A Butterfly’s Dream (1)

door lievendebrouwere

  

Een tijdje geleden kwam Henk binnenwaaien. Hij had de avond tevoren naar de Koningin-Elisabethwedstrijd geluisterd. Dat verplichte werk, vroeg hij, zou het niet kunnen dat je daarin hoort hoe het er in de ziel van de moderne mens aan toe gaat? En hij gaf een imitatie ten beste: pling, plong, kriep, kriep. Ik herkende het meteen. Hedendaagse klassieke muziek – het begrip alleen al is een contradictio in terminis – klinkt als muziek die geen muziek is. Ja, antwoordde ik, dat zou best wel eens kunnen. En dat is slecht nieuws, want als die kakafonie ons zieleleven weerspiegelt, dan is het met die ziel erger gesteld dan we denken. Heb je ’t ook gehoord? wilde hij weten. Nee, zei ik, ik luister allang niet meer naar dat lawaai, ik slaag er zelfs niet in om het – op de Koningin-Elisabethwedstrijd zo vaak gespeelde – derde pianoconcerto van Rachmaninov uit te zitten. Er is zoveel mooie muziek, waarom zou ik mezelf kwellen met lelijke muziek? Dat vond Henk dan weer overdreven. Rach 3 vond hij best wel mooi. 

Ik ondervond weer eens hoe ontzettend moeilijk het is geworden om naar je eigen hart te luisteren. Ik verafschuw hedendaagse klassieke muziek, mijn hart laat daar geen twijfel over bestaan. Zelfs Rachmaninovs 3de pianoconcerto vind ik niet te pruimen. Nochtans is het nog niet echt hedendaags: Rachmaninov, Prokofiev en Sjostakovitsj vormen de overgang tussen klassiek en hedendaags. Alledrie hebben ze heel mooie klassieke muziek geschreven, maar het gros van hun werk bestaat uit muziek die naar mijn gevoel – dat wil zeggen volgens mijn hart – niet om aan te horen is. En juist die ‘lelijke’ muziek wordt vandaag de hemel in geprezen en staat steeds vaker op het programma van de Koningin-Elisabethwedstrijd. Dit jaar bijvoorbeeld werd Rachmaninovs 3de pianoconcerto drie keer gespeeld. Het leverde de winnaar en de nummers 3 en 4 op. De tweede plaats was voor iemand die Prokofiev speelde, en in totaal tekenden de drie Russen voor 2/3 van het hele finale-programma. 

De echt hedendaagse klassieke muziek – de muziek van na de ‘overgang’ – is nog veel erger. Ze is niet zomaar lelijk, ze is afgrijselijk. Omdat ik tegen beter weten in nog altijd hoop om ooit eens hedendaagse kunst tegen te komen die ik, al is het maar een klein beetje, mooi kan vinden, was ik eens gaan luisteren naar A Butterfly’s Dream, het opgelegde werk van dit jaar. De titel klonk veelbelovend, maar na drie noten wist ik al dat mijn hoop – weer eens – ijdel was geweest. Het klonk zoals Henks imitatie, maar dan niet om te lachen. Ik was – voor de zoveelste keer – verbijsterd. Hoe is het mogelijk dat mensen hiernaar kunnen luisteren! Hoe doen ze het om niet gillend weg te lopen als die heksenketel begint! Mij rezen de haren rezen ten berge, ik waande mij in de onderwereld, omringd door duivels die al het mogelijke deden om mij te kwellen. Het publiek bleef echter rustig zitten, meer zelfs: na afloop applaudisseerde het enthousiast! Ook de kenners waren vol lof, ze vonden het prachtig, ontroerend, aangrijpend.

