Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Mamaatje die zal kijven …

  
Onder de hoofding ‘seksisme’ (de x is niet politiek correct wegens kwetsend in het midden) lees ik in een van onze onvolprezen kranten dat Fernand Huts, de Donald Trump der Lage Landen, in een interview gezegd heeft dat moderne vrouwen de vooruitgang in de weg staan. Of iets van die strekking. Meteen regent het reacties van feministen, vrouwelijke én mannelijke. De inhoud (‘neen, ’t is niet waar’) is voorspelbaar en daarom oninteressant. De vorm (verontwaardigd) is eveneens voorspelbaar, maar wél interessant. Want vanwaar die Pavlov-reactie? Je kunt er donder op zeggen: als een (blanke) man iets over vrouwen zegt dat als kritisch of kwetsend zou kúnnen geïnterpreteerd worden, zit het spel op de wagen en schieten de feministen uit hun sloffen. 

Van moslima’s zou ik dat nog kunnen begrijpen, zij hebben het hard te verduren van hun mannen. Maar juist zij geven geen kik. Je zult ze nooit iets horen zeggen over die mannen met hun onnozele regels-voor-vrouwen. Integendeel, ze onderwerpen zich met plezier aan die regels: ze dragen hun hoofddoek ‘uit vrije wil’. De blanke vrouwen daarentegen, wat hebben zij nog te verduren van hun mannen? Worden zij gedwongen hun lichaam te verbergen? Worden zij gedwongen thuis bij de kinderen te blijven? Worden zij geslagen als zelfs maar het vermoeden rijst dat zij ontrouw zijn? Worden zij verplicht zoveel mogelijk kinderen te baren? Worden zij zorgvuldig afgeschermd van de mannenwereld? Worden zij opgesloten achter een (zichtbaar of onzichtbaar) cordon sanitaire?

De vragen alleen al zijn lachwekkend. In onze moderne wereld zijn vrouwen gelijk aan de man. Op z’n minst. Want op tal van gebieden steken ze hem naar de kroon of zelfs gewoon voorbij. Alleen op één gebied blijven ze achter: ze hebben een lichaam dat zich moeilijker kan verweren tegen fysiek geweld, dat niet zo goed is in voetbal en hamerslingeren, maar dat vooral voorzien is van een baarmoeder. Daardoor beginnen vrouwen met een handicap aan de competitie met mannen. Ze kunnen nu wel van geslacht veranderen als ze dat willen, maar helemaal hetzelfde is het toch niet. En dat steekt, dat maakt hen ontevreden. Want ze willen zijn zoals de mannen. Daar kunnen die mannen natuurlijk niks aan doen, behalve proberen te zijn zoals de vrouwen en op die manier het evenwicht wat herstellen. 

Maar dat is toch ook niet the real thing, dat is niet wat vrouwen écht willen. Vrouwen willen het allebei: vrouw zijn én man zijn. Dat lukt hen natuurlijk niet en daarVoor zoeken ze een zondebok: de man, de blanke, welwillende man. Maar die is daar slecht voor geschikt, want hij lijkt steeds meer op een schaap. Moslims maken er natuurlijk geen punt van om dat schaap de keel over te snijden, maar voor de feministen is dat toch een brug te ver. Gelukkig zijn er nog mannen als Fernand Huts: macho-figuren met een dikke buik en een dikke sigaar die zich niks aantrekken van de eindeloze vrouwelijke gevoeligheden en gewoon zeggen waar het volgens hen op staat. Op zo’n man kunnen feministen eindelijk eens al hun opgekropte frustraties botvieren en die kans laten ze niet liggen.

We kunnen ons dus verwachten aan een eindeloze reeks boze reacties in media allerhande. Tot de storm weer gaat liggen en het wachten is op de volgende man die – opzettelijk of per ongeluk – op een feministische teen gaat staan. Het is zo beschamend. Aan de ene kant heb je die schreeuwerige moslimmannen, aan de andere kant de al even schreeuwerige feministen. Als ze nu nog tegen elkaar zouden schreeuwen, dan bestond er nog een (kleine) kans op een choc des idées. Maar dat doen die feministen dus niet. Ze denken er niet over om tegen moslimmannen te gaan schreeuwen. Integendeel, ze zijn het met hen eens: sluier de vrouw! Nee, ze schreeuwen alleen tegen blanke mannen, mannen van wie ze niks te vrezen hebben. En ze verkijken de kans om met die mannen in gesprek te gaan.

