Henri De Braekeleer, De Man in de Stoel (6)

door lievendebrouwere

  

Met De Man in de Stoel bereikt Henri De Braekeleer het toppunt van zijn kunnen. Het weergeven van de zintuiglijke werkelijkheid en het scheppen van een betekenisvol beeld vallen hier volkomen samen. De Braekeleers indrukwekkende (en typisch Vlaamse) vermogen om materie te schilderen komt volledig tot rijpheid, en tegelijk bereikt hij de grootste concentratie van ideeën. Die ideeën zijn onzichtbaar omdat ze volkomen ‘geïncarneerd’ zijn: ze zijn materie geworden. Nergens steken ze boven het zintuiglijk waarneembare uit in de vorm van typisch De Braekeleriaanse details zoals de visser in Vue prise á la tête de Flandre of de oorbel in De Man aan het Venster. We zullen nog zien dat dit niet helemáál klopt en dat De Braekeleer ook in dit schilderij sleutels heeft verborgen. Maar niet alleen zijn ze zo mogelijk nog subtieler dan in zijn andere schilderijen, ze zijn ook niet echt nodig om de toegang te ontsluiten tot de ideële, geestelijke dimensie van dit werk.

Nee, de toegang tot De Man in de Stoel vindt men al door zich bewust te worden van de manier waarop men naar dit schilderij kijkt. Men stelt dan vast dat de blik ‘gevangen’ wordt door de muur achter de man in de stoel. Deze rijkversierde muur is letterlijk de blikvanger van dit schilderij: een feest voor het oog waar men slechts onwillig de blik van afwendt. Maar het schilderij is natuurlijk méér dan die muur alleen en dus maakt de blik zich los van de levendige wereld van de muur en daalt (niet zonder tegenzin) af naar de lagere, doodse gebieden van het schilderij. Het is een beetje als wanneer je tijdens een feest ‘zo nodig moet’ en de toiletten opzoekt waar je even later je handen staat te wassen terwijl je in de spiegel kijkt. Dat kijken is terloops want je gedachten zijn bij het feest waar je zo vlug mogelijk naar terug wil. Hier is het niet anders: je ziet de man in de stoel wel zitten, maar je ontwijkt instinctief zijn blik en keert weer terug naar de feestelijke muur. 

Deze onbewuste beweging van het oog is een herhaling-in-het-klein van de menswording: de mens daalt vanuit de geestelijke wereld af in de wereld van de materie en wordt daar geconfronteerd met zichzelf. De Braekeleer schildert De Man in de Stoel in 1876, in de tijd dus dat deze afdaling haar dieptepunt bereikt. Hij brengt dat dieptepunt op zo’n manier in beeld dat het verleden erin vervat zit. Die conclusie wordt ondersteund door andere elementen in het schilderij. Het is bijvoorbeeld niet moeilijk om in de muur een beeld te zien van de geestelijke wereld, die hier wordt voorgesteld als een wervelende kosmische dans. Het feit dat deze levendige wereld verstard is tot een muur, wijst erop dat de geest niet langer rechtstreeks toegankelijk is voor de mens. Hij vormt weliswaar nog altijd de achtergrond en de ruggesteun van het bestaan, maar de mens is er zich niet langer van bewust, hij zit er met zijn rug naartoe.

De eerste fase van deze afdaling in de materie is de religieuze. We herkennen ze in het heiligenbeeld dat zich boven aan de muur bevindt. Het stelt Sint Arnolfus (of Arnoldus) voor, de patroon van de bierbrouwers. Toeval is dat niet, want De Man in de Stoel toont ons een hoek van het Brouwershuis, dat in de 16de eeuw de zetel was van het Antwerpse brouwersgild. Het voorzag de 16 brouwerijen in de stad van water. De ingang van dit merkwaardige gebouw bevindt zich in de Adriaan Brouwerstraat, genaamd naar de schilder die het grootste deel van zijn leven in de kroeg sleet. Dronkenschap en schilderkunst komen in De Man in de Stoel op meer dan één manier samen. Ze worden verbonden met het christendom door de figuur van de heilige Arnolfus. Hij was afkomstig uit dezelfde streek als Adriaen Brouwer en adviseerde de bevolking in tijden van besmettelijke ziekten om bier in plaats van water te drinken.    

