Henri De Braekeleer, De Man in de Stoel (3)

door lievendebrouwere

  

Niet lang na mijn kennismaking met De Volksvrouw leerde ik een ander schilderij van De Braekeleer kennen. Dat gebeurde tijdens ‘s Lands Feesten, ter gelegenheid van 150 jaar België. Op een dag wandelde langs het Koninklijk Paleis en merkte dat het opengesteld was voor het publiek. In een opwelling besloot ik een kijkje te gaan nemen. Het zag eruit zoals paleizen er plegen uit te zien: veel bladgoud en weinig smaak. Maar in één van de zalen was een kleine tentoonstelling ingericht met kunstwerken uit de koninklijke collectie. Nietsvermoedend liep ik langs de panelen tot ik opeens voor een schilderijtje stond dat me tot in het diepst van mijn ziel trof. Het was een klein landschapje met als titel Vue prise á la tête de Flandre. Ik had geen idee wat dat ‘Vlaams hoofd’ wel mocht zijn, maar boven de struiken zag ik – bizar detail – de afgetuigde masten van een zeilschip uitsteken en daar maakte ik – terecht zo zou later blijken – uit op dat het ging om een plek vlakbij de Schelde, waarschijnlijk op Antwerpen-linkeroever. 

Jaren later nog kreeg ik tranen in de ogen als ik terugdacht aan dit kleine schilderijtje in zijn veel te grote lijst. Veel viel er nochtans niet op te zien: een omgeploegde akker, afgezoomd met een rij populieren, meer niet. Als je heel goed keek zag je midden in de akker een vissertje zitten met een bolhoed op het hoofd. Dat was alles. De Braekeleer had de atmosfeer van de herfst echter onwaarschijnlijk goed getroffen en ik werd als het ware in dat landschap gezogen. Het koninklijk paleis verdween, heel Brussel verdween en voor ik het goed en wel besefte, zat ik daar zelf te vissen op het Vlaams Hoofd. Ik kon de geur van zwarte aarde en gevallen bladeren bijna ruiken, en boven mij welfde een onbeschrijflijk tere lucht vol wonderlijke kleuren. Nog nooit had een schilderij me zo diep ontroerd. Vue prise á la tête de Flandre was een totaal ander schilderij dan De Volksvrouw, maar het was eveneens een meesterwerk. Het was een wonder dat iemand met een beetje verf zoveel op kon roepen. 

De volgende dagen ging ik het schilderijtje telkens weer opnieuw bekijken, tot het koninklijk paleis zijn deuren sloot en Vue prise á la tête de Flandre God weet waar verdween. Was ik koning geweest, ik zou m’n koninkrijk gegeven hebben voor die kleine De Braekeleer. Maar Boudewijn en Fabiola wisten waarschijnlijk niet eens dat ze deze schat in hun collectie hadden. Wie kénde dit schilderijtje trouwens? Ik had er nooit een reproductie of zelfs maar een vermelding van gezien, en ook later zou ik er geen spoor meer van terugvinden. Het was een bijzonder gelukkig toeval dat ik het te zien had gekregen. Maar dat was genoeg om een onuitwisbare indruk op me te maken. Het duurde jaren voor ik aan dit schilderijtje kon denken zonder weer de diepe ontroering te voelen die me de eerste keer overvallen had. Vue prise á la tête de Flandre had me letterlijk verrukt. Anders kon ik het niet uitdrukken: dit landschapje had me uit mezelf gerukt en in een andere wereld terecht doen komen, de wereld van De Braekeleer.  

   
Langzaam doken er vragen op. Waarom had De Braekeleer dat zeilschip tussen de struiken geschilderd? Het stoorde niet echt en er was ook een logische verklaring voor, maar het bleef toch een bizar element. Ik kende De Braekeleer als iemand die de zintuiglijke werkelijkheid minutieus en waarheidsgetrouw ‘nabootste’, dus het was mogelijk dat hij de masten van dat schip geschilderd had omdat hij ze doodeenvoudig had gezien. Maar ze bevonden zich helemaal links aan de rand van het schilderij en hij zou de waarheid geen geweld hebben aangedaan als hij zijn blik een fractie meer naar rechts had gericht. Bovendien geloofde ik niet dat hij dat landschapje ter plekke had geschilderd. Dat lag niet alleen niet in zijn aard, maar de hele sfeer van het schilderijtje was zo intiem dat het me onwaarschijnlijk leek dat hij dat in openlucht voor mekaar had gekregen. Ik twijfelde er niet aan: hij had dit landschapje in de beslotenheid van zijn atelier geschilderd en hij had dat schip er welbewust op gezet. 