Nog nooit hebben mannen en vrouwen zozeer als gelijken tegenover elkaar gestaan. Nog nooit is er zoveel gelegenheid geweest voor een gesprek tussen hen. Maar door al dat geschreeuw wordt dat gesprek de nek omgewrongen, telkens weer opnieuw. Telkens weer opnieuw barst die verontwaardiging los, zoals ook nu weer met Fernand Huts. In plaats van zijn uitspraak te zien als een gelegenheid tot gesprek, tot debat, tot gedachtenuitwisseling, wordt er meteen een straatgevecht van gemaakt met scheldende … vrouwen (ik dacht eerst een ander woord te schrijven). Zijn we dáárvoor echt tot in de 21ste eeuw geraakt: om het cliché van de kijvende vrouw weer in alle kracht te zien opduiken? Is dát waar 100 jaar vrouwenemancipatie toe geleid heeft?

Op een boogscheut van Dornach …

  
Bio-dynamische kunst op Art Basel!

Een huis denken

  
Terwijl wij nog altijd vergeefs naar een huis zoeken – in augustus moeten we eruit – is het huis naast ons verkocht aan een jong en sympathiek stel. We gaan de bovenverdieping bewoonbaar maken, vertelden ze, zodat we de benedenverdieping kunnen renoveren. Groot was dan ook mijn verbazing toen op een dag het hele dak afgebroken werd. Dat was trouwens niet het enige wat afgebroken werd. Er klonk aan de andere kant van de muur zo’n hels kabaal dat het hele huis er leek aan te gaan. Van gedacht veranderd? vroeg ik toen ik ze nog eens zag. De jongeman zuchtte. Hij hoefde niet meer te zeggen. Lijken in de kast! Om eerlijk te zijn: dat wens ik onze huiseigenaar ook toe als hij óns huis begint te renoveren. Om helemáál eerlijk te zijn: ik hoop dat het huis gewoon instort. Of dat het hem in ieder geval veel meer kost dan verwacht, zóveel als hij ons in de afgelopen 21 jaar onthouden heeft. 

Een voorbeeld. Toen de dakgoot naar beneden kwam, liet hij ze een half jaar op het trottoir liggen, in de hoop dat ik de klus wel zou klaren. Wel, ik heb die dakgoot daar láten liggen, in de hoop dat de politie op een dag zou aanbellen. Dat is helaas niet gebeurd. Uiteindelijk liet hij de zaak herstellen, maar dan wel op zo’n manier dat het water enkele jaren later langs de voorgevel naar beneden gutste als het regende. Dat doet het trouwens nog altijd, meer dan ooit zelfs. En dat is het enige wat hij in 21 jaar heeft laten herstellen. O ja, hij heeft ook nog eens een nieuwe boiler laten installeren nadat we gedreigd hadden naar de politie te stappen omdat niemand de oude wilde herstellen wegens te gevaarlijk. De volgende winter vroor het ding kapot en sindsdien zitten we zonder warm water. Aandringen heeft geen zin. ‘Als je wilt dat ik er iets aan doe, moet je maar naar de rechter stappen,’ is zijn reactie. 

Dat soort huisbaas is het dus en daarom wens ik hem toe dat hij flink zijn broek scheurt aan de renovatie van ‘ons’ huis. Als God onmiddellijk straft, dan is dit het moment om te laten zien dat er nog enige gerechtigheid bestaat. Tenzij ik natuurlijk die huisjesmelker in een vorig leven de duivel heb aangedaan. In dat geval hoop ik dat we eindelijk quitte staan en dat ik niet nog een derde keer zo’n straf moet uitzitten. Want in Melle – waar we 15 jaar gewoond hebben – was het nóg erger. Daar stroomde het water regelmatig van de trappen naar beneden. Nee, huisbazen – ik zeg niet dat men ze allemaal moet opknopen, maar een paar zou toch beslist geen kwaad kunnen. In ieder geval, als we dit keer een huis vinden dat de naam ‘huis’ verdient, dan is alles vergeten en vergeven. Ik ben te oud geworden om nog energie te verspillen aan wraakzucht. 