  

De Braekeleer heeft aan dit (bestaande) Arnolfusbeeldje een kaars toegevoegd die de rechte, verticale lijnen van het beeld beklemtoont en daardoor contrasteert met de cirkelvormige versieringen op de muur. De idee is duidelijk: religie is nog sterk verbonden met de geestelijke wereld maar maakt er zich tegelijk uit los en krijgt daardoor een rigiditeit die haaks staat op de dionysische uitbundigheid op de muur. Het kaarsmotief wordt herhaald op de muur links van het heiligenbeeld, waar het deel uitmaakt van een soort medaillon dat ook aan de rechterkant van het beeld te zien is, zij het slechts gedeeltelijk: de kaars valt hier net buiten de rand van het schilderij. Bovendien is dit rechtermedaillon donker en bevindt het zich lager dan het linkermedaillon waardoor het de opvallende symmetrie van de muur verstoort. Heeft De Braekeleer hier iets willen mee zeggen? Verwijzen de kaarsen mogelijk naar de Triniteit? 

  
Het lijkt erop dat De Braekeleer door het halveren van het rechtermedaillon het geleidelijke verdwijnen van de geest in beeld brengt. Hij stelt deze evolutie hier horizontaal voor, maar we vinden ze nog veel duidelijker terug in de verticale lijn die het heiligenbeeld, het schilderijtje en de man in de stoel vormen. Ze staan respectievelijk voor religie (geest), kunst (ziel) en wetenschap (lichaam). Op het eerste gezicht is er weinig wetenschappelijks aan het ventje dat zo lusteloos in zijn stoel zit. Maar als de horizontale lijn de menswording op geestelijk vlak uitbeeldt, dan mogen we ervan uitgaan dat de verticale lijn het zielkundige vlak voorstelt. De man in de stoel belichaamt niet de fysieke verschijning van de wetenschap maar de innerlijke zieletoestand die daarmee gepaard gaat. Omdat we vandaag in het tijdperk van de wetenschap leven, is dat de zieletoestand van de moderne mens. 

Het is de zieletoestand waarin de mens het ‘venster’ op de wereld wijd openzet en de werkelijkheid alleen nog via zijn lichaamszintuigen binnenkomt. Als gevolg daarvan verdwijnt het bewustzijn van de geest en verliest het leven zijn zin. De Braekeleer was een tijdgenoot van de impressionisten die, zoals Zola het uitdrukte, enkel nog oog waren. Ze registreerden de werkelijkheid zoals een wetenschapper dat doet: zonder er iets aan te veranderen. Uiterlijk legden ze een veel grotere activiteit aan de dag dan de traditionele atelier-schilders, maar innerlijk werden ze juist heel passief. De man in de stoel wordt omringd door een rijke zintuiglijke wereld, maar binnenin is hij leeg. Hij beleeft de wereld als een graftombe: aan de buitenkant rijk versierd, maar binnenin heerst de dood. De wereld van de impressionisten zag er misschien wel vrolijk uit, maar hij was ten dode opgeschreven.

De geschiedenis heeft dat maar al te duidelijk aangetoond. We merken het echter ook aan de impressionistische schilderijen zelf. Ze bestaan overwegend uit grijzen, kleurrijke grijzen dat wel, maar grijzen niettemin. Die ‘grijze’ indruk wordt nog sterker wanneer we ze in het echt zien, zonder de fotografische ‘maquillage’ van de reproducties. Het is het grijs van de herfst, het grijs van de dood. Het impressionisme was een laatste oplichten, als van een lamp die het gaat begeven. Dat was de kunst van De Braekeleer ook, maar in tegenstelling tot de impressionisten was hij zich daar scherp van bewust. Hij keek door de zintuiglijke schijn heen en schilderde met De Man in de Stoel de ziel van de moderne mens, die dodelijk bedroefd is omdat ze in een stervende wereld leeft. De Braekeleer sloot de ogen niet, noch voor die ziel, noch voor dat sterven. Hij vluchtte niet in de verdovende roes van een koortsachtige activiteit, maar keerde naar binnen.

