Ernest Claes, een heer uit Zichem (1)

door lievendebrouwere

  
Ten tijde van Maria-Theresia zond het gemeentebestuur van Zichem een verzoekschrift naar de Generale Staten van Brabant: ‘Wij, Heeren van Sichem, vragen aan U lieden van Brussel de toelating om eene markt te mogen oprichten.’ Het antwoord luidde: ‘Als gij sijt Heeren en wij lieden, dan sal de merkt van Sichem nooit geschieden.’

Op 24 maart jongstleden verscheen bij uitgeverij Houtekiet de biografie van Ernest Claes. Een ongelukkiger datum had men moeilijk kunnen kiezen want twee dagen tevoren hadden terroristen in Brussel een bloedbad aangericht. Er werd in de media dan ook nauwelijks aandacht besteed aan het boek. Maar zou dat zonder aanslagen anders zijn geweest? Vijftien jaar eerder was de biografie van Felix Timmermans verschenen en ook daar had geen haan naar gekraaid. Schrijvers zoals Claes en Timmermans – men kan er ook Stijn Streuvels aan toevoegen – zijn vandaag zo goed als vergeten. Ik ben er zeker van dat mijn kinderen nog nooit iets van hen gelezen hebben. Ik vraag me zelfs af of ze weten wie Claes, Streuvels en Timmermans zijn. Je kunt het hen niet kwalijk nemen, ze zijn opgegroeid in een wereld van iPods, iPads en iPhones. Boeren op klompen passen daar niet bij. In een recente peiling van het Davidsfonds situeerde meer dan de helft van de deelnemers Ernest Claes één tot vier eeuwen te vroeg. Sommigen dachten dus dat hij een tijdgenoot van Rubens was. 

Ernest Claes een tijdgenoot van Rubens? De man is nog geen 50 jaar geleden gestorven! Een jaar na zijn dood zond de Vlaamse televisie Wij, heren van Zichem uit, een nieuw feuilleton, gebaseerd op zijn werk. Het werd een overweldigend succes. Op het hoogtepunt keken bijna 4 miljoen Vlamingen naar de avonturen van pastoor Munte en boer Coene. Ik was 15 in die tijd, een puber die het katholicisme de rug had toegekeerd, die de grote Russische schrijvers verslond, die op de radio naar de hitparade luisterde en die rondliep met lang haar. Maar Wij, heren van Zichem wilde ik voor geen geld ter wereld missen. Later ging ik in Leuven Germaanse studeren en moest daar het Verzameld Werk van Stijn Streuvels lezen. Ik kreeg er les van Albert Westerlinck, die Claes, Timmermans en Steuvels nog persoonlijk gekend had. Het kon gisteren geweest zijn, zo duidelijk staat me die tijd nog voor de geest. En toch kan ik me niet voorstellen dat ze vandaag in Leuven nog Claes, Timmermans of Streuvels lezen. Waarschijnlijk bestuderen ze er nu het oeuvre van Claus, Hemmerechts en Lanoye. 

Vijftig jaar geleden was Ernest Claes nog de populairste auteur van Vlaanderen, de schrijver van het meest gelezen Vlaamse boek (De Witte), de geestelijke vader van de succesrijkste tv-serie. Iedereen kende Ernest Claes, hij was een begrip, een monument. Vandaag weten alleen de ouderen nog wie hij was en je mag al van geluk spreken als je in de bibliotheek nog een boek van hem aantreft. Binnenkort zal het zijn alsof hij nooit bestaan heeft. Was Ernest Claes dan een literaire eendagsvlieg? Was De Witte – dat meer dan 125 keer werd herdrukt – zo’n boek als De Da Vinci Code, dat gisteren nog the talk of the town was, maar waar vandaag niemand nog over spreekt? Het zijn pijnlijke vragen, want ze gelden niet alleen voor Ernest Claes, ze gelden ook voor Felix Timmermans, Stijn Streuvels, Guido Gezelle, Cyriel Buysse, Karel Van de Woestijne, Gerard Walschap, enzovoort. Ze gelden voor een hele generatie Vlaamse schrijvers waarvan de afgelopen 15 jaar de biografieën zijn verschenen. Zijn die biografieën een laatste eresaluut aan een vergeten generatie, of is er meer aan de hand?

Ernest Claes vertelt in De Witte hoe hij gestraft wordt op school en in het rommelkot vliegt waar hij Hendrik Conscience ontdekt, ‘de man die zijn volk leerde lezen’. Conscience stierf kort voordat Claes werd geboren en ‘de Witte’ leefde dus in de tijd ‘toen de Vlamingen leerden lezen’. Claes’ eigen moeder kon lezen noch schrijven, en zijn vader, een arme boer, las haar ’s avonds voor uit de boeken van Conscience, want andere Vlaamse boeken waren er nauwelijks. Vlaanderen was in de 19de eeuw volkomen verfranst. Alleen het gewone, ongeletterde volk sprak nog Vlaams, dat wil zeggen het dialect van zijn streek. West-Vlamingen begrepen geen woord van wat Limburgers zeiden en Limburgers vonden Antwerpenaars volstrekt onverstaanbaar. Vanuit dat zeer particularistische dialect probeerden Claes, Timmermans en Streuvels een brug te slaan naar een meer algemeen Nederlands. Ze schreven voor een volk dat nog volop leerde lezen. De ‘ongekuiste’ versies van hun boeken zijn vandaag nog moeilijk te begrijpen. Het is één van de redenen waarom Claes en co vandaag niet meer gelezen worden. 