Ene Tom Janssens schreef in De Standaard het volgende. ‘A Butterfly’s Dream reflecteert op een passage uit het filosofische hoofdwerk van de Chinese wijsgeer Zhuang Zi: droomde de meester dat hij een vlinder was, of is hij een vlinder die droomt dat hij de meester is? Anders gezegd: is de wereld een droom, of dromen we de wereld? Wie erover piekert, loopt een reëel risico op oververhitting. Luisteren dan maar. Claude Ledoux opent zijn atmosferische partituur met zachtjes aanzwellende violen, waarop de pianist – één vinger in de klankkast – een dorre toets aanslaat. Daarop volgt een betoverende stuifwolk van hoge nootjes, die als een frislichte sluier over het orkest hangt. Als het de bedoeling is om de piano te doen vlinderen, zal de solist gewiekst moeten omspringen met decibeldosering: wie boven de lome houtblazers uitsteekt, maakt de mooiste vlucht. De windklokjes zijn een ultrakorte passage die verraadt dat Ledoux zijn inspiratie haalde uit het Oosten. Na het neerleggen van de eerste cadens speelt de pianist windklokjesachtige klepelklanken, waaronder de violen een Chinees miauwende melodie kwelen. Fragiel en ogenschijnlijk gewichtloos: zo willen we de toetsen horen aanslaan. En dan dreint de muziek ineens voorwaarts. In deze passage vol razende riffs en orkestrale knallertjes mag het tempo omhoog en de geluidsknop naar rechts. Wie op volgen aangewezen is, toont zich een slappe solist. Leiding nemen en zelf vaart maken: daar komt het in deze dollemansrit op aan. Met een valse start begint de tweede, meer ontnuchterende cadens, tevens het muzikale hart van deze partituur. De allengs getormenteerde toon van deze solopassage doet vermoeden dat Zhuang Zi lelijk wakker geschoten is uit zijn mooie droom. Wie de hersenen het meest kan laten knarsen, heeft het raadsel begrepen.’

Daar sta je dan met je hart. Wat je lelijk vindt, vinden anderen mooi. Wat je in de hel doet belanden, brengt anderen in de zevende hemel. Als ik luister naar mijn hart gaat er een diepe kloof open tussen mij en mijn medemensen. En dat zijn niet de eersten de besten. Zo’n Tom Janssens bijvoorbeeld is een echte kenner, dat zie je zo. Ook het publiek van de Koningin-Elisabethwedstrijd bestaat uit kenners, anders ga je niet naar zo’n wedstrijd luisteren. In de jury zetelen uiteraard eveneens kenners, en in het tv-panel, en in de organisatie: allemaal kenners. Ze weten veel meer van muziek dan ik, en ze zeggen allemaal hetzelfde: Rachmaninov is geweldig, hedendaagse muziek is geweldig. De conclusie ligt dan ook voor de hand: ik heb geen verstand van muziek, ik ben een cultuurbarbaar, een primitief wezen. Tussen mijn onderontwikkelde gevoelsleven en de hogere waarnemingsvermogens van de kenners gaapt een diepe kloof. Waarom kan ik dat niet gewoon accepteren? 

Na een leven lang luisteren naar klassieke muziek heb ik er toch wel een beetje ‘verstand’ van gekregen. Weliswaar kan ik nog altijd geen do van een re onderscheiden, maar ik hoor wel het verschil tussen een goede en een slechte uitvoering. Zo slaag ik er tijdens de Koningin-Elisabethwedstrijd meestal in om de winnaar eruit te pikken – gewoon door naar mijn hart te luisteren. Zo primitief en onontwikkeld kan het dus niet zijn. Het heeft in de loop der jaren zonder veel moeite de kloof tussen mijzelf en de kenners overbrugd, maar als het gaat om hedendaagse muziek voelt het zich opnieuw een primitieve sukkel. Er gaat dan opnieuw een kloof open tussen mezelf en de kenners, een kloof die veel dieper is dan toen ik klassieke muziek begon te beluisteren. Want hoe ik me ook inspan en hoeveel tijd er ook overheen gaat, ik slaag er niet in deze nieuwe kloof te overbruggen. Ze is vandaag nog altijd even groot als veertig jaar geleden en het ziet er niet naar uit dat daar eerstdaags verandering zal in komen. 

Als ik luister naar A Butterfly’s Dream of ik kijk naar Marcel Duchamps pispot, dan is het alsof ik nooit iets van muziek of kunst begrepen heb. De hele ontwikkeling die ik op dit gebied heb doorgemaakt en die van mij min of meer een ‘kenner’ heeft gemaakt, is dan van geen enkele tel meer. Integendeel, juist mijn liefde voor de ‘oude’ kunst belet mij om de ‘nieuwe’ kunst te appreciëren. Hoe kun je nu tegelijk het Lam Gods van Van Eyck en de pispot van Duchamp bewonderen? Hoe kun je hetzelfde begrip – kunst – gebruiken voor een weergaloos schilderij en een stuk afval? Hetzelfde geldt voor klassieke en hedendaagse muziek: het zijn twee totaal verschillende werelden die naar mijn gevoel onmogelijk met elkaar vergeleken kunnen worden. Het stuit me vreselijk tegen de borst om die twee op gelijke voet te behandelen. Je vergelijkt de liefde van een pedofiel toch ook niet met de liefde van een moeder! En toch doen de kenners alsof er geen enkel verschil is. 

