Henri De Braekeleer, De Man in de Stoel (5)

door lievendebrouwere

  

Het meest bekende en meest representatieve werk van Henri De Braekeleer is ongetwijfeld De Man in de Stoel. Het is één van de iconen van de Vlaamse schilderkunst geworden, ondanks de miskenning van zijn maker. Als kijker voel je meteen dat je hier voor een schilderij van betekenis staat, ook al kun je niet zeggen waarom. Het beeld van De Man in de Stoel nestelt zich ongemerkt in je onderbewustzijn. Zo is het althans mij vergaan. Het is alsof ik dit schilderij altijd al heb gekend, ook al is er nooit enige dramatiek of emotionaliteit mee verbonden geweest zoals dat het geval was met De Volksvrouw, Vue prise á la tête de Flandre of zelfs De Man aan het Venster. Nergens is De Braekeleer meer zichzelf dan hier. Hij ís De Man in de Stoel, dat spreekt vanzelf. Hij is het die je aankijkt vanuit dit schilderij, dat weet je gewoon, zonder erbij na te denken. Het was pas nadat ik het essay van Bart Verschaffel had gelezen, dat ik me vragen begon te stellen over dit schilderij. Het verwonderde me dat hij uitgerekend over De Man in de Stoel niks te vertellen had, want als één werk van De Braekeleer een verborgen betekenis had, dan wel dit. 

De Man in de Stoel hing in het Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen, een museum dat me nog vertrouwder was dan dat van Brussel. Ze hadden hier wel geen olieverfschetsen van Rubens, maar ze hadden wel zijn Driekoningenschilderij met de koe. Ze hadden ook een schitterende Brouwer (waar ze vreemd genoeg niet zeker van waren). Ze hadden Rik Wouters en James Ensor, én ze hadden natuurlijk De Braekeleer. Hoe vaak had ik me niet laten betoveren door de stilte en het mysterie van zijn schilderijen! Het was goed toeven in hun zwijgzame gezelschap. Maar de jaren gingen voorbij en ik kwam steeds minder in Antwerpen. Toen ik er op een dag nog eens moest zijn om afscheid te nemen van beeldhouwer René Smits besloot ik van de gelegenheid gebruik te maken om een bezoek te brengen aan de Man in de Stoel. Het was alsof ik een oude vriend ging opzoeken die ik al in lang niet meer gezien had en die ik ook in lange tijd niet meer zou kunnen zien, want men had besloten het museum te restaureren en het zou voor minstens vijf jaar de deuren sluiten. 

Ik herkende het Museum voor Schone Kunsten niet meer toen ik er binnenstapte. Er heerste een drukte van jewelste. In één zaal was de televisie een interview aan het opnemen, in een andere zaal kon je achter glas zien hoe een schilderij werd gerestaureerd, moeders sjouwden met buggy’s door de zalen, kinderen holden uitgelaten rond, kortom: het was een gekkenhuis. En ik moest er nog voor betalen ook. Waar was de tijd dat ik hier helemaal alleen door de lege zalen dwaalde en het gefluister van de schilderijen kon horen! Het museum was toen nog een heilige ruimte waar eerbied heerste. Vandaag is het een marktplaats waar gidsen luidruchtig hun artistieke waren aanprijzen. Ik begreep opeens wat Christus bezield had toen hij de kooplieden uit de tempel ranselde. Ik moest me bedwingen om niet meteen rechtsomkeer te maken, maar eerst wilde ik m’n oude vriend zien. Het duurde een tijdje voor ik hem vond want hij hing niet meer op zijn gewone plaats. Toen ik er eindelijk voor stond kreeg ik een schok: dit doffe, kleurloze schilderij, was dát De Man in de Stoel? Ik herkende het nauwelijks. 

Vol ongeloof staarde ik naar het vale doek. Dit was helemaal niet het schilderij zoals ik het mij herinnerde. Wat was er gebeurd? Had ik mij vergist in De Man in de Stoel en drong de harde werkelijkheid nu tot me door? Pas toen ik me inspande om de drukte om me heen te vergeten, kreeg hij langzaam weer wat kleur. Geleidelijk verscheen mijn oude vriend, maar het ging niet van harte. Ik begon te begrijpen dat ik van m’n stuk was gebracht door de ontheiliging van het museum. In de marktatmosfeer die er heerste, kon ik geen contact maken met De Man in de Stoel. Hij kwam niet uit de verf. Halsoverkop ontvluchtte ik het museum waar de buitenwereld zo brutaal was binnengedrongen. Ik zocht soelaas bij de Schelde, maar ook daar was geen rust te vinden. Op weg naar huis voelde ik me alsof een dierbare vriend gestorven was. Later, toen ik begon na te denken over De Man in de Stoel, kwam de gedachte in me op dat de hele ervaring misschien wel een afscheidsgeschenk was geweest van René Smits. Had hij me op deze manier willen leren dat niet alleen mensen kunnen sterven, maar ook kunstwerken?

