A Butterfly’s Dream (2)

door lievendebrouwere

  

Wat zich vandaag in de wereld van de kunst afspeelt, is een spiegel van wat zich ook daarbuiten afspeelt: de scheiding der geesten. De mensheid wordt langzaam maar zeker opgesplitst in twee delen: degenen die de stap ‘over de drempel’ zetten en degenen die deze stap niet durven of kunnen zetten. De eersten zullen zich ontwikkelen tot de toekomstige mensheid, die op een veel hoger niveau zal staan, de laatsten zullen wegzakken tot een ondermenselijk niveau, ze zullen degenereren tot mensdieren. Doordat steeds meer mensen vandaag over de drempel van de geestelijke wereld gaan, wordt deze occulte kennis in hen wakker. Ze dringt weliswaar niet door tot hun bewustzijn, maar ze manifesteert zich duidelijk in hun gedrag. We herkennen ze in de bereidheid om komaf te maken met het oude en resoluut te kiezen voor het nieuwe, maar ook in het streven om de mensheid op te delen in ‘correcte’ en in ‘foute’ mensen en tussen beide een cordon sanitaire op te trekken. 

De moderne mens voelt instinctief dat hij voor een keuze staat: wil hij bij de ‘correcte’, superieure mensen behoren, de mensen van de toekomst, of blijft hij liever deel uitmaken van de ‘foute’, inferieure mensen, die eigenlijk geen toekomst meer hebben? Die keuze kan ook nog op een andere manier geformuleerd worden: blijft de mens luisteren naar zijn oude discriminerende hart of creëert hij een nieuw hart, met nieuwe gevoelens, nieuwe zintuigen en een nieuwe moraliteit? In de antroposofie staat dat nieuwe hart bekend als het ‘etherische hart’. Dat is opnieuw een esoterisch begrip, maar op de een of andere manier heeft de moderne mens weet van deze verborgen kennis. Om dat vast te stellen hoeft men alleen maar te kijken naar zichtbare werkelijkheid. Wie doordringt tot de kern van het actuele wereldgebeuren, treft daar het oerbeeld van de drempeloverschrijding aan, en onlosmakelijk daarmee verbonden dat van de scheiding der geesten en de ontwikkeling van het nieuwe hart. 

Nergens is dat zo duidelijk als in de kunst. Op hetzelfde moment dat de drempeloverschrijding een aanvang neemt, ontstaat er een geheel nieuwe kunst die zichzelf ‘hedendaags’ noemt. Deze nieuwe kunst vereist een nieuwe manier van kijken, een nieuwe manier van voelen, een nieuw hart zeg maar. Wie haar wil begrijpen, moet een nieuwe artistieke moraliteit ontwikkelen, een moraliteit die geen onderscheid meer maakt tussen goed en slecht, die niet meer discrimineert, maar die de oude en de nieuwe kunst op gelijke hoogte plaatst. Deze nieuwe moraliteit, zouden we kunnen zeggen, is niet langer exclusief, maar inclusief. Ze wijst de oude moraliteit niet af, maar incorporeert ze, neemt ze in zich op. Ze beantwoordt mijn afschuw voor de hedendaagse kunst bijvoorbeeld niet met afschuw voor de oude kunst. Nee, ze vindt de oude en de nieuwe kunst even waardevol. Ze trekt geen scherpe grens tussen beide zoals ik dat doe, maar verbindt ze tot één groot superdivers geheel. 

De nieuwe kunst vereist dus een dubbele moraliteit. Ten aanzien de oude kunst (en daarmee wordt grosso modo de kunst van vóór 1900 bedoeld) geldt de oude moraliteit waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen goed en slecht. Ten aanzien van de nieuwe kunst geldt … geen moraliteit meer, want we kunnen bezwaarlijk nog van moraliteit spreken als er geen verschil meer is tussen goed en slecht, als er geen norm meer is aan de hand waarvan kunst beoordeeld kan worden. Het nieuwe hart heeft dus twee gezichten: een moreel en een amoreel. Nu eens is het discriminerend en onderscheidend, dan weer is het verdraagzaam en verbindend. Het publiek van de Koningin-Elisabethwedstrijd bijvoorbeeld luistert naar een pianoconcerto van Tchaïkowski op de oude manier en naar A Butterfly’s Dream op de nieuwe manier. Het schakelt met andere woorden zijn moraliteit aan en uit. We zouden de nieuwe moraliteit dan ook een knipperlicht-moraliteit kunnen noemen. 