De ‘hedendaagse’ kunst (of ze nu beeldend is of muzikaal) plaatst mij voor een morele keuze. Op grond van het onderscheidingsvermogen dat ik in de klassieke kunst heb ontwikkeld – en dat is het vermogen om onderscheid te maken tussen goed en slecht, tussen kunst en geen kunst – moet ik de ‘hedendaagse’ kunst radicaal afwijzen. Mijn hart laat daarover geen enkele twijfel bestaan. Wat deze keuze echter zo moeilijk maakt, is dat ze mij frontaal in botsing brengt met de hedendaagse kunstwereld. Mijn morele verontwaardiging wordt daar namelijk onthaald op … morele verontwaardiging. Mijn afschuw voor A Butterfly’s Dream of een gesigneerde pispot botst er op afschuw voor mijn cultuurbarbarij. Ik word nog net niet beticht van nazisme, want beschouwde Hitler de moderne kunst niet als ‘entartet’? En ik ga nu precies hetzelfde doen? Ben ik dan helemaal op mijn hoofd gevallen? Mijn moraliteit wordt als … immoreel beschouwd. 

Alles wat mijn hart geleerd heeft, alles wat het beleefd heeft, alles wat het heeft liefgehad is van geen enkele tel meer. Meer zelfs, het is iets om me diep voor te schamen. Als ik nog deel wil uitmaken van de culturele wereld – de wereld van de beschaafde mensen – dan moet ik mij radicaal distantiëren van mijn hart. Want die beschaafde mensen maken geen onderscheid tussen goed en slecht, tussen een schilderij van Van Eyck en een pispot, tussen een concerto van Chopin en A Butterfly’s Dream. Ze vinden het allemaal even mooi. Ze discrimineren niet en ze polariseren niet. Ze plaatsen oud en nieuw gewoon broederlijk naast elkaar. Klassieke en hedendaagse kunst zien ze als één groot geheel waarvan ze de diversiteit prijzen. Tegenover zoveel ruimdenkendheid en verdraagzaamheid steekt mijn bekrompen hart natuurlijk scherp af. Het lijkt geen enkel begrip te hebben voor het nieuwe, het andere, het vreemde. Het is gewoon niet meer van deze tijd, het is zelfs kwaadaardig geworden.  

Zo voel ik me vandaag in de wereld van kunst en cultuur: als een slecht mens tussen goede mensen, als iemand die niet langer thuishoort in een moderne, beschaafde wereld. Tussen mij en het publiek van de Koningin-Elisabethwedstrijd dat enthousiast applaudisseert voor A Butterfly’s Dream gaapt een onoverbrugbare kloof: de kloof tussen moreel superieure en moreel inferieure mensen. Stel je voor dat ik daar in de zaal Henry Le Boeuf zou zitten en doen wat ik (in de kunst) altijd doe: luisteren naar mijn hart. Bij de eerste tonen van het opgelegde stuk zou ik verontwaardigd rechtspringen en roepen: hou daar onmiddellijk mee op! Wat een consternatie zou dat niet teweegbrengen bij dat selecte publiek: een barbaar in hun midden! Ze zouden me met afgrijzen bekijken, als was ik een terrorist die net een bom had laten ontploffen. Ik zou stante pede op straat worden gezet en de volgende dag zouden de media schande over me spreken. Allemaal omdat ik naar m’n hart had geluisterd, dat oude, verdorven hart van me. 

