Ernest Claes, een heer uit Zichem (3)

door lievendebrouwere

  

De moderne Vlaming leest Ernest Claes niet meer omdat hij in diens boeken over simpele dorpsmensen niets meer van zichzelf herkent. Tenminste, dat denkt hij. In werkelijkheid herkent hij er zich wél in, en dat is juist de reden waarom Ernest Claes ‘vergeten’ wordt: hij houdt de Vlaming een spiegel voor waarin deze niet meer wil kijken. Vijftig jaar geleden was dat nog wel het geval. De Witte werd toen nog volop gelezen en Wij, heren van Zichem was een enorm succes. De Vlaming was toen – blijkbaar – nog niet echt wakker en daardoor kon hij zichzelf nog herkennen in de wereld van Ernest Claes. Maar intussen heeft de moderniteit hem ingehaald en wat hij vandaag in de spiegel ziet, doet hem terugdeinzen. Zo verscheen er in Humo een bespreking van Claes’ biografie onder de titel: ‘de zwarte van Zichem’. Bedoeld werd: de collaborateur, de Duitsgezinde. Het artikel was vergezeld van een foto waarop een lachende Claes de hand schudt van een SS-officier. De Witte of de Zwarte, dat is volgens Humo the question

Het is voor veel mensen nog altijd de vraag, niet alleen ten aanzien van Ernest Claes, niet alleen ten aanzien van zijn generatie (waarvan er velen na de oorlog in opspraak zijn gekomen), maar ten aanzien van het Vlaamse volk tout court: is de Vlaming een kinderlijke dromer, een ‘manneke van plezier’, of is hij een collaborateur, een landverrader, een neonazi, een rechtse extremist? De vraag is actueler dan ooit nu België – weer eens – verscheurd wordt door communautaire twisten, dat wil zeggen door problemen veroorzaakt door het samenleven van twee zeer anders geaarde volkeren: de Nederlandstalige Vlamingen en de Franstalige Walen. De Vlamingen zijn een stuk ‘rechtser’, want individualistischer, dan de Walen, die uitgesproken ‘links’ zijn en als één blok optreden tegen het verscheurde Vlaanderen. Juist omdat de Vlaming zo verscheurd is, juist omdat hij zo sterk lijkt op Ernest Claes, kan hij geen vuist maken tegen het veel zwakkere, maar wel eensgezinde Wallonië. 

Het probleem van Vlaanderen is niet Wallonië, het is zijn eigen gespletenheid, zijn eigen verscheurdheid. Het steedse, intellectuele Vlaanderen kijkt met onverholen afschuw naar het dorpse, volkse Vlaanderen, het Vlaanderen-van-onder-de-kerktoren, het Vlaanderen van Ernest Claes. Bezield door die afschuw wil het heiliger zijn dan de paus, dat wil zeggen: linkser, progressiever, hedendaagser en internationaler dan wie ook. Dit politiek-correcte Vlaanderen beschouwt zichzelf als bijzonder volwassen en alert, maar zijn minachtende, arrogante houding tegenover alles wat Vlaams en volks is, getuigt allesbehalve van wakkerheid en volwassenheid. Het is de houding van een puber, pendelend tussen grootheidswaanzin en zelfhaat. Deze puberale houding is niet eigen aan de Vlaming alleen: het is de houding van iedere postmoderne intellectueel. Typisch Vlaams is alleen het extreme : niet toevallig kent Vlaanderen een van de hoogste zelfmoordcijfers ter wereld. 

Het hedendaagse Vlaanderen dreigt inderdaad zichzelf te vernietigen. Brussel bijvoorbeeld was ooit een door en door Vlaamse stad, omgeven door gemeenten met de prachtigste Vlaamse namen. Vandaag is het een compleet verfranste stad die zich steeds verder uitbreidt en dat ook nog eens op kosten van Vlaanderen doet. Het is een koekoeksjong dat zou sterven als Vlaanderen het niet langer voedde, maar Vlaanderen blijft dat onverminderd doen. Het bewerkt daardoor zijn eigen ondergang zoals pubers dat doen die de leiding van volwassenen moeten ontberen. Vlaanderen is een volk zonder bovenlaag: het heeft geen ‘volwassenen’, geen intellectuelen, geen kunstenaars die hun volk leiden, die het de weg tonen, die het voorlichten. Het heeft alleen intellectuelen die zich tegen hun eigen volk keren, die het verketteren, die het verafschuwen. Vlaanderen is een ‘hoofd’ dat zich wil losmaken van zijn eigen ‘lichaam’, een ‘witte’ die zich wil losscheuren van de ‘zwarte’. 

