeite met migratie en de vluchtelingenstroom in het algemeen en de islam in het bijzonder en vreest dat Nederland door immigratie en open grenzen te veel van zijn eigenheid verliest. Die grote groep burgers heeft tegelijk het gevoel dat ‘mensen zoals wij’ aan al deze ontwikkelingen weinig of niks kunnen doen, dat de politiek gewoon zijn gang gaat. Daarom is die 60 procent voorstander van referenda om de politieke klasse, waarvan men het gevoel heeft dat die hen niet langer representeert en niet naar hen luistert, wakker te schudden of te corrigeren.

Wat het allemaal nog onaangenamer maakt, is dat die 60 procent ongeveer overeenkomt met het aantal laagopgeleiden en middelbaar opgeleiden in Nederland. Die voelen zich veel minder dan hoogopgeleiden goed in de globaliserende kenniseconomie, waarin de wereld dorp is geworden, en het dorp de wereld. Ze profiteren er ook minder van. We moeten iets met deze diepe verdeeldheid. Geen land kan relaxed de toekomst in met zo’n bizarre kloof tussen toekomst-optimistische academici en toekomst-pessimistische niet-academici. Tussen politiek gevestigden en outsiders in de ‘diplomademocratie’. En dan heb ik het nog niet eens over de oplopende spanning tussen moslims en niet-moslims.

Alle seinen staan op polarisatie en op aanscherping van scheidslijnen. Waar is de Nederlandse pacificatie- en poldertraditie gebleven? Het DNA van samenwerking en overbrugging van tegenstellingen? Die lijken ons nu in de steek te laten. Zorgelijk is dat de scheiding der geesten – ook in de afgelopen referendumcampagne – gepaard gaat met steeds giftiger verdachtmakingen op sociale media en met wederzijdse minachting tussen establishment en non-establishment.

Wat een zo verdeeld land als Nederland nu het hardste nodig heeft, is een doorbreking van stereotypen en groepsidentiteiten. ‘Volk’ en ‘elite’, establishment, populisme en islam moeten als valse eenheden worden ontzenuwd. Pluralisme en pluriformiteit moeten gestolde tegenstellingen ontregelen. Dodelijk is het beeld van het politiek bedrijf als old boys network van hoogopgeleiden. De ‘elite’ zal weer een democratisch links en rechts alternatief tegenover elkaar moeten stellen. Voor het Westen kiezende moslims moeten zich scherp distantiëren van de radicale islam, zoals ‘populisten’ zich scherp moeten afbakenen van extreemrechts. Zodat er meer soorten elite, meer soorten islam en meer soorten populisten zichtbaar worden. Want een tot op het bot verdeelde, verscheurde samenleving, zo ken ik Nederland niet.’

Aldus René Cuperus

Hij heeft dus gelijk gekregen. De verhouding was inderdaad 60/40. En niet voor de eerste keer. De meerderheid van de bevolking heeft weer eens NEE gezegd tegen wat hij noemt ‘de toekomstrichting van de huidige samenleving’. De koers die de samenleving vaart, ligt dus blijkbaar vast en ze is waarschijnlijk bepaald door de minderheid die JA zegt. Dat NEE vindt Cuperus een groot probleem want het zorgt voor verdeeldheid, polarisatie, tegenstellingen. De splijtende krachten winnen het van de verbindende krachten. De oplossing ziet hij in een versterking van de ‘elite’ die de verbindende en toekomstgerichte krachten vertegenwoordigt. Zij moet de extremisten eruit borstelen en een pluralistisch centrum vormen. Tenminste, zo begrijp ik het, want zijn ‘oplossing’ is zo abstract geformuleerd dat niet duidelijk is wat hij er precies mee bedoelt. Maar zijn bedoelingen worden wel duidelijk uit zijn formulering van het probleem: ze zijn niets anders dan good old politieke correctheid.

Veelzeggend is de zin: ‘de meerderheid van de bevolking verzet zich tegen de toekomstrichting van de huidige samenleving’. Daaruit blijkt dat de meerderheid van de bevolking volgens Cuperus geen deel uitmaakt van die samenleving. Qua ‘splijtende krachten’ kan dat tellen: de meerderheid van de bevolking wordt radicaal niet tot de samenleving gerekend. Die samenleving bestaat enkel uit de 40 procent die met elkaar willen samenwerken en die dus de verbindende krachten vertegenwoordigen. Het is het oude liedje: die verbindende krachten zijn net zo goed splijtende krachten want ze zetten zich scherp af tegen 60 procent van de bevolking. Het zijn zelfs splijtende krachten bij uitstek, want ze distantiëren zich van de meerderheid. Ze vormen een minderheid die zich afscheidt en tegen de meerderheid zegt: jullie keren zich tegen ons, jullie zaaien verdeeldheid. Anders gezegd, wie zich tegen de machtsgreep van de ‘elite’ verzet wordt bestempeld als splijtend, polariserend, niet tot de samenleving behorend.

Het zou allemaal veel duidelijker worden als we die ‘splijtende’ krachten mannelijk zouden noemen en de ‘verbindende’ krachten vrouwelijk. We zouden dan inzien dat de verbindende krachten die we nodig hebben niet dezelfde zijn als de vrouwelijke krachten. We hebben menselijke krachten nodig die mannelijk en vrouwelijk met elkaar verbinden, NIET vrouwelijke krachten die de mannelijke willen opvreten in naam van de menselijkheid. Door menselijke verbindende krachten te identificeren met vrouwelijke verbindende krachten wordt er een enorme verwarring gezaaid die Ahriman toelaat verdeeldheid te zaaien in naam van de eenheid, strijd in naam van de solidariteit, haat in naam van de liefde. Want natuurlijk is Ahriman de inspirator van dat verwarrende intellectualistische taalgebruik. Hij is degene die spreekt over eenheid, liefde en solidariteit. En wie zou daartegen kunnen zijn! Maar wat we niet beseffen is dat hij het heeft over ‘vrouwelijke’ eenheid en dus oproept tot strijd tegen de ‘mannelijke’ eenheid. 

Er gaat een magische werking uit van dit ahrimanische taalgebruik, het sust ons in slaap en doet ons instinctief reageren op de abstracte woorden en begrippen uit het politiek-correcte vocabularium: racisme, onverdraagzaamheid, haat, liefde, solidariteit, samenleving, verbindende krachten, polariserende krachten, enzovoort. Eigenlijk zouden we bij ieder van die woorden de vraag moeten stellen: wat wordt ermee bedoeld? Op welke werkelijkheid hebben ze betrekking? En dan zouden we zien dat ze telkens betrekking hebben op twee tegengestelde werkelijkheden en dat ze – door ons gebrek aan wakkerheid en onderscheidingsvermogen – telkens verbonden worden met slechts één van die werkelijkheden. Dat is wat men noemt dualistisch taalgebruik. De taal wordt op zo’n manier gebruikt dat we telkens slechts één kant van de medaille zien, nooit beide kanten samen. En zo betovert Ahriman ons met zijn woorden, zo zet hij ons tegen elkaar op. 

Advertenties