De nieuwe, moreel superieure mens maakt de ene keer onderscheid tussen goed en slecht, de andere keer niet. Nu eens is hij moreel, dan weer niet, al naar gelang van de omstandigheden. De vraag is natuurlijk of we een moraliteit die zich aanpast aan de omstandigheden, nog wel een moraliteit kunnen noemen. Is zo’n opportunistische pseudo-moraliteit niet een stuk kwalijker dan de gewone rechttoe-rechtaan immoraliteit? Want immoreel kun je alleen maar zijn als er een morele norm bestaat, amoraliteit daarentegen heeft geen morele norm nodig, tenzij om er zich achter te verbergen. Dat is dan ook wat de zichzelf superieur voelende mens doet: hij gebruikt de (oude) moraliteit als een schild om zich te verweren tegen beschuldigingen van inconsequent, amoreel gedrag. En omdat aanvallen de beste verdediging is, gebruikt hij dat moraliteitsschild vooral als wapen om anderen te beschuldigen van immoraliteit en op die manier zijn eigen amoraliteit aan de aandacht te onttrekken.

In het licht van de drempeloverschrijding is dit alles volkomen logisch. Wie over de drempel gaat, krijgt namelijk voeling met de geestelijke wereld en dat is een wereld waar geen moraliteit meer nodig is, om de eenvoudige reden dat de tegenstelling goed-kwaad er niet bestaat. Hier is geen moeizaam oordelen meer, geen lastig wikken en wegen, geen beschamend falen wanneer men de verkeerde keuze maakt. Hier is men vrij en onbezwaard, mijlenver verheven boven de onzeker rondtastende menselijke moraliteit. Natuurlijk is die superioriteit een waan, want tot nader order leeft de mens nog altijd in de materiële en niet in de geestelijke wereld. In die materiële wereld heeft hij zijn moraliteit nodig om mens(elijk) te zijn, maar door de groeiende invloed van de ‘amorele’ geestelijke wereld komt die moraliteit zwaar onder druk te staan. Als de moderne mens zich niet verzet tegen de ‘amoraliserende’ invloed van de geest verliest hij langzaam zijn moraliteit. Hij wordt dan een inferieur amoreel wezen dat zich superieur waant. 

Moraliteit is voor de ‘superieure’ mens niets anders dan een middel om ongestoord amoreel te kunnen zijn. Het is een machtig wapen waarmee hij de ‘inferieure’ mens ongenadig in het nauw drijft. Want de broederlijkheid en verdraagzaamheid die hij zo hoog in het vaandel draagt, zijn slechts schijn. Moreel en amoreel kunnen namelijk nooit als gelijken tegenover elkaar staan. Om moreel te zijn moet de mens zich voortdurend inspannen, om amoreel te zijn hoeft hij zich alleen maar over te geven aan zijn driften en instincten. Amoraliteit is een dierlijke staat van zijn die de mens steeds weer moet overwinnen als hij werkelijk mens wil zijn. Door moraliteit en amoraliteit af te wisselen, verzwakt hij stelselmatig zijn menselijkheid en keert hij langzaam terug naar het dierlijke stadium. Vandaar ook het toenemende geweld in de wereld. De nieuwe moraliteit is in werkelijkheid een ongelijke strijd tussen moraliteit en amoraliteit, tussen bewustzijn en instinct. Het is alsof je een kat en een muis opsluit in dezelfde kooi. 

Door te pendelen tussen moraliteit en amoraliteit verliest de mens geleidelijk het vermogen om onderscheid te maken tussen goed en slecht. Hij wordt niet alleen moreel ‘blind’, hij beseft ook niet dat hij blind is. Hij gelooft immers niet meer in het onderscheid tussen goed en slecht. Nee, het zijn de ánderen die blind zijn en de (amorele) werkelijkheid niet onder ogen kunnen of durven zien. Zoals actrice Dora Van der Groen het ooit uitdrukte: er bestaat niet zoiets als goede of slechte kunst, er bestaat alleen kunst die je aanspreekt of niet. De enige norm voor kunst was in haar ogen het gevoel dat bij de kijker of de luisteraar opgeroepen wordt. Ze adviseerde kunstliefhebbers dus om … naar hun hart te luisteren. Dat is precies wat ik doe als ik A Butterfly’s Dream hoor. Maar juist door dat postmoderne advies ter harte (sic) te nemen, kom ik frontaal in botsing met de hele hedendaagse kunstwereld. Hoe valt dat te rijmen met de broederlijkheid en verdraagzaamheid die daar heerst?

Als het eigen hart de artistieke norm is, dan komen er onvermijdelijk botsingen van. Want ieder hart is anders. Waar de een vreugde aan beleeft, wekt bij de ander afschuw op. Wat voor de een de hemel is, is voor de ander de hel. In de postmoderne opvatting is kunst voor iedereen dan ook wat anders: dé kunst bestaat niet, evenmin als dé waarheid. Ieder heeft zijn kunst, zoals ieder ook zijn waarheid heeft. Leven en laten leven, zo luidt het hedendaagse motto. Dat klinkt heel mooi en menselijk, maar als er geen algemeen geldende, objectieve norm bestaat, hoe ga je dan bepalen wat kunst is en wat niet? Moet het begrip ‘kunst’ dan niet afgeschaft worden? Ja, moet je dan niet de hele kunstwereld opheffen? Maar dat gebeurt natuurlijk niet, wel integendeel. Er wordt zeer scherp onderscheid gemaakt tussen wat hedendaagse kunst is en wat niet. Als Marcel Duchamp een pispot tentoonstelt wordt hij beroemd, als ik mijn toiletpot tentoon stel word ik uitgelachen. Waarom? Wat heeft Duchamp dat ik niet heb? 