Maar dat wilde ik eigenlijk niet zeggen – ik werd gewoon overvallen door de bodemloze emoties die voor mij verbonden zijn met het begrip ‘huis’. Wat ik wél wilde zeggen is dat ik met bewondering sta te kijken naar die dakwerkers. En het zijn echte werkers, u weet wel, van die mannen met hun broek halverwege hun billen. Het lijkt me niet dat ze een blog bijhouden of op een andere manier veel tijd besteden aan nadenken. Maar … ze denken op een andere manier. Want om zo’n dak te kunnen bouwen, moet je echt wel kunnen denken (en bouwen op wat anderen vóór je gedacht hebben). Ik zou niet eens weten hoe ik eraan moest beginnen. Alleen al de idee zou voor mij ondenkbaar zijn. De uitvoering … ik mag er niet aan denken. Misschien is dat wel de reden waarom ik geen huis vind die naam waardig: ik kan het niet denken, ik kan me geen huis denken. God mag weten waarom. 

 

Koleirige koleuren

  

Onderstaande tekst is van de hand van Jean-Pierre Rondas. Ik ben zo vrij geweest er een beetje in te snoeien onder het motto ‘less is more’. Jean-Pierre zal me dat hopelijk niet ten kwade duiden, want we delen onze bewondering voor de schrijver van Pallieter, dat oer-Vlaamse boek waarvan Rilke zei: ‘Lees het. Je zal lachen, maar ook diep geraakt worden.’ Bestaat er een mooier en bondiger typering van de Vlaamse ziel?

Honderd jaar geleden verscheen Pallieter, de Vlaamse roman die het beeld van de Vlaming in het buitenland in hoge mate heeft bepaald. Vandaag verschijnt het boek opnieuw. In het nawoord kant Kevin Absillis zich tegen de ‘folkloristische’ beeldvorming van Timmermans. Hij probeert de Vlaamse 19de-eeuwse en 20ste-eeuwse literatuur te duiden als het slagveld van een moderniseringsstrijd. Pallieter werd ondanks zijn Europese succes niet opgenomen in de Vlaamse literaire canon van 2015 waarin vijftig literatoren van de middeleeuwen tot nu figureren. De afwijzing en ridiculisering van Timmermans dateert echter niet van na de Tweede Wereldoorlog. De kritiek begon al onmiddellijk na de publicatie van Pallieter tijdens de Eerste Wereldoorlog. Van wie kwam die kritiek? Wel, van ongeveer iedereen.

In die twintigste eeuw werd Felix Timmermans door de kerk gecensureerd om zijn heidendom, door het modernisme uitgespuwd om zijn folklore, door de volksverbonden nationalisten wegens zijn literaire suikerbakkerij, door het linkse Vlaanderen wegens zijn volksverbonden nationalisme, en door de postmodernen om dit alles tezamen. Zowel Anton van Duinkerken als Gerard Walschap signaleerden dat het mode was om meedogenloos af te geven op de schrijver van Pallieter. August Vermeylen formuleerde dit modernistische onbehagen als volgt: ‘de conventie van dat eeuwig ‘koleurige’, aldoor brassende en slampampende Vlaanderen, dat in den treure folkloristische Vlaanderen, dat kermis-Vlaanderen voor de literaire uitvoer, dat theater-Vlaanderen vol bestendig pittoreske Vlamingen!’