Pas wanneer iets er niet meer is, wordt een mens er zich echt bewust van. Human kind cannot bear much reality: de levende werkelijkheid is ons te sterk. Ze moet eerst tot een herinneringsbeeld verbleken voor we haar echt kunnen verteren. Zo verging het me met De Man in de Stoel. Ik begon pas over hem na te denken toen hij in mijn beleving de geest had gegeven. Zolang hij leefde en (zonder woorden) tot me sprak, zag ik geen enkele reden om hem te onderbreken. Waarom zou ik de heilige ruimte die hij schiep, ontwijden met vragen en kritische gedachten? Daarvoor ging je toch niet naar een museum? Maar blijkbaar doen mensen dat tegenwoordig toch: ze brengen de dodelijke drukte die in hun hoofd heerst het museum binnen en richten daar een ware ‘slachting’ aan onder de kunstwerken. Titanen als Rubens kunnen dat geweld misschien nog overleven, maar stille, schuchtere en bescheiden figuren als De Braekeleer worden er het eerste slachtoffer van. Niet lang daarna ging het museum voor jaren dicht en werd De Man in de Stoel helemaal onbereikbaar. 

Hij bestond nu alleen nog in mijn herinnering (en in een enkele reproductie) en daar begon hij een nieuw leven, veel minder direct, maar wel een stuk bewuster. Ik ging op zoek naar de betekenis die ik in dit schilderij vermoedde maar nog niet kende. Ik begon een bewust gesprek met De Man in de Stoel, gestijfd door de wetenschap dat De Braekeleer dat gesprek ook wilde. Dat bleek maar al te duidelijk uit Vue prise á la tête de Flandre en andere schilderijen. Weliswaar bleef er nog altijd een flard van twijfel bestaan door de mogelijkheid, hoe klein ook, dat al die veelzeggende details ‘per ongeluk’ in zijn werk waren terechtgekomen, maar de laatste twijfel werd weggenomen door de oorbel op De Man aan het Venster. De Braekeleer had dit detail heel bewust aangebracht, dat kon niet anders, en hij had er ook iets willen mee zeggen. Die zekerheid vormde het uitgangspunt van mijn onderzoek van De Man in de Stoel, dat in zekere zin het zusterschilderij is van De Man aan het Venster. Beide doeken behandelen hetzelfde thema: een eenzame man in een lege kamer aan een open venster. 

  

Ze behandelen het echter in spiegelbeeld. De man aan het venster staat recht en kijkt door het raam. We zien hem dus op de rug. De man in de stoel daarentegen zit neer en kijkt ons aan. Hij heeft geen enkele belangstelling voor wat zich buiten afspeelt (en wat voor de kijker onzichtbaar blijft). De man aan het venster bevindt zich in een kale, lege kamer en zou een kandidaat-huurder kunnen zijn die een kijkje komt nemen in zijn nieuwe huis. Hij maakt een ontroerend schuchtere indruk. De man in de stoel bevindt zich dan weer in een bijzonder luxueus aangeklede kamer waarmee hij zowat vergroeid lijkt te zijn. Hij maakt een treurig-norse, ontoeschietelijke indruk. Het is niet overdreven te zeggen dat deze twee schilderijen – de bekendste van De Braekeleer – een soort dubbelportret vormen, waarbij De Man aan het Venster de mannelijke, naar buiten gerichte versie is, en De Man in de Stoel de vrouwelijke, naar binnen gekeerde versie. Dit dubbele portret is trouwens reeds in de kiem aanwezig in De Man aan het Venster (dat drie jaar eerder werd geschilderd), waar we de man naast zijn vrouwelijke reflectie in het vensterglas zien. 

  

 

 
Wat er ook van zij, De Man aan het Venster verschafte me de vaste grond waarop ik kon steunen tijdens mijn zoektocht naar de verborgen betekenis van De Man in de Stoel. Dat was ook nodig, want op het eerste gezicht was er met dit schilderij niks bijzonders aan de hand. Ik zag geen enkel detail waarvan ik dacht: dit is waarschijnlijk één van die sleutels die De Braekeleer in zijn werk placht te verbergen! Er was alleen de algemene indruk van een raadsel, een mysterie. En dat mysterie was buitengewoon zintuiglijk. Dat was een ander groot verschil met De Man aan het Venster, dat een – voor De Braekeleer ongewoon – eenvoudig schilderij is. Een man staat in een lege kamer en kijkt door het raam. We zien niet waarnaar hij kijkt, we zien alleen wat daken. Juist die (relatieve) afwezigheid van zintuiglijke indrukken richt de aandacht van de kijker op de man die aan het venster staat. Zijn houding is, in al zijn voorzichtigheid en terughoudendheid zo expressief dat je je zonder moeite in hem kunt verplaatsen. Het lijdt nauwelijks twijfel: ook hier heeft De Braekeleer zichzelf geschilderd. Met één enkel beeld toont hij ons hoe hij in de wereld staat. 