Maar de Vlaming is niet zwart of wit, hij is geen collaborateur of een politiek-correcte, hij is het allebei, zoals ieder modern mens dat is. Juist omdat hij in zo korte tijd gemoderniseerd is – in pakweg 50 jaar heeft hij een achterstand van eeuwen overbrugd – is die dubbelheid bij hem groter dan gemiddeld. De Vlaming van vandaag is een modern mens omringd door technologie, maar gisteren was hij nog een boerenjongen die op blote voeten de koeien hoedde. Vandaag leeft hij in welstand, maar honderd jaar geleden was hij nog arm als Job. Het succes van De Witte en de populariteit een tv-serie als Wij, heren van Zichem toont aan dat die arme boerenjongen nog altijd heel levendig in zijn ziel aanwezig is. Daarom is de Vlaming zo’n harde werker: hij bevindt zich nog altijd in ‘overlevingsmodus’, hij vecht nog altijd tegen de armoede, ook al is hij rijk. En tegen die werkdrift vecht dan weer zijn hoofd, want het krijgt geen tijd om na te denken. Lichaam en hoofd vechten allebei om te overleven en daardoor vernietigen ze elkaar. 

Dat is wat de moderne Vlaming doet terugdeinzen wanneer hij in de spiegel van Ernest Claes kijkt: dat innerlijke gevecht. Als kind heeft Claes een diepe relatie met de wereld van de nacht, de wereld van de geesten. Het maakt van hem een overtuigd katholiek, op de kinderlijk devote manier die we ook kennen van Felix Timmermans. Wanneer hij daarna gaat studeren en ten slotte in Brussel gaat wonen, komt hij in het andere uiterste terecht: de wereld van de dag, de wereld van de politiek. Zijn drukke nieuwe leven staat volkomen haaks op het dromerige dorpsleven in Zichem en hij moet zich tot het uiterste inspannen om die twee met elkaar te verbinden. Uiterlijk gezien slaagt hij daarin, want hij handhaaft zich in de grote stad zonder het kleine Zichem los te laten en hij wordt een gevierd schrijver. Wie echter goed kijkt, ziet dat hij nooit door ‘de stad’ aanvaard werd. Hij werd als schrijver niet voor vol aanzien en op zijn talloze vieringen was nooit een ‘hoogwaardigheidsbekleder’ aanwezig. 

Ernest Claes bleef innerlijk verscheurd tussen dorp en stad, tussen dag en nacht, tussen droom en werkelijkheid. De oorlog zou dat aan het licht brengen. In 14-18 trekt hij partij voor de Vlaamse soldaten, die het gros van het Belgisch leger vormen en door het Franstalige officierscorps als vee behandeld worden. Dit Vlaamse activisme maakt hem verdacht bij de Belgische overheid en in de tweede wereldoorlog barst die zweer. Een deel van de Vlaamse beweging zoekt toenadering tot de Duitsers. Ze wil via de bezettingsmacht de Vlaamse eisen – onder meer een Vlaamse universiteit – ingewilligd krijgen. Ernest Claes aarzelt. Hoewel hij zeer Vlaamsgezind is, is hij ook zeer vaderlandslievend. Hij wil geen landsverrader worden, maar hij voelt zich sterk aangetrokken tot de Duitse geest en die liefde is wederkerig: zijn boeken hebben in Duitsland veel succes (net als die van Timmermans trouwens). Hij wil het Duitse publiek niet van zich vervreemden door alle bruggen met de bezetter op te blazen. 