Welke norm hanteert men om Duchamps pispot grote kunst te noemen en mijn toiletpot helemaal géén kunst? Die norm kan niet in het ‘kunstwerk’ zelf gelegen zijn, want er is geen wezenlijk verschil tussen zijn pispot en mijn toiletpot, behalve dan de handtekening. En daar ligt het verschil: in (de handtekening van) de kunstenaar, niet in het kunstwerk. Dat is de reden waarom Duchamps pispot wereldberoemd is en ik mijn toiletpot aan geen enkele kunstgalerij of museum kan slijten: ik ben Marcel Duchamp niet, ik slaag er niet in een stuk afval als kunst te verkopen. Er zijn echter mensen die álles verkocht krijgen, en een pispot als kunst verkopen is wel het toppunt van verkoopkunst. Maar daarvoor moet je mensen er eerst van kunnen overtuigen dat je een groot kunstenaar bent (en dat alles wat je maakt derhalve grote kunst is). Dat is dan ook de nieuwe kunstnorm. In de theoretische boeken wordt hij als volgt geformuleerd: kunst is iets wat gemaakt wordt door iemand die van zichzelf beweert dat hij een kunstenaar is. 

Vroeger zocht men de kunstnorm in het kunstwerk zelf: was het goed gemaakt, was het mooi om zien? Maar die normen gelden niet meer. De norm ligt nu in de kunstenaar zelf. Wie anderen ervan kan overtuigen dat hij een kunstenaar is, heeft het pleit gewonnen. Wat hij verder nog doet of maakt, heeft geen belang. Het kunstzinnige proces ligt geheel en al in het verkopen van jezelf. Wie dat niet kan – hij mag nog kunnen schilderen als Rubens – maakt geen enkele kans. In het beste geval kan hij zijn werk nog kwijt op een of andere folkloremarkt, maar in de kunstwereld komt hij niet binnen. Street credibility, daar gaat het om. Als je die hebt, mag je in je blootje verf schijten op een doek – ik verzin het niet – het wordt als kunst beschouwd (en betaald). Hoe pervers en weerzinwekkend het ook is wat je doet, eens je de kunstwereld ervan overtuigd hebt dat je een kunstenaar bent, heb je carte blanche. Je bent zo vrij als een vogel, het geld stroomt naar je toe en iedereen applaudisseert. 

In de oude kunstwereld werd alleen het kunstwerk beoordeeld. De kunstenaar deed er niet toe, hij was slechts de (anonieme) maker. De klassieke oudheid was daar zeer duidelijk in: voor de kunstwerken had men grote bewondering, voor de makers voelde men alleen maar minachting. Kunstenaars waren gewone handwerkslieden, en de kunstliefhebbers (die tot de hogere klassen behoorden) vermeden alle contact met hen. De hedendaagse kunst heeft die situatie helemaal omgekeerd. De minachting van de kunstliefhebber geldt nu het kunstwerk: dat doet er niet meer toe. Het kan om het even wat zijn: een pispot, een hoop bananenschillen, wat kakafonische klanken, het maakt niet uit. De bewondering gaat exclusief naar de kunstenaar: die wordt als een magiër gezien, een koning Midas die alles in goud – lees: kunst – verandert wat hij aanraakt. Verre van de kunstenaar te minachten, ligt de hedendaagse kunstliefhebber in blinde verering aan zijn voeten. 

De ‘oude’ kunstenaar probeerde de kunstliefhebber te overtuigen met zijn werk, met zijn kunnen. De ‘nieuwe’ kunstenaar probeert hem te overtuigen met … ja, waarmee? Hoe overtuigt de hedendaagse kunstenaar anderen ervan dat hij een kunstenaar is? Het antwoord ligt voor de hand: door zichzelf voor te stellen als iemand die ‘over de drempel’ is gegaan, een ingewijde, een magiër die door één enkel woord of gebaar pispotten en ander afval tot een hogere zijnsvorm verheft. Door zichzelf te gedragen als iemand die dingen ziet en hoort waarvan de gewone sterveling zich geen voorstelling kan maken, dwingt hij die gewone sterveling op de knieën. Want zo sterk is diens verlangen om ook ‘over de drempel’ te gaan, dat hij bereid is alles te geloven wat de kunstenaar zegt en alles te bewonderen wat hij maakt of doet. Dat allemaal in de hoop om te worden zoals hij: een moreel superieur mens, een vrij en ongebonden mens die niet hoeft te wikken en te wegen maar die blindelings zijn instincten volgt. 

Advertenties