Er bestaat een foto van Henri De Braekeleer waarop hij net zo’n bolhoed draagt als dat vissertje op Vue prise á la tête de Flandre. De schilder woonde in een groot herenhuis (het ouderlijke huis) in het centrum van de stad en werd regelmatig opgemerkt als hij, netjes in het pak, ging wandelen met zijn hondje. Hij was met andere woorden een burgermannetje zoals de visser op het schilderij. Nu kon ik me De Braekeleer moeilijk voorstellen als een visser, en al helemaal niet als een visser die midden in een omgeploegde akker ging zitten. Ik zag het al vóór me: de keurig geklede De Braekeleer die zich met zijn glanzend opgepoetste schoenen moeizaam een weg baant door de vette aardkluiten – het is zware poldergrond daar aan de Schelde – om er in een beekje te gaan vissen. Nee, dat leek me hoogst onwaarschijnlijk. De Braekeleer zou dat nooit gedaan hebben, niemand met een bolhoed zou dat ooit gedaan hebben. En toch was ik ervan overtuigd dat het vissertje de schilder zelf was. 

De Braekeleer was geen impressionist die de natuur intrekt, er zijn ezel neerplant en schildert wat hij ziet. Nee, hij componeerde zijn schilderijen zorgvuldig in zijn atelier. Dat had hij ook met dit landschapje gedaan: hij had het uit zijn herinnering ‘opgevist’ en daarbij was er heel wat meer naar boven gekomen. Niet alleen dat loze vissertje was De Braekeleer, het hele landschap was De Braekeleer. Vue prise á la tête de Flandre was een beeld van zijn eigen ziel. En in die ziel was ik ondergedoken toen ik het schilderij voor het eerst zag: ik was De Braekeleer geworden en dát was wat me zo diep ontroerd had. De schilder had zijn ziel in dat landschap gelegd en door in dat landschap terecht te komen, had ik die ziel van binnenuit leren kennen. Ja, ik had werkelijk het gevoel dat ik De Braekeleer kende, niet als een burgermannetje-met-een-bolhoed maar als een buitengewoon diepe en tedere ziel. Wat ik bij het zien van Vue prise á la tête de Flandre had beleefd, was een soort zielsverhuizing geweest. 

Ik begon te begrijpen waarom De Braekeleer zichzelf op deze manier geschilderd had. Het Vlaams Hoofd (nu Sint Anneke) lag op honderd meter van Antwerpen, slechts door de Schelde gescheiden van de drukke metropool, maar het was een totaal andere wereld. Vandaag staat het er vol met appartementsblokken, maar ten tijde van De Braekeleer was het een polderlandschap dat zich uitstrekte zover het oog reikte. Zo zag het er vóór de tweede wereldoorlog trouwens nog altijd uit. Mijn tekenleraar vertelde er met veel weemoed over. Als de drukte van de stad hem teveel werd, nam hij de fiets, dook de voetgangerstunnel onder de Schelde in en kwam boven in een wereld vol rust en stilte waar hij de hele dag alleen en van geen mens gestoord kon zijn. De zielepijn klonk door in zijn woorden, want van dat hele weidse landschap – het laatste in Vlaanderen – blijft vandaag niets meer over. De haven heeft het opgeslokt en de dorpen (Oosterdonk!) met de grond gelijk gemaakt.

  
Ik kon me dus levendig voorstellen dat de introverte De Braekeleer hier graag kwam, niet om te vissen of te schilderen, maar om tot zichzelf te komen. Hier vond hij een wereld die niet veranderde en waar de tijd geen vat op had. Die wereld zocht hij ook in Antwerpen op, bijvoorbeeld in het Brouwershuis, een 16de eeuwse woning die de zetel was geweest van het brouwersgild. Het gebouw stond leeg – nu nog altijd trouwens – en De Braekeleer moet er veel tijd hebben doorgebracht, want met name de rijk versierde vergaderzaal heeft hij talloze keren geschilderd. Hier, waar de tijd was blijven stilstaan en het verleden nog tastbaar aanwezig was, voelde hij zich in zijn element. Hier was de uiterlijke wereld een spiegel van zijn innerlijke wereld, van zijn ziel die haakte naar het eeuwige en het onveranderlijke. Die onveranderlijkheid zocht hij ook op het Vlaams Hoofd, waar de boeren ploegden zoals ze al eeuwen ploegden. Daar ging hij vissen, niet in een of andere beek, maar in zijn eigen ziel. 