Na de oorlog ondergaat hij hetzelfde lot als Felix Timmermans: de contacten met de Duitse uitgeverijen tijdens de oorlog worden hem zeer kwalijk genomen. Zijn huis wordt geplunderd, hij vliegt in de gevangenis en verliest zijn burgerrechten. Timmermans zal die vernedering niet overleven: zijn hart begeeft het. Claes is een stuk taaier en hij verweert zich hardnekkig. Maar juist nu wordt duidelijk hoe tegenstrijdig en gespleten hij wel is. Tijdens de oorlog heeft hij een paar keer openlijk getuigd van zijn sympathie voor Hitler, want tijdens zijn (zaken)reizen door Duitsland had hij vastgesteld hoe keurig alles daar nu was. Had hij beter moeten weten? Achteraf is dat gemakkelijk gezegd. Maar na de oorlog wist hij heel goed hoe de kaarten lagen. Hij had aan den lijve ondervonden hoe genadeloos de Belgische overheid optrad tegen Vlaamsgezinden. En dan was hij er nog relatief goed vanaf gekomen. Toch houdt hij zich niet gedeisd. Hoewel het zwaard van Damocles boven zijn hoofd hangt, publiceert in ‘verdachte’ tijdschriften.

Men zou dat als heldhaftigheid kunnen opvatten: ondanks de repressie komt hij op voor de Vlaamse zaak. Maar dat is het niet. Wie in de biografie van Bert Govaerts – die veel aandacht besteedt aan het politieke leven van die tijd – leest hoe Claes zich gedraagt, ontkomt niet aan de indruk dat hij zich de ernst van de zaak niet realiseerde, ja dat hij ze zich niet wilde realiseren. Zijn onbegrijpelijke gedrag is uitdrukking van de strijd tussen de zwei Seelen in seiner Brust. Enerzijds lijkt hij niet te kunnen geloven dat het echt is wat hem overkomt: het is als een kwade droom waaruit hij straks wel zal ontwaken. Anderzijds laat hij niets onverlet om zijn zaak te behartigen, hij laat zich zelfs in het Frans verdedigen omdat hij hoopt dan meer kans te maken. Ernest Claes is zowel een kinderlijke dromer als een berekenende volwassene, maar ze helpen elkaar niet, integendeel, ze lopen elkaar voor de voeten. De gulden middenweg tussen beide vindt hij niet, en daarin is hij een modern mens, een moderne Vlaming vooral.

Er is echter één groot verschil tussen Ernest Claes en degenen die vol afkeer in zijn spiegel kijken en hem een ‘zwarte’ noemen, of een Blut-und-bodemschrijver: Claes was zich bewust van zijn gespletenheid. Hoe kon het ook anders! Hij werd er zijn hele leven mee geconfronteerd. Reeds als kind zag hij de schrijnende armoede en achterlijkheid in zijn dorp. Op het college in Herentals zag hij de perverse praktijken waarmee men de leerlingen probeerde te ‘ontvlaamsen’. In Leuven moest hij Germaanse talen in het Frans studeren. Tijdens de oorlog ondervond hij hoe Vlaamse soldaten behandeld werden door Franstalige officieren. Na de oorlog ondervond hij hoe Vlaamsgezinden behandeld werden door de repressie. Hij was heel blij toen hij een gevierd schrijver werd, maar het zal hem zeker niet ontgaan zijn dat België daar weigerde aan deel te nemen. En zijn enige kleinkind, waar hij zo dol op was, werd opgevoed in het Frans en begreep geen woord van wat hij zei …

Zijn hele leven lang heeft Ernest Claes geleden onder de gespletenheid van zijn land, van zijn volk, van zijn eigen ziel. Als kunstenaar probeerde hij de tegenpolen met elkaar te verbinden, maar juist daardoor beleefde hij de onmacht intenser dan wie ook. Niemand wortelde zo diep in beide werelden als hij, niemand kende zo goed de ‘wereld van de nacht waarover in de boeken niet wordt gesproken’, niemand kende even goed de tegenovergestelde wereld: die van de politiek. Als het erop aankwam, koos Ernest Claes voor de wereld van de nacht, van de aarde, van het dorp. Hij vluchtte erin weg als de grond hem te heet onder de voeten werd. Maar hij was er zich van bewust, hij kende zijn onvermogen, hij worstelde ermee. En daarin verschilt hij van degenen die op hem neerkijken: zij zijn zich niet bewust van hun onvermogen, ze beseffen niet dat ze wegvluchten – in het dorp of in de stad, in het kind of in de volwassene, in de droom of in de werkelijkheid – en dat ze zichzelf niet onder ogen durven zien. 

Advertenties