De man in de stoel is de ‘wetenschappelijke’ mens die zich losgemaakt heeft uit de wereld van de levende geest en diep is afgedaald in de wereld van de dode materie. Zelfs met de kunst heeft hij bijna het contact verloren. Met de bovenste rand van zijn hoed raakt de man in de stoel nog net de onderste rand van het schilderijtje dat boven hem hangt. De Braekeleer kennende zal dat wel geen toeval zijn. Het schilderijtje is een miniatuurversie van de muur, die hier gevangen wordt in een kleine, donkere lijst die nog slechts met een haakje aan zijn (geestelijke) oorsprong vasthangt. Het is tevens een miniatuurversie van het grote schilderij dat op de schoorsteenmantel van het Brouwershuis staat en zich op dezelfde hoogte als het heiligenbeeldje bevindt. De Braekeleer verbindt fictie en werkelijkheid op ingenieuze wijze met als ‘boodschap’: de kunst heeft haar geestelijke grootheid verloren, ze is gekrompen tot mensenmaat.

   

Op niet minder ingenieuze wijze schept De Braekeleer een beeld van de plaats die de kunst in de moderne maatschappij inneemt. De horizontale lijn (van de kaarsen) scharniert als het ware rond de voet van de kandelaar onder het heiligenbeeld en vormt samen met de verticale lijn een kruis. Deze (ronde) voet heeft precies dezelfde vorm en grootte als de schaal waarin de kaars staat en suggereert dat de muur gekanteld kan worden tot een horizontaal vlak dat dan niet langer de geestelijke maar de aardse wereld voorstelt. De kaars vormt het geestelijke middelpunt van die wereld en de mens bevindt zich helemaal aan de rand. In feite hangt hij met zijn benen reeds over de rand (van de plint). Hij dreigt met andere woorden terecht te komen in de ‘onderwereld’ en alleen de kunst lijkt hem daar – voorlopig – voor te behoeden (sic). In die zin krijgt de blik van de man in de stoel iets van een vraag om hulp aan de kijker. 

We komen nog terug op de man in de stoel en zijn moeilijk te duiden blik. Hier willen we hem alleen schetsen als de ‘wetenschappelijke’ mens, die zo diep in de wereld van de materie is afgedaald dat hij er bijna mee vergroeid is. Zonder het zelf te beseffen, maakt hij echter ook deel uit van het kruis achter hem op de muur. Dit (scheve) kruis staat haaks op het (rechte) kruis dat gevormd wordt door het raamkozijn van het venster links op het schilderij. De muur waarin dit concrete houten kruis zich bevindt, is totaal anders dan de muur waarop het ‘denkbeeldige’ kruis is aangebracht. Deze muur, die we als kijker recht voor ons zien, toont een indrukwekkend maar ondoorzichtig geworden beeld van de geestelijke wereld, terwijl de muur met het venster volkomen transparant is en een levendig beeld van de aardse wereld toont. Tenminste wanneer we de kamer binnenstappen en door het raam kijken. 

