Dansende moslims

door lievendebrouwere

  

Het verhaal is inmiddels bekend. Minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon verklaarde onlangs in een interview dat ‘een significant deel van de moslimgemeenschap danste na de aanslagen in Brussel’. Daarop stak een voorspelbare storm van verontwaardiging op die zelfs tot in Amerika reikte waar Jambon vergeleken werd met Donald Trump. Abou Jahjah was er als de kippen bij en diende klacht in. Anderen eisten het ontslag van de minister, en de CD&V – nooit te beroerd om collega’s een mes in de rug te steken – eiste verontschuldigingen. Business as usual dus. Verleden jaar stak eenzelfde storm op nadat Bart De Wever gezegd had dat er problemen waren met Marokkanen. Daarmee trapte hij een open deur in, maar dat speelde allemaal geen rol. Bart is the bad guy en dus moest hij hangen. Jan Jambon maakt ook deel uit van de N-VA en is dus eveneens een op te knopen bad guy. Ter vergelijking: Yves Goldstein maakt deel uit van de Brusselse PS, en is nauw gelieerd met Rudi Vervoort en Laurette Onkelinx. Tijdens een forum op 20 maart verklaarde hij dat niet minder dan 90% van de Molenbeekse moslimjongeren de terroristen van IS als helden beschouwen. 90%, dat is méér dan een ‘significant deel’ zoals Jambon het uitdrukte. Stak er een storm van verontwaardiging op na deze uitspraak? Uiteraard niet, want ze werd gedaan door een linkse socialist, door een good guy dus. 

Is het waar wat Jambon gezegd heeft? Natuurlijk is het waar, iedereen weet dat. Misschien werd er niet echt ‘gedanst’ zoals hij zei, en misschien ging het niet precies om 90% zoals Goldstein beweerde, maar daar gaat het toch niet om? Waar het om gaat is dat er in Brussel een moslimgemeenschap leeft die aan de lopende band terroristen en jihadi’s voortbrengt en dat niemand daar wat aan doet. Integendeel, wie zelfs maar op deze rotte plek durft te wijzen, krijgt een storm van verontwaardiging over zich heen. En je moet sterk zijn om daarin overeind te blijven. Zo worden er nu op hoge toon bewijzen geëist van Jan Jambon. In Molenbeek zijn er tal van onderwijsmensen die dergelijke bewijzen kunnen leveren. Het waren heus niet enkele leerlingen in één klas van één school die juichten na de aanslagen in Brussel. Maar welke leerkracht zal dit openbaar durven uitspreken? Hij komt dan in het midden van zo’n mediastorm te staan en gaat eronder door. Wellicht raakt hij zijn job kwijt of moet hij zelfs verhuizen. En dus zwijgt hij. Want hij weet dat er toch niks aan gedaan wordt en dat hij sowieso de kop van jut is. Zijn onderwijsmensen in dit land immers niet door en door racistisch zoals ‘de cijfers’ steeds weer aantonen? Nee, wie met bewijzen boven water komt, pleegt sociale zelfmoord. En dus zal de hele zaak weer met een sisser aflopen en zullen voortaan nog minder mensen bereid zijn hun mond open te doen.

Het wordt steeds moeilijker – en zelfs gevaarlijk – om nog de waarheid te spreken. Alleen wie bereid is alles te verliezen, durft dat nog. De vraag rijst waarom de waarheid zoveel woede opwekt in een tijd die het bestaan van de waarheid ontkent. Onlangs verklaarde een Nederlandse sportjournalist op televisie dat het amateurvoetbal ten gronde ging in gebieden waar veel Marokkanen woonden. Hij had het met zijn eigen ogen zien gebeuren, beweerde hij rustig en kalm. Maar geen van zijn gesprekspartners vroeg zich af of het waar was wat hij zei. Hun gezichten werden meteen duister, ze hadden zichtbaar moeite om niet in verontwaardiging uit te barsten (dat gebeurde pas achteraf). Het was alsof ze gegrepen werden door een gemeenschappelijke geest die louter woede en agressie uitstraalde. Ik begin het steeds bangelijker te vinden, die collectieve geest van woede en verontwaardiging die schuilgaat achter slogans als ‘democratie’, ‘verdraagzaamheid’ en ‘solidariteit’. Het is een geest die voor geen rede vatbaar is (vraag het Alain Finkielkraut maar) en die even agressief als schijnheilig is. Een beschrijving van die geest vond ik onlangs toevallig in een boek van Emil Bock. Hij schrijft daarin onder meer het volgende: 

‘Om niet zelf de absolute juistheid van hun leer in twijfel te trekken, moesten ze de religieuze arrogantie van hun aanhangers cultiveren. Moest degene die alle regels naleefde immers niet iedereen die de Wet minder strikt naleefde voor een tot de eeuwige dood veroordeelde houden? Omdat er door het systeem van de Wet een berekenbare weg naar het heil bestond, was het natuurlijk goed mogelijk om vast te stellen of iemand zich op weg naar de verdoemenis bevond. Zo werden degenen die oorspronkelijk de beschermheren waren van het liberale en democratische geestesleven, algauw tot religieuze despoten en fanatici die de staf braken over iedereen die zich niet aan hun scholing door de Wet onderwierp. De benaming van degenen die niet tot de vromen – de kandidaten voor de nieuwe tijd – behoorden, werd tot een spotnaam die gelijkstond met een definitieve veroordeling: ‘het volk van deze wereld’. ‘

Rarara, over welke ‘oorspronkelijke beschermheren van het liberale en democratische geestesleven’ heeft Emil Bock het hier? Een kleine hint: iemand met wie het slecht afgelopen is omdat hij hun woede en verontwaardiging over zich afriep, noemde hen ‘adderengebroed’. Inderdaad, het zijn de farizeeën waarover Emil Bock het heeft (in zijn boek Keizers en Apostelen). De kwaadaardige en schijnheilige politiek-correcte intellectuelen die het hedendaagse geestesleven in hun ijzeren greep houden, zijn de moderne versie van de fanatieke farizeeën, het meest verachtelijke soort joden uit de tijd van Christus, de grote vijanden van de levende Waarheid. Het feit dat ze vandaag weer terug zijn en onophoudelijk hun gif spuiten, doet vermoeden dat ook Christus weer terug is, niet in een fysieke vorm, maar in de gedaante van de waarheid. Het bestaan van die waarheid wordt in onze postmoderne tijden weliswaar ontkend, maar voor iets wat niet bestaat wekt ze toch verbazingwekkend veel woede en verontwaardiging op. 
  

Advertenties