Natuurlijk zou ik zoiets nooit doen. Ik zou wel gek wezen! Iedereen weet welk prijskaartje eraan vasthangt als je in de moderne kunstwereld je hart laat spreken. Je kunt net zo goed (cultureel) zelfmoord plegen. Niemand waagt het dan ook om in het openbaar iets negatiefs te zeggen over hedendaagse kunst. Maar leggen al die superieure mensen dan hun hart het zwijgen op? Schakelen ze het uit wanneer A Butterfly’s Dream begint, als was het een hinderlijke gsm? Ik kan me dat moeilijk voorstellen, want zelf zou ik het nooit kunnen. Wat voor zin zou het ook hebben? Wat kun je in de kunst aanvangen zonder hart? Maar misschien hebben ze hun oude hart vervangen door een nieuw exemplaar, eentje dat precies hetzelfde voelt bij het zien van het Lam Gods als bij de pispot van Duchamp. Misschien hebben ze hun gevoelens geupdated. Ik heb geen idee wat ze dan voelen, maar zo gaat dat met superieure mensen: je kunt je als inferieur mens geen voorstelling maken van wat zich in hun ziel afspeelt. 

Tom Janssens geeft er me een voorsmaakje van. Terwijl ik het alleen maar uit wil schreeuwen van ontzetting, beleeft hij de meest wonderbaarlijke zaken: stuifwolken van hoge nootjes, een frislichte sluier over het orkest, lome houtblazers, windklokjesachtige klepelklanken, miauwende violen, orkestrale knallertjes, een ontnuchterende cadens, een getormenteerde toon, enzovoort. Nee, zo’n fijnzinnig voelend hart bezit ik niet. Als ik dat allemaal lees, voel me weer de barbaarse knaap die vrolijk meestampte op de tonen van Rossini en die een lelijk gezicht trok bij het horen van Bach. Ja, eigenlijk is het nu veel erger dan toen, want Bach was geen echte kwelling zoals A Butterfly’s Dream, ik vond hem alleen maar vervelend. Ik kan me zo’n diepe terugval in de barbaarsheid echter niet herinneren, en dus blijft er maar één mogelijkheid over: mensen als Tom Janssens hebben een grote stap voorwaarts gemaakt, waardoor mijn oude ‘beschaving’ opeens barbaars en achterlijk is geworden. Ze hebben me ver achter zich gelaten. 

De kloof die zich opent wanneer ik naar hedendaagse muziek luister, is de kloof tussen mensen die moedig ‘over de drempel’ zijn gegaan en mensen zoals ik, die (zoals in Kafka’s Proces) de ‘wachter aan de drempel’ niet durven te trotseren en hun hele leven gebonden blijven aan de oude wereld en de oude moraliteit. De superieure mensen, zoals je ze aantreft in de wereld van de hedendaagse kunst, zijn eigenlijk nieuwe mensen, herborenen. Ze zijn doorgedrongen in wat Kafka ‘de wet’ noemt (en wat eigenlijk de geestelijke wereld is) en zijn daardoor ingewijden geworden, mensen wier hogere zintuigen zijn opengegaan. Ze horen en zien dingen die voor gewone stervelingen verborgen blijven, zoals de pracht van A Butterfly’s Dream of de schoonheid van een pispot. Voor deze ingewijden – de avant-garde van de mensheid – gelden natuurlijk heel andere morele wetten dan voor degenen die, zoals ik, de stap over de drempel niet durven of kunnen zetten. Dat spreekt.

Het verklaart ook waarom iedereen kost wat kost bij die superieure mensen wil horen, en waarom alleen uitzonderlijk bange en bekrompen zielen zoals ik, de stap over de drempel niet durven zetten. Er vindt vandaag een scheiding der geesten plaats. Een deel van de mensheid (het superieure deel) kiest voor de steile weg omhoog, de weg naar de geest. Het andere deel (het inferieure deel) kiest voor de gemakkelijke weg omlaag, de vertrouwde weg die naar de materiële wereld leidt. Deze tweesprong is a point of no return: wanneer de keuze eenmaal gemaakt is, kan men niet meer terug. Het is dus nu of nooit, en de moderne mens voelt dat instinctief aan. Daarom zet hij resoluut de stap over de drempel, ook al betekent het dat hij afscheid moet nemen van zijn oude hart met zijn discriminerende moraliteit. Het is als bij het aftrekken van een pleister: beter de korte pijn, de krachtige ruk waarmee we ons bevrijden van alles wat ons bindt aan de oude, stervende wereld.     

Advertenties