De Braekeleer lijkt ons uit te nodigen niet langer alleen maar toeschouwer te blijven. Die vraag kunnen we ook lezen in de ogen van de man in de stoel. Maar wat verwacht hij precies van ons? Misschien kan De Man aan het Venster ons daarbij helpen, want dit schilderij toont ons de situatie die ontstaat wanneer we De Man in de Stoel binnenstappen en door het raam kijken. Dat is trouwens niet de enige manier waarop we een verband kunnen leggen tussen beide schilderijen. Zo heeft De Braekeleer voor De Man in de Stoel verschillende voorstudies gemaakt. Het zijn geen olieverfschetsen á la Rubens maar volledig uitgewerkte doeken waar hij dus veel tijd aan besteed moet hebben. Wellicht begon hij er reeds aan onmiddellijk na het voltooien van De Man aan het Venster. De Man in de Stoel moet toen reeds in zijn ziel geleefd hebben en was misschien zelfs de vrucht van het schilderen van De Man aan het Venster

  

Er kan geen twijfel over bestaan dat beide schilderijen nauw met elkaar verbonden zijn. Een van de opmerkelijkste verschillen is dat we de man aan het venster op de rug zien. Hij waant zich onbespied, zoals vrijwel alle figuren in het werk van De Braekeleer. Het zijn eenvoudige lieden die zo diep in zichzelf verzonken zijn, dat het niet eens in hen opkomt dat ze bekeken zouden kunnen worden. Alle zelfbewustzijn is hen vreemd, ze beschikken nog niet over het vermogen om tegenover zichzelf en hun wereld te gaan staan. Het is deze afwezigheid van zelfbewustzijn die de schilderijen van De Braekeleer zo’n bijzondere uitstraling geeft. We kijken naar een wereld die nog schuldeloos is, een wereld waar niets gebeurt en waar louter eeuwigheid heerst. Door ernaar te kijken, worden we zelf stil en komen in eenzelfde dromerige, meditatieve toestand als de figuren op deze zwijgende schilderijen. 

We kijken in feite zoals de man aan het venster kijkt: heel voorzichtig, als om de droom niet te verstoren. Daarom is er ook nooit scherp en onderzoekend naar de schilderijen van De Braekeleer gekeken, iets wat geleid heeft tot een miskenning die blijft duren tot op de huidige dag. De ‘wetenschappelijke’ mens van onze tijd ondergaat wel de betovering van dit werk en kan er ook nog de schilderkunstige kwaliteiten van erkennen, maar verder gaat het niet. De gedachtenloosheid en onbewustheid die erin heerst, ervaart hij als een leegte waar hij niks mee aan kan. Hij wil kunnen denken over kunst, is het niet over de inhoud dan over de vorm. En daarvoor vindt hij bij De Braekeleer geen houvast. Wat hij echter niet beseft, is dat in die ‘leegte’ een bewustzijn schuilgaat waarvoor hij terugdeinst. Het is het bewustzijn dat spreekt uit de blik van de man in de stoel, de blik die we instinctief vermijden. 

Wie zich intens met De Braekeleer bezighoudt, ontdekt al vlug dat zijn werk een spiegel is van de eigen ziel. We kunnen er nauwelijks iets over zeggen zonder ook iets over onszelf te zeggen, en daar voelen we ons zeer ongemakkelijk bij. Ons zelfbewustzijn bestaat bij de gratie van de afstand die we scheppen tussen onszelf en de wereld waarin we leven. Die wereld is voor ons als een schilderij waarnaar we ongestoord kunnen kijken zonder dat het terugkijkt. En hier ligt het grote verschil tussen De Man in de Stoel en De Man aan het Venster: de man in de stoel kijkt wel degelijk terug. Hij is de enige figuur in het hele oeuvre van De Braekeleer die de kijker rechtstreeks aankijkt en daardoor blijkt geeft van een bewustzijn dat ons uitermate ongemakkelijk maakt. Ook De Volksvrouw kijkt ons aan, maar zij zit met haar rug naar ons toe en is verrast. Het was niet de bedoeling dat we haar zagen.