Aan die ziel stelde ik de vraag: waarom zit je daar midden in dat omgeploegde veld te vissen? Het antwoord kwam onmiddellijk: omdat ik met rust gelaten wil worden. Ik ga niet vissen op Sint-Anneke om eten op tafel te krijgen, maar om zielevoedsel te vinden, om naar binnen te keren en te vissen in mijn eigen ziel. En daarbij wil ik niet gestoord worden. Wandelaars die een praatje willen slaan, worden op afstand gehouden door de omgewoelde aarde. Ze zullen zich wel wachten om dat hele eind door de aardkluiten te baggeren. Dat antwoord riep echter een andere vraag op: als je dan toch met rust gelaten wil worden, waarom zoek je dan geen beschutte plek op? Waarom ga je uitgerekend midden in dat kale veld zitten waar iedereen je al van ver kan zien? Ook nu liet het antwoord niet op zich wachten. Het vissertje – De Braekeleer zelf dus – wilde wel degelijk gezien en aangesproken worden, maar niet door nieuwsgierige passanten. Alleen door mensen die er iets voor over hadden om tot hem te leren kennen.   

Die antwoorden klonken me volkomen redelijk in de oren. Ze kwamen weliswaar uit mezelf, maar juist omdat mijn zelf zich in dat herfstlandschap bevond – en dus in de ziel van de schilder – kwamen ze ook van De Braekeleer. Ik voerde een innerlijk gesprek met hem. En zijn antwoorden bevestigden dat Vue prise á la tête de Flandre een zelfportret was, een zieleportret. De Braekeleer had zichzelf geschilderd door middel van een beeld uit de buitenwereld, een beeld dat zijn eigen ziel weerspiegelde. En de paradox was dat dit landschapje zo’n sprekend zelfportret was omdat het zo’n sprekend portret was van de zintuiglijke werkelijkheid. Als De Braekeleer de herfst op het Vlaams Hoofd niet zo waarheidsgetrouw had weergegeven, zou dit schilderijtje me nooit zo verrukt hebben, zou ik nooit het zielekarakter beleefd hebben en zou ik nooit in gesprek met De Braekeleer zijn gegaan. Ik kon zijn wezen bereiken omdat het zich helemaal had ‘uitgestort’ in de zintuiglijke werkelijkheid die ook mijn werkelijkheid was. 

Daarin lag de grote kracht van De Braekeleer: hij schilderde een louter materiële wereld, zonder leven, zonder beweging, zonder gerucht. Alleen maar zwijgende, dode materie. Hij schilderde die wereld echter met zoveel toewijding, met zoveel liefde dat hij er zijn hele ziel in legde. En wie deze schilderijen met evenveel liefde en toewijding bekeek, ontmoette die ziel, of beter gezegd: hij werd erdoor opgenomen, hij versmolt ermee zoals de ziel van De Braekeleer met de materie was versmolten. Die dode materie – niet alleen als onderwerp maar ook als middel – was de brug waarlangs de ene ziel de andere kon ontmoeten. Die ontmoeting vond plaats in twee fasen: eerst was er de gevoelsmatige versmelting, de eenwording als gevolg van een onbewuste herkenning. En vervolgens was er het verstandelijk ontwaken, het vragen stellen, de bewuste herkenning. Het zielegesprek begon reeds in de eerste fase, maar dan zonder woorden. Pas wanneer het verstand erbij kwam, werd het een bewust gesprek.