In de jaren dertig vallen de Vlaams-nationalistische, ‘volksverbonden’ critici Felix Timmermans nog veel scherper aan dan hun linkse, modernistische tegenstanders. Maar in laatste instantie doen ze dat om dezelfde redenen en vanuit hetzelfde onbehagen. Voor Wies Moens maakt Timmermans geen heimatkunst (zoals hij zou moeten doen), maar slechts provincialistische, prentjesachtige kunst. De achterliggende gedachte is dat je met zoiets geen Vlaamse strijd kunt voeren. Zelfs Timmermans’ vriend Ernest van der Hallen is van oordeel dat we ‘ons uit onze folkloristische verhalenliteratuur moeten losworstelen en dringend, dringend contact nemen met de grote problemen die op dit ogenblik van beslissende invloed zijn op de toekomst van Europa …’ Ook vandaag nog worden zulke alinea’s vaak opgemerkt in literaire bijlagen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog, in de periode toen de Hamburgse Rembrandtprijs aan Timmermans ‘als een doodskus’ werd uitgereikt, bleek de Duitse Propaganda-Abteilung perfect op de hoogte van de Vlaams-nationalistische gevoelens aangaande Timmermans. De Duitse industrieel Töpfer, het brein achter de prijs, vond Timmermans wel een typische Vlaming maar geen Vlaams-nationalist. Daarenboven wist hij dat de Vlaams-nationalisten Timmermans twee jaar voordien voor de prijs hadden afgewezen omdat hij voor hen te weinig strijdlustig was. De Propaganda-Abteilung zelf was erachter gekomen dat de uitreiking van de prijs in Vlaams-nationale kringen sterk werd aangevochten. Men verweet er Timmermans dat hij een belachelijke karikatuur maakte van de Vlaming. Diezelfde Abteilung was ervan op de hoogte dat dit in wezen het oordeel van Cyriel Verschaeve was. Of waarin Vermeylen en Verschaeve het eens waren…

In een nummer van Muziek en Woord schreef collega Bert Govaerts dat Timmermans niet paste in de nazi-esthetiek, en dat het niet de nazipartij was die Timmermans kwam opvrijen, maar de nazistaat. De staat gaf hem de prijs, de partij noemde hem in haar tijdschrift Neue Literatur een ‘suikerbakker’. Des te meer wekt het verbazing dat Hedwig Speliers de schrijver van Pallieter associeert met de volksverbonden kunst van het interbellum, die met alle wortels vastzat aan het fascistische denken van de Vlaams-nationalistische katholieken – waarbij hij de namen opsomt van uitgerekend die mensen (Moens, Van der Hallen, Vercnocke) die Timmermans het folkloristische en speelgoedwinkel-volkse hebben verweten …

L.P. Boon verwijt het ‘folkloristische’ duo Timmermans en Claes dat ze boeken schrijven die de mensen in slaap wiegen (terwijl ze hen juist wakker zouden moeten maken). Albert Westerlinck sprak dat in de jaren zeventig nog tegen. Hij zag vooral het volstrekt antiburgerlijke karakter van Timmermans’ werk, zijn agressieve ironie tegen de burgerij, en zijn sarcastische kijk op mens en maatschappij, drie eigenschappen waarmee noch de modernistische, noch de volksverbonden, noch de linkse Timmermanskritiek iets wist aan te vangen. Maar naast het alomtegenwoordige verwijt van folklorisme valt in de jaren tachtig en negentig het verdict: ‘idealisme’. Dat verwijt vat grosso modo alle voorgaande bezwaren samen: Timmermans heeft geen noemenswaardige visie op de maatschappij, maar beperkt zich tot het opnemen, door een idealiserende lens heen, van taferelen uit het leven in de heimat. Zijn idealisme is ook nog eens pathetisch, steriel, kwezelachtig, maar vooral naïef. Naïef idealisme stelt geen problemen, noch inhoudelijke, noch vormelijke. Het kijkt alleen terug.

Timmermans blijft een soort literatuurschandaal. De rekening is nog altijd niet vereffend. Dat hij meer gedrukt, verkocht en gelezen werd dan veel hedendaagse auteurs, maakt van hem een steen des aanstoots. Timmermans ontsnapt aan een literatuurgeschiedenis die zichzelf ziet als de beschrijving van een opeenvolging van vernieuwingen in een processie van literaire vooruitgang. Hij is een anomalie waarop de modernistische categorieën in hun theologische, fascistische of postmoderne vormen geen vat krijgen. Daarom is het afwijzingsfront ook zo rijk geschakeerd, in koleirige koleuren van extreem links tot extreem rechts.

  

(Felix Timmermans door Isidoor Opsomer)

Smile!