De Man in de Stoel toont een heel ander beeld. De zintuiglijke rijkdom van de kamer waar de man zit, is zo overweldigend dat we in eerste instantie niet op hem letten. We ontwijken ook instinctief zijn blik. Al onze aandacht gaat uit naar de muur waarvoor hij zit. Die is bekleed met kunstig bewerkt Mechels goudleder, zoals we dat bijvoorbeeld ook aantreffen in het Rubenshuis en andere rijke herenhuizen uit die tijd (17de eeuw). In het schilderen van deze rijkelijk versierde muur heeft De Braekeleer een huzarenstukje geleverd. De textuur van deze uitgedroogde en kromgetrokken lederen bekleding is zo meesterlijk weergegeven dat de muur wel lijkt te leven. De plantaardige motieven waarmee het leder bewerkt is, zijn een soort wervelend feest van natuurwezens geworden. Eens te meer schildert De Braekeleer hier een betoverde wereld, een wereld die ooit vol uitbundig leven was, maar die door een of andere toverspreuk verstard is, alsof iemand de tijd heeft stilgezet. En De Braekeleer schildert die wereld zo alsof hij ieder moment weer tot leven kan komen, alsof hij wacht op het verlossende woord. 

Deze muur is paradoxaal genoeg het meest levendige element in het hele schilderij en hij zuigt de aandacht van de kijker dan ook zodanig naar zich toe dat deze de man die ervoor zit gewoon over het hoofd ziet. Er gaat een beroezende invloed uit van de dansende vormen op het leder, alsof ze het bewustzijn meesleuren en dronken voeren. Dat is misschien lichtjes overdreven uitgedrukt, maar het volstaat om deze muur weg te denken en hem in gedachten te vervangen door de muur op De Man aan het Venster om te beseffen welke nadrukkelijke rol hij speelt op dit schilderij. Zonder deze bijna levende muur zou de ruimte waarin de man zit niets minder dan een grafkamer zijn, een sterfput. Het helpt ons de houding en uitstraling van de man in de stoel te begrijpen, die sterk contrasteert met de uitbundigheid achter hem. Hij zit naast het open raam (het is dus lente of zomer) maar niets kan de kilte verdrijven die opstijgt uit de vloer en die hij probeert tegen te gaan door een kussen onder zijn voeten te plaatsen en een hoed op zijn hoofd. Het is een beeld van de intense verkilling waaraan deze man – en de wereld waarin hij zich bevindt – ten prooi is.

Het valt ons nu ook op hoe donker de schaduwen zijn die het licht werpt dat van buiten komt. Dat licht is niet in staat om de duisternis in de kamer te verlichten, integendeel het maakt ze nog dieper. Wat we in dit schilderij dus zien is dus niet zozeer een dramatische tegenstelling tussen licht en duisternis, dan wel tussen kleur en duisternis, want de duisternis overheerst, het licht is er niet tegen opgewassen. Het is in feite even kil als het duister. De enige warmte gaat uit van de kleuren van de muur, van het schilderijtje dat aan die muur hangt, van de stoelleuning waarop de man zit, van het kussen onder zijn voeten en – merkwaardig detail – van de rode manchetten die uit zijn mouwen steken en die niet tot zijn vest of enig ander kledingstuk behoren. Die bruin-geel-rode kleuren zijn overduidelijk herfstkleuren, het zijn de kleuren waarin het hele oeuvre van De Braekeleer geschilderd is en die uitdrukking zijn van een oud geworden, verdorde en stervende wereld. Wat De Braekeleer hier in beeld brengt, is de wereld van zijn tijd, de verstarde, bijna tot stilstand gekomen wereld van de 19de eeuw.

Door dit schilderij gewoon te beschrijven, door het om te zetten in woorden, wordt stap voor stap duidelijk dat De Man in de Stoel niet zomaar een nauwgezette nabootsing is van een oude man in een antieke kamer. Het is een beeld, een metafoor van een stervende herfstwereld, een wereld die verkild is tot op het bot en die niet meer kan geholpen worden door enig uiterlijk licht. Het schilderij is niet slechts een beeld van de wereld van de 19de eeuw, het is ook een beeld van onze eigen verstarde en versteende materialistische wereld. De Man in de Stoel, dat zijn wij. Wanneer we naar dit schilderij kijken, kijken we naar onszelf. Het is een spiegel. En dat is de reden waarom we de blik van de man in de stoel vermijden, dat is de reden waarom we De Braekeleer miskennen. We willen niet nadenken over zijn werk, we willen niet geconfronteerd worden met het bewustzijn dat erin opgesloten ligt. En nergens is dat bewustzijn zo diep en alomvattend als in De Man in de Stoel, nergens heeft De Braekeleer het zo goed verborgen, nergens doet hij zo’n indringend beroep op de kijker, zonder hem enige andere sleutel te geven dan het schilderij zelf.  

Advertenties