De overgang van de eerste naar de tweede fase – van de gevoelsmatige beleving naar de verstandelijke benadering – werd in Vue prise á la tête de Flandre bewerkstelligd door die twee merkwaardige details: het zeilschip en het vissertje. De Braekeleer had ze zo subtiel verwerkt in het schilderij dat ze de beleving niet verstoorden. Ze waren te bescheiden om de kijker uit de droom te helpen en tot nadenken te bewegen. Maar ze waren wel als haakjes die roerloos in het ‘water’ van de gevoelens hingen te wachten tot het verstand ‘beet’. En als dat gebeurde, ontwaakte de kijker langzaam en voorzichtig in de geestelijke dimensies van dit schilderij. Die dimensies waren niet minder ontroerend dan de zuiver zintuiglijke (de natuurgetrouwe weergave van de herfst op het Vlaams Hoofd) of de louter zielkundige (de uiterlijke natuur als spiegelbeeld van de innerlijke natuur van De Braekeleer) want ze vielen ermee samen. De kijker ontwaakte niet uit de droom, hij ontwaakte in de droom, een droom waar hij zelf deel van uitmaakte.  

De Braekeleer zoals hij ons tegemoet komt uit Vue prise á la tête de Flandre – als we tenminste de moeite doen om dat omgeploegde veld over te steken waarin hij zich verschanst heeft – komt wonderwel overeen met de De Braekeleer zoals we die kennen uit de mythe die zich reeds tijdens zijn leven had gevormd als gevolg van zijn eenzelvigheid, zijn mensenschuwheid, zijn zwijgzaamheid. Maar het is geenszins de sullige, wat achterlijke schilder waarvoor velen hem hielden, die we hier zien verschijnen. Wel integendeel, het is een man die zich heel goed bewust is van zichzelf. De manier waarop hij zichzelf portretteert in dit kleine herfstlandschap getuigt van een zelfbewustzijn dat zijn tijd ver vooruit was en dat zelfs vandaag nog uitzonderlijk is. Daarin ligt ongetwijfeld de reden voor zijn autistische gedrag: hij had niemand met wie hij kon spreken over de geest die zich diep in zijn ziel – dat stille water met diepe gronden – roerde en die hij geen naam kon geven. Hij kon er alleen met zichzelf over spreken, in de taal die hij zo goed beheerste: de taal der beelden. 

De Braekeleer is een kunstenaar die diep in gesprek is met zichzelf, een gesprek zonder woorden. In Vue prise á la tête de Flandre portretteert hij zichzelf als een eenzaam, diep melancholisch man die er intens naar verlangt om gezien en gekend te worden maar die daar tegelijk zeer voor beducht is en zich omringt met een afweergordel die oneerbiedige lieden op afstand moet houden. Tegelijk hangt hij een portret op van de beeldende kunstenaar, die met de dode materie werkt en die van alle kunstenaars de meest aardse en zintuiglijke is. Anders dan de musicus wiens muziek tot het lucht-element behoort, is hij omringd door aarde, zoals het vissertje op het Vlaams Hoofd. Juist die zware aarde, die dichte materie, maakt zijn kunst een stuk minder toegankelijk dan de muziek, en een stuk minder bewust dan de literatuur. Maar ze maakt zijn kunst ook dieper en geheimvoller. Het zijn altijd de beeldende kunstenaars geweest die het dichtst stonden bij de esoterische onderstroom van hun tijd. 

Het is in die verborgen onderstroom dat ook De Braekeleer zijn hele leven heeft ‘gevist’. De beek waarin de man-met-de-bolhoed op het Vlaams Hoofd zit te vissen is niet zichtbaar. Het is alsof hij in de aarde zit te vissen en daardoor een beeld is van de zwakzinnige schilder waarvoor hij door de buitenwereld werd gehouden. Maar tegelijk is hij ook een beeld van de esoterische schilder die vist in de onzichtbare geestelijke dimensie van de aarde. En De Braekeleer wist dat hij het allebei was, anders zou hij die twee details niet geschilderd hebben: het zeilschip dat verwijst naar verre, vreemde landen die alleen over water (beeld van het gevoel) te bereiken zijn, en de visser die verwijst naar de diepten van de aarde (beeld van het verstand) waaruit met veel geduld ideeën en gedachten worden opgevist. Op die – buitengewoon subtiele – manier probeert De Braekeleer de kijker ertoe te brengen hetzelfde te doen en ook naar ideeën te gaan vissen in zijn schilderijen, maar niet zonder eerst ‘de Schelde’ overgestoken te zijn en aangemeerd te hebben in zijn ziel.  

Advertenties