Een huis denken

door lievendebrouwere

  
Terwijl wij nog altijd vergeefs naar een huis zoeken – in augustus moeten we eruit – is het huis naast ons verkocht aan een jong en sympathiek stel. We gaan de bovenverdieping bewoonbaar maken, vertelden ze, zodat we de benedenverdieping kunnen renoveren. Groot was dan ook mijn verbazing toen op een dag het hele dak afgebroken werd. Dat was trouwens niet het enige wat afgebroken werd. Er klonk aan de andere kant van de muur zo’n hels kabaal dat het hele huis er leek aan te gaan. Van gedacht veranderd? vroeg ik toen ik ze nog eens zag. De jongeman zuchtte. Hij hoefde niet meer te zeggen. Lijken in de kast! Om eerlijk te zijn: dat wens ik onze huiseigenaar ook toe als hij óns huis begint te renoveren. Om helemáál eerlijk te zijn: ik hoop dat het huis gewoon instort. Of dat het hem in ieder geval veel meer kost dan verwacht, zóveel als hij ons in de afgelopen 21 jaar onthouden heeft. 

Een voorbeeld. Toen de dakgoot naar beneden kwam, liet hij ze een half jaar op het trottoir liggen, in de hoop dat ik de klus wel zou klaren. Wel, ik heb die dakgoot daar láten liggen, in de hoop dat de politie op een dag zou aanbellen. Dat is helaas niet gebeurd. Uiteindelijk liet hij de zaak herstellen, maar dan wel op zo’n manier dat het water enkele jaren later langs de voorgevel naar beneden gutste als het regende. Dat doet het trouwens nog altijd, meer dan ooit zelfs. En dat is het enige wat hij in 21 jaar heeft laten herstellen. O ja, hij heeft ook nog eens een nieuwe boiler laten installeren nadat we gedreigd hadden naar de politie te stappen omdat niemand de oude wilde herstellen wegens te gevaarlijk. De volgende winter vroor het ding kapot en sindsdien zitten we zonder warm water. Aandringen heeft geen zin. ‘Als je wilt dat ik er iets aan doe, moet je maar naar de rechter stappen,’ is zijn reactie. 

Dat soort huisbaas is het dus en daarom wens ik hem toe dat hij flink zijn broek scheurt aan de renovatie van ‘ons’ huis. Als God onmiddellijk straft, dan is dit het moment om te laten zien dat er nog enige gerechtigheid bestaat. Tenzij ik natuurlijk die huisjesmelker in een vorig leven de duivel heb aangedaan. In dat geval hoop ik dat we eindelijk quitte staan en dat ik niet nog een derde keer zo’n straf moet uitzitten. Want in Melle – waar we 15 jaar gewoond hebben – was het nóg erger. Daar stroomde het water regelmatig van de trappen naar beneden. Nee, huisbazen – ik zeg niet dat men ze allemaal moet opknopen, maar een paar zou toch beslist geen kwaad kunnen. In ieder geval, als we dit keer een huis vinden dat de naam ‘huis’ verdient, dan is alles vergeten en vergeven. Ik ben te oud geworden om nog energie te verspillen aan wraakzucht. 

Maar dat wilde ik eigenlijk niet zeggen – ik werd gewoon overvallen door de bodemloze emoties die voor mij verbonden zijn met het begrip ‘huis’. Wat ik wél wilde zeggen is dat ik met bewondering sta te kijken naar die dakwerkers. En het zijn echte werkers, u weet wel, van die mannen met hun broek halverwege hun billen. Het lijkt me niet dat ze een blog bijhouden of op een andere manier veel tijd besteden aan nadenken. Maar … ze denken op een andere manier. Want om zo’n dak te kunnen bouwen, moet je echt wel kunnen denken (en bouwen op wat anderen vóór je gedacht hebben). Ik zou niet eens weten hoe ik eraan moest beginnen. Alleen al de idee zou voor mij ondenkbaar zijn. De uitvoering … ik mag er niet aan denken. Misschien is dat wel de reden waarom ik geen huis vind die naam waardig: ik kan het niet denken, ik kan me geen huis denken. God mag weten waarom. 

 

Advertenties