Ik moet een jaar of 12 zijn geweest toen ik De Witte kocht. Het was mijn allereerste ‘echte’ boek. Het was ook het boek dat ik het vaakst zou herlezen. Maar het was geen liefde op het eerste gezicht. Met name de dialectuitdrukkingen stonden me tegen. Dat mag wel vreemd heten want ik sprak zelf dialect: thuis, op straat en zelfs op school. Iedereen deed dat, ABN was een vreemde, lachwekkende taal. Toch stootten de dialectzinnen van Claes – en het was al lang niet meer de oorspronkelijke ‘rauwe’ versie – me tegen de borst. Hoe kwam dat? Voelde ik onbewust hoe nauw dat dialectgebruik verbonden was met het lot van de Vlamingen? In het Zichem van Ernest Claes heerste op sommige plaatsen nog de grauwe armoede waarvoor Vlaanderen in de 19de eeuw bekend stond. Heel Europa kende toen de uitdrukking ‘de Vlaamse ziekte’. Het betekende: kreperen van honger en ellende. In het dorp dat Claes met zoveel liefde beschreef, leefden honderden kinderen die nauwelijks kleren aan het lijf hadden en in de winter blauw zagen van de kou. Ze probeerden te overleven en waren verstoken van iedere vorm van ontwikkeling.

Zo was het Vlaamse volk er aan toe in de 19de eeuw: het leed honger en kou, het kon nauwelijks lezen of schrijven, het vocht om te overleven. In De Witte beschrijft Ernest Claes met veel humor hoe hij stiekem De Leeuw van Vlaanderen leest en daarna met zijn kameraden de Guldensporenslag naspeelt. Het is slechts één van de 14 hoofdstukken in het boek en we staan er als lezer niet bij stil. Maar als we dat wél doen en ons proberen voor te stellen wat er door het hart van de ‘Witte’ moet zijn gegaan, dan krijgt dat koldereske tafereel een heel andere dimensie. Want die schamele boerenjongen, die ‘meer slaag dan eten krijgt’ en opgroeit te midden van materiële en geestelijke armoede, leest in dat boek van Conscience over een heel ander Vlaanderen, een Vlaanderen van ridders en jonkvrouwen, een Vlaanderen dat aan de top van de beschaving staat, dat iedereen jaloers maakt met zijn rijkdom en schoonheid, en dat met zijn kracht en sluwheid de Franse adel in het stof doet bijten. Wat een schok moet die extreme tegenstelling teweeg hebben gebracht in de ziel van de Witte, de ziel van Ernest Claes!

‘En toen het boek uit was bleef de Witte een lange poos dromend naar de blauwe lucht staren, terwijl hij languit op zijn rug in ’t koren lag. En er kwam zo’n onzeggelijke droevigheid in hem, zoals hij nooit gekend had. Hij wist zich opeens zo grenzeloos ongelukkig in ’t leven staan, zonder te weten waarom. Het was precies of er iets overheerlijks langs hem was voorbijgegaan, dat nu weg was, voorgoed weg en verdwenen … En hij dacht er opeens aan wat een medelijden hij had gehad met Adam en Eva toen hij de eerste keer las van dat wegjagen uit het Aards Paradijs.’ Wat Ernest Claes hier beschrijft, is niets minder dan het ontwaken van de oude Vlaamse ziel in het hart van een arme boerenjongen. Die ziel realiseert zich met een schok hoe diep ze gevallen is. Ze kijkt met ongeloof naar de vernederende omstandigheden waarin ze moet leven en herinnert zich tegelijk haar ‘hoge’ afkomst. Hieraan ontbrandt de vurige wil om weer uit de assen te verrijzen. Het sjofele, ziekelijke kind dat Ernest Claes is, zal zich dan ook opwerken tot een heer van stand, die in Brussel woont en verkeert in de hoogste kringen. 

Dat wonder voltrekt zich niet alleen in het leven van Ernest Claes, het voltrekt zich in het hele Vlaamse volk. In korte tijd ontwikkelt Vlaanderen zich van een van de armste gebieden in Europa tot een van de welvarendste. Van die wonderbaarlijke verrijzenis getuigen Stijn Streuvels, Felix Timmermans en Ernest Claes: eenvoudige volksmensen die zich op eigen kracht ontwikkelen tot ‘letterkundigen’. Vooral Ernest Claes zal zich ver verwijderen van het dorp waar hij geboren is en een echte stadsmens worden, een keurige heer. Toch keert hij in gedachten steeds weer terug naar het Zichem van zijn kinderjaren. Tot het eind van zijn leven zal hij uit die bron blijven putten. Reeds als student begint hij te schrijven aan De Witte en eigenlijk zal hij dat z’n hele leven blijven doen. Zijn werk bestaat uit louter variaties op hetzelfde dorpse thema. Alleen de oorlog kan dat doorbreken, maar ook dan blijft Claes dezelfde toonaard aanhouden, die enerzijds naar het kwajongensachtige (van het dorp) neigt en dan weer naar het paternalistische (van de stad), maar die nooit zonder spanning is.  

Advertenties