  

Uit de hele compositie van De Man in de Stoel blijkt dat het wél de bedoeling is dat we hem zien – én door hem gezien worden. Nochtans is zijn blik is verre van uitnodigend: het laat hem onverschillig of we hem zien of niet. Het kan hem ook niet schelen of we de kamer al dan niet binnenkomen. Hij doet onwillekeurig denken aan ‘de wachter’ zoals Kafka hem beschrijft in Het Proces. Een man vraagt om toegelaten te worden tot ‘de Wet’ maar een wachter verspert hem de weg. De man wacht geduldig en de jaren gaan voorbij. Als hij zijn einde voelt naderen, vraagt hij waarom er in al die tijd nooit iemand anders zijn opwachting heeft gemaakt aan de poort. De wachter antwoordt: omdat deze ingang alleen voor jou bestemd was. Nadien spreekt Kafka over de verhouding tussen de wachter en de man. De wachter staat in dienst van ‘de wet’ terwijl de man vrij is, maar deze laatste krijgt dan weer geen toegang tot de wet.  

Het is niet moeilijk om in deze parabel de kunstenaar en de kijker te herkennen. De kunstenaar is – net als de man in de stoel – omringd door de rijkdom van zijn kunst maar hij is er tegelijk de gevangene van. Hij is eraan gebonden zoals de wachter aan de wet. De kijker heeft dan weer geen weet van de ‘binnenkant’ van de kunst, hij blijft voor de drempel staan, als een vrij blijvende toeschouwer. Maar juist omdat hij een buitenstaander is, ziet hij wat de kunstenaar niet ziet, omdat deze – zoals de man in de stoel – met zijn rug naar zijn werk zit. De kunstenaar is innerlijk zo sterk verbonden met zijn kunst dat hij er nooit vrij tegenover kan gaan staan. Hij kan er nooit objectief over oordelen zoals de kijker dat wel kan. Hij heeft de kijker nodig om aan het licht te brengen wat er in zijn werk leeft, want zelf weet hij dat niet, althans niet bewust. Die onbewustheid is voorwaarde om te kunnen scheppen.

Iedere kunstenaar verlangt naar het oordeel van de kijker, want hij wil gekend worden. Tegelijk is hij als de dood voor dit oordeel, want het bezit de macht zijn scheppingsvermogen te verlammen. De Braekeleer beschikte over een uitzonderlijk scheppingsvermogen, maar tegelijk getuigen zijn schilderijen van een al even uitzonderlijk zelfbewustzijn. Wanneer hij De Man in de Stoel schildert, dreigt dit zelfbewustzijn door te breken en na het voltooien van dit meesterwerk valt zijn productie inderdaad stil. Pas na enkele jaren komt ze weer op gang, maar het zal nooit meer hetzelfde zijn. Dit intense bewustzijn heeft bij De Braekeleer tot een grote crisis geleid die zijn scheppingsvermogen (gedeeltelijk) verlamde en wellicht ook de oorzaak was van zijn vroege dood. Er moeten enorme spanningen hebben geleefd in de ziel van deze man, spanningen waarover hij niet kon spreken, tenzij in beelden. 

De Man in de Stoel is een sprekend beeld van de mens die geconfronteerd wordt met zichzelf. Die confrontatie heeft het karakter van een botsing tussen de twee basisvermogens van de mens: zijn scheppingsvermogen en zijn oordeelsvermogen. De mens is een (onbewust) scheppende geest die door zijn afdaling in de materie langzaam bewust is geworden van zichzelf. Maar dat zelfbewustzijn verlamt zijn scheppingsvermogen en doet een bijzonder precaire situatie ontstaan. Het is die situatie die De Braekeleer in beeld brengt wanneer hij De Man in de Stoel schildert. Kunstenaar en kijker staan hier tegenover elkaar. Het is De Braekeleer zelf die ons door de ogen van de man aankijkt. Wat verwacht hij van ons? Verwácht hij wel iets? De blik die hij op ons werpt, is bijzonder moeilijk te duiden. Om hem te begrijpen moeten we eerst onze aandacht richten op de uiterlijke verschijning van de man in de stoel. 
  

Advertenties